1. Bijstandszaken: de website met de mooiste bijstandszaken van recente datum

2. Samengevat en voorzien van een persoonlijke Bespreking

3. Met een uitgebreid zoeksysteem

4. Beschikbaar via een abonnement (half jaar, heel jaar)

5. Tegen lage kosten

6. Bijstandszaken: onze Besprekingen nu ook op papier

7. Jaarboek 2010: de mooiste Besprekingen

8. Van alle gemeenten in Nederland

9. Cursusboek Grote Steden 2010: de mooiste Besprekingen

10. Van de vier grote gemeenten (G4)

  Actualiteiten van de bestuursrechter
  op het  terrein van de Wet werk en bijstand (Wwb)

 

 Bijstandszaken

Gebruiker  
Wachtwoord
 

 Snelregister | Uitgebreid register | Contact

Bestellen  -

 Home
 Informatie
 Profielen
 Reactie plaatsen
 Disclaimer
 Privacy
 Uitgebreid zoeken
 
 Snelzoeken

Vanaf 2010 abonnementen sterk in prijs verlaagd!













Reactie overzicht

Langdurigheidstoeslag (BZK 2010/12)
De rechtbank komt tot de conclusie dat het per maand toetsen van het inkomen niet verenigbaar is met een grammaticale uitleg van de verordening en een teleologische uitleg van verordening en artikel 36 WWB. M.i. ten onrechte.
M.b.t. de ‘grammaticale uitleg’ van de rechtbank kan het volgende worden gesteld: het begrip ‘aaneengesloten periode’, dat volgens een ‘redelijke uitleg’ van de rechtbank betekent dat het gemiddelde inkomen over 36 maanden moet worden beoordeeld, is verwant aan het begrip ‘ononderbroken periode’, dat vóór 1 januari 2009 in artikel 36 eerste lid WWB werd gebruikt, en wordt verder niet uitgewerkt of toegelicht in de verordening c.q. toelichting. Gekozen is voor ‘aaneengesloten’ omdat het begrip ‘ononderbroken’ onder de vorige regeling verwarring heeft opgeroepen. Er werd immers wel gesuggereerd dat een periode zonder inkomen een onderbreking opleverde van de referteperiode. De CRvB heeft dit overigens al eerder ontzenuwd. Om discussies te voorkomen en om te verduidelijken dat er sprake moet zijn van het gedurende één afgerond tijdvak hebben van een (maand)inkomen onder de norm is gekozen voor het begrip ‘aaneengesloten periode’. De betekenis is echter dezelfde als ‘ononderbroken’ in artikel 36 oud WWB.
Onder de oude regeling oordeelde de CRvB dat al sprake was van een relevante onderbreking (dus niet meer aaneengesloten) als gedurende een korte periode een iets te hoog inkomen was ontvangen (overigens idem de rechtbank Arnhem in eerdere instantie). Zie bijv. CRvB 22 december 2009, LJN: BK8337: “niet in geschil is dat appellante (…) gedurende enige tijd (2,5 maand) inkomsten heeft ontvangen hoger dan de bijstandsnorm, zodat niet wordt voldaan aan artikel 36, eerste lid, onderdeel a, van de WWB” (r.o. 4.2). M.a.w. er was een relevante onderbreking als er eenmalig iets teveel inkomen was ontvangen. Daarmee is in overeenstemming de in de verordening gehanteerde (WWB-) begrippen en de opzet van de verordening. Met het begrip ‘inkomen’ wordt bedoeld het netto-inkomen, zoals dat feitelijk is ontvangen (CRvB 30 juni 