|
|
|
|
Werkleeraanbod resp. studiefinanciering en inkomensvoorziening WIJ (BZK 2011/12) De uitspraak van de rechtbank Breda van 7 februari 2011 (datum publicatie: 5 april 2011; LJN BQ0193) is voor het college aanleiding geweest om hoger beroep in te stellen bij de Centrale Raad van Beroep. Daarbij zijn onder meer de volgende gronden aangevoerd:
* strijdigheid met de door de wetgever beoogde paradigmawisseling;
* belanghebbende behoort niet tot de doelgroep van de WIJ. Hiertoe behoren alle jongeren van 18 tot 27 jaar die niet leren en niet werken en zich om die reden tot de gemeente wenden voor inkomensondersteuning (TK, vergaderjaar 2008-2009, 31775, nr. 3, pagina 10). In deze zaak gaat het dus om iemand die (wel) leert;
* doorkruising van het door de wetgever gelegde verband tussen het werkleeraanbod en de inkomensvoorziening;
* aan de voorwaarden waaronder de inkomensvoorziening verstrekt kan worden wordt niet voldaan. De WIJ biedt namelijk een inkomenswaarborg in de volgende situaties:
a. van de jongere kan niet worden gevergd dat uitvoering wordt gegeven aan een werkleeraanbod, of:
b. het werkleeraanbod genereert onvoldoende inkomen, of:
c. de jongere is in afwachting van een werkleeraanbod (TK, vergaderjaar 2008-2009, 31775, nr. 3, pagina 25).
Deze situaties doen zich niet voor zodat een inkomensvoorziening niet aan de orde is;
* doorkruising van het uitgangspunt dat het volgen van regulier onderwijs een werkleeraanbod in de weg staat waardoor er geen recht bestaat op een inkomensvoorziening.
Het college heeft de Centrale Raad van Beroep in het bijzonder aandacht gevraagd voor het feit dat op 18 januari 2011 de Staatssecretaris van SZW een aantal vragen heeft beantwoord van de leden Sterk en Biskop over de gevolgen van de wijze van bekostiging van het Voortgezet Algemeen Volwassenenonderwijs voor het werkleeraanbod van jongeren. Eén van de vragen (vraag 6) aan de staatssecretaris luidde als volgt:
Bent u ervan op de hoogte dat het recht op en de aanvaarding van een werkleeraanbod door een jongere conform de Wet WIJ een noodzakelijke voorwaarde vormt om ook inkomensvoorziening op grond van de WIJ te ontvangen? In hoeverre betekent dit volgens u ook dat de jongere die onderwijs volgt dat bekostigd wordt uit Rijkskas geen recht heeft op inkomensondersteuning?
Het antwoord van de staatssecretaris was als volgt:
Ja. Het recht op inkomensvoorziening op grond van de WIJ is gekoppeld aan het accepteren en uitvoeren van een werkleeraanbod. Als een jongere uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs volgt, bestaat geen recht op een werkleeraanbod. Er bestaat dan ook geen recht op inkomensvoorziening op grond van de WIJ.
Tot slot heeft het college aandacht gevraagd voor de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 22 september 2010 (nummer AWB 10/3334 WIJ) waarin deze rechtbank geoordeeld heeft dat een belanghebbende recht dient te hebben op een werkleeraanbod, wil deze aanspraak maken op een inkomensvoorziening.
Arbeidsverplichtingen zijn in dit geval niet opgelegd omdat belanghebbende in de maand, waarin hem de beschikking is gezonden ter uitvoering van de uitspraak van de voorzieningenrechter, de leeftijd van 27 jaar zou bereiken.
Naschrift redactie
We zijn blij met de reactie van Bergen op Zoom en met de verwijzing door René Mol naar de Haarlemse zaak van 22 september 2010. Bij ons onbekend. Relevant, omdat de overwegingen van de Haarlemse bestuursrechter haaks staan op de besproken zaak van de rechtbank Breda. Omdat de Haarlemse zaak niet gepubliceerd is op www.rechtspraak.nl, is deze zaak alsnog integraal weergegeven, zie hierna:
Wegens deeltijdopleiding en ontbrekend recht op een werkleeraanbod is een inkomensvoorziening terecht afgewezen. Hieraan doet niet af dat betrokkene geen studiefinanciering ontvangt (2010)
Betrokkene, afgestudeerd ingenieur planologie/ruimtelijke ordening, heeft zich op 7 september 2009 gemeld bij het CWI voor informatie over werk. In september 2009 is hij een Master studie begonnen aan de Academie voor Bouwkunst in Amsterdam, richting planologie. Deze opleiding verplicht betrokkene naast zijn studie in zijn beroepsveld te werken. Om deze reden is een beroep op studiefinanciering niet mogelijk.