2009, LJN: BJ2503). Uit CRvB 4 juli 2006, LJN: AY0262 kan worden afgeleid dat niet aan de voorwaarden is voldaan als gedurende een gedeelte van de referteperiode een te hoog inkomen is ontvangen. Het betreft in beginsel een maandinkomen. Hoewel in artikel 32 WWB dit begrip niet genoemd is als maandbedrag, wordt uit de bepaling dat het inkomen niet hoger mag zijn dan de bijstandsnorm (art. 19 WWB), afgeleid dat het begrip ‘inkomen’ (in beginsel) een maandbedrag is. Omdat ook in de verordening het inkomen afgezet wordt tegen de bijstandsnorm wijst dit op een maandbenadering. Een andersluidende ‘grammaticale’ uitleg is daarmee niet in overeenstemming.
M.b.t. de teleologische uitleg van wet en verordening geldt het volgende: Rechtvaardiging van de ldt is dat reserveringsmogelijkheden ontbreken voor minima die langdurig van het sociaal minimum afhankelijk zijn. In de toelichting op de verordening is weliswaar opgemerkt dat het verkorten van de referteperiode tot 36 maanden aansluit bij de veelal gehanteerde stelregel dat bij een inkomen op bijstandsniveau na drie jaar extra inkomensondersteuning gewenst is, met die constatering is niet beoogd een bindende norm te stellen en is zeker niet onverenigbaar dat ter invulling van het begrip ‘langdurig’ voor een maandbenadering is gekozen. Zoals de rechtbank ook erkent heeft de wetgever de gemeenten grote vrijheid gegeven om invulling te geven aan de begrippen ‘langdurig’en ‘laag inkomen’. In de wetsgeschiedenis is vastgesteld dat de ldt qua vormgeving “zoveel mgelijk een gemeentelijke verantwoordelijkheid moet worden”, dat gemeenten “keuzevrijheid hebben bij de vormgeving van beleid”, dat “toepassingsverschillen daarbij logisch zijn”, dat de verordening moet worden “afgestemd op de lokale situatie” etc. etc (zie bijv. TK 31 441, nr. 7). Het is dan ook niet in te zien dat vanuit die omvangrijke gemeentelijke beleidsruimte een beleid niet aanvaardbaar zou zijn als dat uitgaat van een maandbenadering. Een andere opvatting zou er trouwens ook toe leiden dat iemand die geruime tijd een hoog inkomen heeft, vervolgens enige tijd geen inkomen, omdat hij van het opgebouwde vermogen geniet, toch in aanmerking zou kunnen komen voor de ldt. Het is zonneklaar dat de regeling daarvoor niet bedoeld is. Dat is evenmin het geval voor belanghebbenden die de laatste maanden van de referteperiode een (voortdurend) inkomen hebben boven de inkomensgrens. Ook zij behoren niet tot de doelgroep van de ldt.
Dat de rechtbank op een vernietiging uitkomt, is op zichzelf denkbaar, de rechtsgrond daarvan had echter moeten zijn de toepassing van artikel 18 lid 1 WWB (individualiseringsbeginsel), die een hogere norm stelt dan de voorschriften van de verordening. Daarmee kunnen de scherpe randjes van de verordening worden geslepen maar laat onverlet dat in beginsel bij een overschrijding van de inkomensgrens de ldt nog steeds kan worden geweigerd.
24-02-2010
H. van Deutekom (Juridisch adviseur gemeente Arnhem)