In november 2009 heeft betrokkene een stageplek gevonden. Hij ontvangt een minimale stagevergoeding. Op 9 december 2009 doet betrokkene een melding voor de WIJ. Op het formulier geeft hij aan werkzoekende te zijn, een parttime opleiding te volgen waarvoor hij geen recht op studiefinanciering heeft en financiële steun nodig heeft.
Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het college een onderzoek verricht en vastgesteld dat de Academie een onderdeel van de Amsterdamse hogeschool voor de kunsten is en is aangemerkt als regulier hoger onderwijs dat uit de kas van het rijk wordt bekostigd. Het college heeft op basis van dit gegeven op 22 januari 2010 beslist dat betrokkene op grond van het bepaalde in artikel 23, eerste lid onderdeel a WIJ niet in aanmerking komt voor een werkleeraanbod in de zin van de WIJ. Ook na bezwaar is het college op 15 juni 2010 bij zijn besluit gebleven.
In beroep voert betrokkene aan dat de betrokken regelgeving geen aanknopingspunten biedt voor de afwijzingsgrond en dat om die reden de bestreden beslissing een feitelijke en wettelijke grondslag ontbeert.
De rechtbank verwijst naar artikel 5, 14, 23, 24 en 25 WIJ. Gelet op deze artikelen uit de WIJ stelt de rechtbank vast dat wil men aanspraak kunnen maken op een inkomensvoorziening in de zin van die wet, men recht dient te hebben op een werkleeraanbod. Op een dergelijk werkleeraanbod heeft men geen recht indien men uit ’s rijks kas bekostigd onderwijs volgt.
Nu betrokkene dergelijk onderwijs volgt kan hij geen aanspraak maken op een inkomensvoorziening in de zin van de WIJ. Dat betrokkene, omdat de opleiding staat geregistreerd als een deeltijdopleiding, ook geen studiefinanciering ontvangt en vanaf 1 oktober 2009 evenmin in aanmerking komt voor een bijstandsuitkering, maakt dit gelet op de tekst van de WIJ niet anders. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond (Rechtbank Haarlem 22 september 2010 nr. 10/3334 WIJ, LJN 000)
Zie voor de beslissing op het hoger beroep van Bergen op Zoom CRvB 24 januari 2012 nr. 11/1543 WIJ, LJN BV1981.
Zie voor de beslissing op het hoger beroep tegen de Haarlemse zaak CRvB 24 januari 2012 nr. 10/5355 WIJ-T, LJN BV1983.
27-04-2011 René Mol (gemachtigde gemeente Bergen op Zoom)
|
Afstemming i.v.m. ontslag uit WSW-arbeid (BZK 2010/68) Beste redactie,
Op uw verzoek zend ik u bijgaand de beslissing van de Rechtbank Den Haag d.d. 8 augustus 2008 nr. 07/6050 WWB alsmede het hoger beroepschrift van onze gemeente.
Met vriendelijke groeten,
Mevrouw mr. M.K. Kant
Medewerker Bezwaar en Beroep
BIJLAGE 1
Rechtbank Den Haag 8 augustus 2008 nr. 08/5526 WWB
Primair besluit
De gemeente heeft het standpunt ingenomen dat betrokkene door eigen toedoen zijn baan bij de SWA niet heeft behouden en daarmee tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond. Daarbij past volgens artikel 2, van de Afstemmingsverordening 2006 van de gemeente een maatregel.
Zie artikel 2, eerste lid Afstemmingsverordening: “Als de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid toont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet of de artikelen 28, tweede lid, of artikel 29, eerste lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd.”
Volgens het college is sprake van een verwijtbare gedraging als bedoeld in de vierde categorie van artikel 9 van de Afstemmingsverordening: het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. Het college heeft op grond van artikel 10 van de Afstemmingsverordening bij wijze van maatregel de norm van de bijstandsuitkering voor de duur van één maand met 100% verlaagd, hetgeen in bezwaar is gehandhaafd.