Sociale activering en verplichting medische behandeling (BZK 2009/71)
De betreffende uitspraak handelt om een persoon welke reeds vele jaren een uitkering geniet. Alle pogingen om belanghebbende de afgelopen jaren te activeren zijn op niets uitgelopen.
Uit het medische advies van 11 december 2007 blijken forse beperkingen van belanghebbende. Belanghebbende wordt niet in staat geacht om uit te stromen naar reguliere arbeid. Wel wordt belanghebbende in staat geacht om in eerste instantie deel te nemen aan sociale activering waarbij een eventueel WSW-dienstverband uiteindelijk tot de mogelijkheid behoort. Ondanks de forse beperkingen van belanghebbende vond er, afgezien van medicatie, geen behandeling plaats.
Binnen het re-integratietraject dat met belanghebbende is gestart is gezocht naar een mogelijkheid om de situatie waarin belanghebbende verkeert te doorbreken. Een mogelijkheid hierin werd gezien door belanghebbende deel te laten nemen aan een behandelingstraject bij Altrecht. Belanghebbende zou dit traject in eerste instantie met zijn huisarts dienen te bespreken waarna de voortgang van de behandeling binnen het re-integratietraject zou worden gemonitord.
Deze zaak is in beroep gestrand op het feit dat niet duidelijk uit het medische advies bleek dat de arts een behandeling bij Altrecht noodzakelijk vond. De reden hiervoor is naar mijn mening dat de arts zich in het medische advies heeft aangesloten bij de reeds ingezette weg, namelijk dat de consulent werk e.e.a. eigenlijk al in gang had gezet, of deze weg (tot behandeling bij Altrecht) ten minste al voor belanghebbende had uitgestippeld. Hierdoor zou de conclusie kunnen worden getrokken dat er ter zake van de noodzaak tot behandeling geen sprake was van een zgn. onafhankelijk of objectief advies.
Het leermoment in deze zaak is dat een arts zijn advies niet teveel moet afstemmen op specifieke trajecten bij de gemeente. Een arts dient de klachten van een belanghebbende slechts te objectiveren zodat de beperkingen van een belanghebbende inzichtelijk zijn; de mate van arbeidsgeschiktheid duidelijk is en het duidelijk is waartoe belanghebbende nog in staat is. Het is vervolgens de taak van een consulent werk om met behulp van dit advies een passend re-integratietraejct voor belanghebbende te vinden. In de onderhavige zaak is dus naar mijn mening, zoals gezegd, getracht om het medische advies van de arts in te passen in een reeds bestaand traject of plan waardoor niet voldoende uit de verf is gekomen dat de arts een medische behandeling bij Altrecht aangewezen vond, hetgeen dus naar mijn mening wel het geval was.
12-01-2010
A.C. Hoogendoorn (Juridisch adviseur RSD Kromme Heuvelrug)


Gezamenlijke huishouding en zorgbehoefte (BZK 2009/32)
In de Bespreking is een helder overzicht opgenomen van de jurisprudentie, die we momenteel kennen op de toepassing van artikel 3, tweede lid, WWB wegens een zorgbehoefte. Duidelijk wordt dat de Raad uitgaat van een ruime opvatting. De gemeenten zullen er rekening mee moeten houden dat in meerdere gevallen wegens zorgbehoefte geen sprake is van een gezamenlijke huishouding.
Wat mij bezig houdt is de vraag of de gemeenten in dergelijke gevallen ook rekening houden met een ontheffing van de arbeidsverplichting voor de mantelzorger. Immers: als de mantelzorger niet in de gelegenheid wordt gesteld de zorgvrager te helpen wordt niet voldoende voorzien in de zorgbehoefte. Zijn er gemeenten die op dit punt een voorbeeldfunctie vervullen?
11-11-2009
Jan-Willem Aartsen (Advocaat in Utrecht)


Inlichtingenplicht en recht op bijstand (BZK 2009/09)
In deze zaak is het volgende nog vermeldenswaardig. De Rechtbank had twee uitspraken in deze lijn (in beide zaken was de gemeente Rotterdam in hoger beroep gegaan). Hierna zijn de gelijkluidende zaken veelal aangehouden door de rechtbank en is er met een uitspraak in september 2008 door de meervoudige kamer van de Rechtbank een omslag gemaakt. De uitspraken van de Rechtbank na september 2008 volgen allen de lijn van de meervoudige kamer (die in de pas loopt met de uitspraak van de CRvB d.d. 24 februari 2009).
De vaststelling dat het hier een katvanger betrof kwam naar voren uit de dossierstukken en werd ook gehanteerd in het advies van de bezwaarcommissie. De Rechtbank heeft voormelde feit overgenomen.
12-03-2009
P. van der Heijden-Wijnen (Juridisch adviseur Servicedienst Juridische dienst gemeente Rotterdam )


Verzwegen hennepkwekerij (BZK 2009/02)
Graag maak ik van de gelegenheid gebruik om te reageren op uw bespreking van voornoemde uitspraak.
Het is inderdaad een opmerkelijke uitspraak. Terecht stelt u dat, indien de gemeente Utrecht de over de periode 2002-2005 ten onrechte verleende bijstand had teruggevorderd, het standpunt van de gemeente Venlo aan kracht inboet. De gemeente Utrecht heeft zich beperkt tot de periode die door het Openbaar Ministerie ten laste werd gelegd. Uit het stroomverbruik bleek evenwel dat dit al die jaren nagenoeg even hoog was als in de door de strafrechter bewezen periode.
In strafrechtelijk opzicht zal het wel lastig zijn geweest om over deze hele periode het bewijs te leveren. De bestuursrechtelijke bewijsregels zijn nu eenmaal anders dan in het strafrecht. In dit geval is het gelet op de stroomverbruik aannemelijk geacht dat in de gehele voornoemde periode sprake is geweest van hennepteelt. Het is dan aan de belanghebbende om aan te tonen hoe hij de niet onaanzienlijke inkomsten uit die handelsactiviteiten heeft ingeteerd. In de regel is dit niet mogelijk, doch dit komt – terecht – voor rekening van de betrokkenen.
Een kleine opmerking mbt de laatste alinea in uw bespreking. U stelt dat, wanneer Utrecht de terugvordering had bepaald op €107.600 de afwijzingsgrond van Venlo in de lucht was komen te hangen. Dit is niet helemaal juist. De gemeente Utrecht zou niet bevoegd zijn geweest om genoemd bedrag terug te vorderen, maar de ten onrechte verleende uitkering over de in geding zijnde periode. Die is waarschijnlijk lager geweest dan genoemd bedrag. Indien de uitkering hoger zou zijn geweest, dan zou de terugvordering inderdaad beperkt moeten worden tot €107.600.
28-02-2009
Mariet Bovee (Juridisch medewerker Bezwaar en Beroep Venlo)


Afstemming wegens Work First (BZK 2008/87)
Op uw bespreking heb ik geen commentaar. Wel kan ik melden dat tegen de betreffende uitspraak hoger beroep is ingesteld, zodat ook de Centrale Raad van Beroep zich nog over deze kwestie zal uitspreken.
12-12-2008
A. Kleijn (Gemachtigde bezwaar en beroep Sociale Dienst Drechtsteden)


Langdurigheidstoeslag (BZK 2008/84)
Onze reactie is kort maar krachtig. Wij onderschrijven de bevindingen van de rechtbank en hebben dan ook besloten geen hoger beroep aan te tekenen. Verder zijn wij van mening dat uw redactie op zorgvuldige wijze de kwestie heeft becommentarieerd. Wij hebben terzake geen op- of aanmerkingen.
Tenslotte delen wij u mede dat het onderliggende regelgevingsprobleem vanaf 1 januari 2009 moet zijn opgelost, gezien de volstrekt nieuwe juridische context van de langdurigheidstoeslag die vanaf die datum aan de orde is.
23-11-2008
H.F. Smits (Roosendaal)


Langdurigheidstoeslag (BZK 2008/74)
Participatie naast zakelijke geschillen
Het orgaan voor cliëntenparticipatie bij de Dienst Sociale Zaken (DSZ) van de gemeente Almere is het Cliënten Beraad Almere (CBA). De Sociaal Raadslieden van Zorggroep Almere zijn lid van dat CBA en voeren het secretariaat van het Beraad. In het overleg tussen DSZ en CBA wordt onder meer van gedachten gewisseld over meer juridische technische aangelegenheden. Dat overleg zorgt niet altijd tot een eensluidende opvatting. Een verschil van inzicht kan op een zakelijke manier in de juridische arena ter beslechting aan de rechter worden voorgelegd.