Gesubsidieerde arbeid
De gemeente heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat de Afstemmingsverordening in dit geval, waarin sprake is van werk in WSW-verband, eveneens van toepassing is omdat het gaat om gesubsidieerde arbeid.
Wettelijk kader
Vaststaat dat betrokkene met een WSW-indicatie is geplaatst in WSW-werk.
Uit de geschiedenis en de toelichting bij de totstandkoming van (artikel 9 van) de WWB blijkt dat de doelstelling en de doelgroep van de WSW niet veranderd is door de komst van de WWB. Het doel van de WSW is het scheppen van aangepaste werkgelegenheid voor personen die nog niet de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt en die door lichamelijke, verstandelijke of psychische beperkingen uitsluitend onder aangepaste omstandigheden tot regelmatige arbeid in staat zijn. Voor het overgrote deel van de WSW-doelgroep is reïntegratie naar vormen van reguliere, niet gesubsidieerde arbeid niet reëel.
In de WWB wordt onder arbeidsinschakeling verstaan het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling.
Onder gesubsidieerde arbeid in het kader van de WWB moet worden verstaan arbeid die met inzet van een zogenoemde WWB-voorziening, dus met aanvullende middelen, wordt verricht in het kader van de arbeidsinschakeling. De nadruk ligt op een tijdelijke voorziening gericht op reïntegratie op de reguliere arbeidsmarkt.
Dienstbetrekkingen WSW
Dienstbetrekkingen in het kader van de WSW vormen een aparte voorziening die los gezien moet worden van gesubsidieerde arbeid in het kader van de WWB, waarvoor de voorwaarden van de WSW gelden. Op de persoon die blijkens een indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking tot de doelgroep behoort van de WSW zijn niet de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid van artikel 9, van de WWB van toepassing. Betrokkene is daarmee niet aan te merken als werknemer op wie de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9 van de WWB van toepassing zijn.
Afstemmingsverordening is niet van toepassing bij een WSW-indicatie
De rechtbank is van oordeel dat de Afstemmingsverordening ziet op de WWB en op grond van het vorenstaande niet van toepassing kan zijn op mensen met een WSW-indicatie die WSW-arbeid verrichten. Het feit dat partijen een uitkering ingevolge de WWB, ter voorziening van de kosten van het levensonderhoud ontvingen, in afwachting van het WSW-werk, maakt dit oordeel niet anders. Het college was derhalve niet bevoegd om in dit geval toepassing te geven aan de Afstemmingsverordening.
Beslissing
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat het college binnen zes weken een nieuw besluit op het bezwaar neemt, enz.
BIJLAGE 2
Hoger beroepschrift gemeente Alphen aan den Rijn
Feiten
Betrokkene heeft een WSW indicatie. Per 1 april 2007 heeft hij een WSW dienstverband aanvaard bij de SWA. In de proeftijd is zijn WSW dienstverband beëindigd, omdat hij tot twee keer toe zonder enige melding weg is gebleven van zijn werk.
Door de gemeente Alphen aan den Rijn wordt op grond van artikel 18 WWB en de Afstemmingsverordening 2006 een maatregel van 100 % voor de duur van een maand toegepast op zijn WWB uitkering, omdat betrokkene door eigen toedoen zijn werk niet heeft behouden.
Beslissing van de Rechtbank Den Haag van 8 augustus 2008
De Rechtbank komt in haar uitspraak niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de maatregel. Zij stelt dat “op de persoon die blijkens een indicatieverplichting tot de doelgroep behoort van de WSW de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid van artikel 9 van de WWB niet van toepassing zijn. De Afstemmingsverordening 2006 ziet op de WWB en is niet van toepassing op mensen met een WSW indicatie die WSW arbeid verrichten. Het feit dat betrokkene een uitkering ingevolge de WWB, ter voorziening van de kosten van het levensonderhoud ontving in afwachting van het WSW werk maakt dit oordeel niet anders”. De gemeente was volgens de rechtbank niet bevoegd om toepassing te geven aan de Afstemmingsverordening.
Standpunt van de gemeente Alphen aan den Rijn
Het algemene uitgangspunt is dat werken in WSW verband geen “algemeen geaccepteerde arbeid” is. Een WSW indicatie is op basis van vrijwilligheid. Aan niemand wordt een WSW indicatie opgedrongen.
Per 1 januari 2008 is de WSW op een aantal punten gewijzigd. Om de vrijwilligheid van het aanvaarden van een WSW dienstverband te onderstrepen, is tegelijkertijd in de WWB aan artikel 9 lid 5 toegevoegd, waarin is aangegeven dat de verplichtingen van artikel 9 niet van toepassing zijn op de persoon die blijkens een indicatiebeschikking tot de doelgroep behoort van de WSW.
Volgens de Memorie van Toelichting, bij de gewijzigde WSW wet per 1 januari 2008, is het echter wel uitdrukkelijk de bedoeling dat het niet behouden van WSW werk van een WSW geïndiceerde maatregelwaardig is. TK 2005-2006, 30 673, nr. 3, p. 14-15 (Memorie van Toelichting Wet sociale werkvoorziening, algemeen deel) Zie hieronder de bedoelde passage.
“De positionering van de WSW als vrijwillige voorziening voor arbeidsgehandicapten die vanwege de aard en ernst van hun handicap exclusief op de WSW zijn aangewezen, dient ook gewaarborgd te zijn in omliggende wet- en regelgeving. Vanwege het vrijwillige karakter van de WSW kan niemand uit hoofde van zijn uitkering verplicht worden om een aanvraag voor een WSW-indicatie te doen of een WSW-arbeidsplaats te aanvaarden. Dat betekent dat dus ook geen sanctie op de uitkering kan worden opgelegd als iemand geen aanvraag voor een WSW-indicatie wil doen. Evenmin kan op grond van het feit dat een WSW-geïndiceerde op de wachtlijst een passend aanbod voor WSW-arbeid weigert, een sanctie op de uitkering worden opgelegd. Wel kan de gemeente de WSW-indicatie om die reden intrekken. Heeft een WSW-geïndiceerde eenmaal een dienstbetrekking in de zin van hoofdstuk 2 of 3 van de WSW, dan is dat niet vrijblijvend. Bij het verwijtbaar verlies van een dergelijke dienstbetrekking is het normale maatregelenregime van de WW, Wet WIA en WWB van toepassing. In geval van beëindiging van een dienstbetrekking in de zin van hoofdstuk 2 of 3 van de WSW zal het UWV in het kader van de WW bijvoorbeeld beoordelen of sprake is van verwijtbare werkloosheid. Daarbij zullen alle omstandigheden van het geval worden gewogen. Als daaruit bijvoorbeeld volgt dat er sprake is van ontslagname zonder dat aan de voortzetting van de dienstbetrekking zodanige bezwaren zijn verbonden dat de voortzetting ervan redelijkerwijs niet van de WSW-geïndiceerde kan worden gevergd, is inderdaad sprake van verwijtbare werkloosheid.”
De werkaanvaarding en het ontslag van betrokkene heeft plaatsgevonden in april 2007, dus voordat er sprake was toevoeging van lid 5 aan artikel 9 van de WWB. Naar de mening van de gemeente Alphen aan den Rijn maakt dit geen verschil voor de beoordeling in deze zaak. Ook zonder toevoeging van lid 5 aan artikel 9 van de WWB was het al duidelijk dat iemand niet verplicht kan worden om WSW werk te aanvaarden.
Maar vanaf het moment dat iemand een WSW indicatie accepteert, kan degene niet meer stellen dat het werken in WSW verband voor hem geen algemeen geaccepteerde arbeid is.
Formeel is het niet mogelijk om een WSW geïndiceerde te verplichten om ook WSW werk te accepteren, maar vanaf het moment dat dit wel is gedaan, is er sprake van een andere situatie.
Het werken van betrokkene in WSW-verband kan voor hem gezien worden als algemeen geaccepteerde arbeid. Bij verwijtbaar verlies van WSW werk is het de bedoeling van de wetgever (gezien bovenstaande toelichting) dat een maatregel in deze gevallen mogelijk moet kunnen zijn. Naar de mening van de gemeente Alphen aan den Rijn is de Afstemmingsverordening 2006 hierop van toepassing en is terecht een maatregel van 100 % voor de duur van een maand toegepast, nu betrokkene door eigen toedoen zijn werk niet heeft behouden omdat hij tot twee keer toe zonder enige melding is weggebleven van zijn werk.