In verband met arbeid…
De Almeerder uit CRvB 19 augustus 2008 nr. 06/1163 WWB, LJN BE8918 heeft in zijn hele leven nog nooit gewerkt. Na zijn voltooiing van zijn opleiding bleek hij niet tot werken in staat. Hij hoefde aanvankelijk ook niet te werken om te voorzien in zijn levensonderhoud. Daar zorgde zijn toenmalige echtgenote voor. Na de invoering van de AAW heeft hij een aanvraag ingediend voor zo’n uitkering. Die is hem toegekend. Via het tussenstation van de WAJONG-uitkeringen is dat vervolgens een BIA-uitering geworden. Het inkomen van betrokkene heeft daarmee in de verste verte niets te maken met arbeid. Met deze informatie in de hand moet het voor de niet-jurist welhaast onbegrijpelijk zijn dat de CRvB deze BIA-uitkering aanmerkt als inkomen in verband met arbeid.

Netto inkomen
De opvatting dat uitsluitend het netto-inkomen van belang zou zijn voor bijstandsaanspraken is onder een voorganger van de Wwb al eens aan de orde geweest. Uit CRvB 16 juli 1996, nr. 95/5150; JABW 1996, nr. 197 blijkt dat een marginaal netto verschil tussen een AAW-uitkering en een bijstandsuitkering niet leidt tot een recht op bijstand. Een netto marginaal hogere andere minimumuitkering is het spiegelbeeld van die situatie. De gemeente Almere kon de rechtvaardigheid van het doortrekken van die uitspraak van de CRvB niet onderkennen. Deze uitspraak maakt duidelijk dat marginale verschillen in netto uitkomst tussen een bruto minimum-uitkering en de bijstand geen effect sorteren op aanspraken ingevolge de Wet werk en bijstand.
01-10-2008
John van der Pauw (Teammanager Sociaal Raadslieden en secretaris Clienten Beraad Almere)


Bijstand aan drugs- en alcoholverslaafden die in Schotland afkicken (BZK 2008/66)
Het gaat om een cliënt van wie de bijstandsuitkering was stopgezet op grond van het z.g. territorialiteitsbeginsel, omdat hij was opgenomen in de Schotse afkickkliniek "Castle Craigh". Allereerst valt het mij op (in positieve zin) dat u ook wat achtergrondinformatie geeft over die kliniek. Mij was slechts bekend dat die kliniek zich bevond te Peeblesshire in Schotland; dat zal dan de gemeente of het district moeten zijn waarin de kliniek is gelegen, want als vestigingsplaats noemt u West Linton.
U vraagt zich af of, nu de CRvB uitdrukkelijk vaststelt dat in art. 16 WWB een hardheidsclausule is opgenomen, een bom is gelegd onder de eerder door de Raad gehanteerde uitleg van dit artikel, namelijk dat er sprake moet zijn van een "acute noodsituatie". Ik ben daar nog niet zo zeker van.
Bedacht moet immers worden, dat de CRvB hier strijdigheid constateerde met hogere regelgeving, namelijk het EG-verdrag. De CRvB moest daar natuurlijk iets mee en het is te begrijpen dat hij dan, teneinde die strijdigheid weg te nemen, wel eens tot een wat andere uitleg van een bepaald wetsartikel komt dan hij tot nu toe in andere zaken heeft gedaan. Maar voor mij wil dat nog niet zeggen dat hiermee een andere weg is ingeslagen. Daarvan zal denk ik pas kunnen worden gesproken als de CRvB ook in een zaak waarin geen hogere regelgeving aan de orde is, uitdrukkelijk aangeeft dat art. 16 WWB als een hardheidsclausule moet worden opgevat.
U stelt dat het standpunt dat art. 11 WWB zich te allen tijde verzet tegen doorbreking met een beroep op art. 16 WWB niet past in het systeem van de wet. Daarin hebt u helemaal gelijk. Destijds (in 2004) was ik nog dit standpunt toegedaan; vermoedelijk dateerde dit nog uit de tijd van de ABW, die een bepaling als art. 16 volgens mij niet kende. Al tijdens de procedure bij de Rechtbank kwam ik erachter dat dit standpunt niet langer houdbaar was en ik was het dan ook eens met het standpunt van de Rechtbank in deze.
Overigens, dat het tot dusverre de belangrijkste bijstandszaak van 2008 is, zoals u stelt, kan heel goed. Het is in elk geval een hele belangrijke. Immers het territorialiteitsbeginsel is een beginsel dat hecht verankerd is in de WWB en als dan de CRvB een uitspraak doet waarin dit beginsel opzij wordt gezet dan is dat nogal wat!
Nieuw is dat de Centrale Raad spreekt over een "hardheidsclausule" in art. 16 WWB. Niet nieuw is echter dat de CRvB deze bepaling zodanig uitlegt dat er geen sprake is van strijd met een verdragsbepaling. Als voorbeeld van een uitspraak waarbij dit al eerder is gebeurd verwijs ik naar CRvB 24 januari 2006, LJN: AV0197, waarin is beslist dat het begrip "zeer dringende redenen" in art. 16 lid 1 WWB ten aanzien van minderjarige kinderen moet worden uitgelegd conform het bepaalde in art. 3 leden 1 en 2 en art. 27 lid 3 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind.
30-09-2008
A. Kleijn (Gemachtigde bezwaar en beroep Sociale Dienst Drechtsteden)