Conclusie
Gelet op het voorgaande verzoekt de gemeente Alphen aan den Rijn het hoger beroep gegrond te verklaren en de uitspraak van de Rechtbank van 8 augustus 2008 te vernietigen.
06-12-2010 Mr. M.K. Kant (Medewerker Bezwaar en Beroep )
|
Gezamenlijke huishouding (BZK 2010/14) In uw toelichting stelt u dat mevrouw door Zorgconcept tijdelijk geplaatst is bij de hoofdbewoonster. Dat is onjuist. Mevrouw was dakloos en had tijdelijk zelf dit adres gevonden in afwachting van plaatsing bij het Tussenfasehuis.
Het probleem was en is dat de verschillende diensten binnen DWI niet goed op de hoogte zijn van elkaars werkzaamheden en autonoom zijn in hun afweging. De desbetreffende afdeling heeft ook niet getracht om met Zorgconcept te communiceren over deze zaak.
Wel is het een goede suggestie om in het vervolg de klant direct te adviseren om een officiële woonrelatie aan te gaan, omdat hiermee mogelijke problemen kunnen worden vermeden,
03-05-2010 Roland Wolters (Zorgconcept Monnickendam)
|
Langdurigheidstoeslag (BZK 2010/12) De rechtbank komt tot de conclusie dat het per maand toetsen van het inkomen niet verenigbaar is met een grammaticale uitleg van de verordening en een teleologische uitleg van verordening en artikel 36 WWB. M.i. ten onrechte.
M.b.t. de ‘grammaticale uitleg’ van de rechtbank kan het volgende worden gesteld: het begrip ‘aaneengesloten periode’, dat volgens een ‘redelijke uitleg’ van de rechtbank betekent dat het gemiddelde inkomen over 36 maanden moet worden beoordeeld, is verwant aan het begrip ‘ononderbroken periode’, dat vóór 1 januari 2009 in artikel 36 eerste lid WWB werd gebruikt, en wordt verder niet uitgewerkt of toegelicht in de verordening c.q. toelichting. Gekozen is voor ‘aaneengesloten’ omdat het begrip ‘ononderbroken’ onder de vorige regeling verwarring heeft opgeroepen. Er werd immers wel gesuggereerd dat een periode zonder inkomen een onderbreking opleverde van de referteperiode. De CRvB heeft dit overigens al eerder ontzenuwd. Om discussies te voorkomen en om te verduidelijken dat er sprake moet zijn van het gedurende één afgerond tijdvak hebben van een (maand)inkomen onder de norm is gekozen voor het begrip ‘aaneengesloten periode’. De betekenis is echter dezelfde als ‘ononderbroken’ in artikel 36 oud WWB.
Onder de oude regeling oordeelde de CRvB dat al sprake was van een relevante onderbreking (dus niet meer aaneengesloten) als gedurende een korte periode een iets te hoog inkomen was ontvangen (overigens idem de rechtbank Arnhem in eerdere instantie). Zie bijv. CRvB 22 december 2009, LJN: BK8337: “niet in geschil is dat appellante (…) gedurende enige tijd (2,5 maand) inkomsten heeft ontvangen hoger dan de bijstandsnorm, zodat niet wordt voldaan aan artikel 36, eerste lid, onderdeel a, van de WWB” (r.o. 4.2). M.a.w. er was een relevante onderbreking als er eenmalig iets teveel inkomen was ontvangen. Daarmee is in overeenstemming de in de verordening gehanteerde (WWB-) begrippen en de opzet van de verordening. Met het begrip ‘inkomen’ wordt bedoeld het netto-inkomen, zoals dat feitelijk is ontvangen (CRvB 30 juni 2009, LJN: BJ2503). Uit CRvB 4 juli 2006, LJN: AY0262 kan worden afgeleid dat niet aan de voorwaarden is voldaan als gedurende een gedeelte van de referteperiode een te hoog inkomen is ontvangen. Het betreft in beginsel een maandinkomen. Hoewel in artikel 32 WWB dit begrip niet genoemd is als maandbedrag, wordt uit de bepaling dat het inkomen niet hoger mag zijn dan de bijstandsnorm (art. 19 WWB), afgeleid dat het begrip ‘inkomen’ (in beginsel) een maandbedrag is. Omdat ook in de verordening het inkomen afgezet wordt tegen de bijstandsnorm wijst dit op een maandbenadering. Een andersluidende ‘grammaticale’ uitleg is daarmee niet in overeenstemming.