Financiering WWB en Awb (BZK 2008/68)
Van de mogelijkheid een Reactie te sturen maak ik graag gebruik.
Vooropgesteld dient te worden dat de berekening van het inkomensdeel WWB een complex iets is waarbij gebruik wordt gemaakt van allerlei kengetallen en formules. Er wordt aangesloten bij CBS-gegevens, maar hier wordt ook weer van afgeweken. Het was voor de gemeente dan ook niet te doorgronden dat de aanvankelijke definitieve berekening van het inkomensdeel 2005 niet correct was. Er was geen reden tot twijfel, temeer het bedrag niet beduidend afweek van het voorafgaande jaar en zelfs lager lag.
Daarnaast is van belang dat het inkomensdeel niet de feitelijke uitgaven hoeft te dekken maar een gemeente bevoegd is een mogelijk overschot op andere wijze aan te wenden. De gemeente heeft ervoor gekozen hiertoe een egalisatievoorziening in te richten om toekomstige tekorten op het inkomensdeel te kunnen dekken.
Nu in deze geen andere belanghebbende tegen het besluit tot definitieve vaststelling bezwaar kon maken, gold het besluit voor de gemeente als onherroepelijk en hoefde niet verwacht te worden dat het bedrag negatief herzien zou worden.
Inderdaad wou de gemeente toesturen op een analoge toepassing van het bepaalde in artikel 4:49, Awb. Het betreft immers een bepaling die zijn oorsprong vindt in rechtersrecht. Daarnaast is ook gewezen op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het aanvankelijk definitief vastgesteld bedrag stond voor haar voldoende vast en zij heeft hierop haar handelen gebaseerd door meer financiële middelen onder te brengen in de egalisatievoorziening.
Nu de fout voor de gemeente niet kenbaar was en in alle redelijkheid ook niet kenbaar kon zijn, wordt de uitspraak niet geheel rechtvaardig geacht. De negatieve gevolgen voor rekening van het ministerie laten was uit een oogpunt van zorgvuldigheid beter geweest, nu daar de oorzaak lag van een fout die de gemeente niet kenbaar was c.q. kon zijn.
25-09-2008
Corinne Michels (Venlo)


Zeer ernstige misdraging (BZK 2008/69)
Op uw verzoek reageer ik namens het college. Onze reactie kunt u terugvinden in bijgevoegde brief aan de minister SZW.
Voor wat betreft uw Bespreking merken wij op dat deze adequaat is. Enig punt ter correctie: wij zijn niet enkel uitgegaan van een tekortschietend besef, maar hebben bij de Raad ook gesteld dat er sprake was van een afzonderlijke, aan de bijstand verbonden verplichting.
25-09-2008
J. Quaedvlieg (Juridisch adviseur rechtsbescherming gemeente Heerlen )


Samenloop van verlaagde toeslagen (BZK 2008/44)
Reuzehandig die uitgebreide Bespreking. Mijn advies voor de gemeente was daardoor feitelijk al klaar.
25-09-2008
G. van der Wal (Medewerker Bezwaar en Beroep, Millingen aan de Rijn)


copyright 2008 bijstandszaken.nl