M.b.t. de teleologische uitleg van wet en verordening geldt het volgende: Rechtvaardiging van de ldt is dat reserveringsmogelijkheden ontbreken voor minima die langdurig van het sociaal minimum afhankelijk zijn. In de toelichting op de verordening is weliswaar opgemerkt dat het verkorten van de referteperiode tot 36 maanden aansluit bij de veelal gehanteerde stelregel dat bij een inkomen op bijstandsniveau na drie jaar extra inkomensondersteuning gewenst is, met die constatering is niet beoogd een bindende norm te stellen en is zeker niet onverenigbaar dat ter invulling van het begrip ‘langdurig’ voor een maandbenadering is gekozen. Zoals de rechtbank ook erkent heeft de wetgever de gemeenten grote vrijheid gegeven om invulling te geven aan de begrippen ‘langdurig’en ‘laag inkomen’. In de wetsgeschiedenis is vastgesteld dat de ldt qua vormgeving “zoveel mgelijk een gemeentelijke verantwoordelijkheid moet worden”, dat gemeenten “keuzevrijheid hebben bij de vormgeving van beleid”, dat “toepassingsverschillen daarbij logisch zijn”, dat de verordening moet worden “afgestemd op de lokale situatie” etc. etc (zie bijv. TK 31 441, nr. 7). Het is dan ook niet in te zien dat vanuit die omvangrijke gemeentelijke beleidsruimte een beleid niet aanvaardbaar zou zijn als dat uitgaat van een maandbenadering. Een andere opvatting zou er trouwens ook toe leiden dat iemand die geruime tijd een hoog inkomen heeft, vervolgens enige tijd geen inkomen, omdat hij van het opgebouwde vermogen geniet, toch in aanmerking zou kunnen komen voor de ldt. Het is zonneklaar dat de regeling daarvoor niet bedoeld is. Dat is evenmin het geval voor belanghebbenden die de laatste maanden van de referteperiode een (voortdurend) inkomen hebben boven de inkomensgrens. Ook zij behoren niet tot de doelgroep van de ldt.
Dat de rechtbank op een vernietiging uitkomt, is op zichzelf denkbaar, de rechtsgrond daarvan had echter moeten zijn de toepassing van artikel 18 lid 1 WWB (individualiseringsbeginsel), die een hogere norm stelt dan de voorschriften van de verordening. Daarmee kunnen de scherpe randjes van de verordening worden geslepen maar laat onverlet dat in beginsel bij een overschrijding van de inkomensgrens de ldt nog steeds kan worden geweigerd.
24-02-2010 H. van Deutekom (Juridisch adviseur gemeente Arnhem)
|
Sociale activering en verplichting medische behandeling (BZK 2009/71) De betreffende uitspraak handelt om een persoon welke reeds vele jaren een uitkering geniet. Alle pogingen om belanghebbende de afgelopen jaren te activeren zijn op niets uitgelopen.
Uit het medische advies van 11 december 2007 blijken forse beperkingen van belanghebbende. Belanghebbende wordt niet in staat geacht om uit te stromen naar reguliere arbeid. Wel wordt belanghebbende in staat geacht om in eerste instantie deel te nemen aan sociale activering waarbij een eventueel WSW-dienstverband uiteindelijk tot de mogelijkheid behoort. Ondanks de forse beperkingen van belanghebbende vond er, afgezien van medicatie, geen behandeling plaats.
Binnen het re-integratietraject dat met belanghebbende is gestart is gezocht naar een mogelijkheid om de situatie waarin belanghebbende verkeert te doorbreken. Een mogelijkheid hierin werd gezien door belanghebbende deel te laten nemen aan een behandelingstraject bij Altrecht. Belanghebbende zou dit traject in eerste instantie met zijn huisarts dienen te bespreken waarna de voortgang van de behandeling binnen het re-integratietraject zou worden gemonitord.
Deze zaak is in beroep gestrand op het feit dat niet duidelijk uit het medische advies bleek dat de arts een behandeling bij Altrecht noodzakelijk vond. De reden hiervoor is naar mijn mening dat de arts zich in het medische advies heeft aangesloten bij de reeds ingezette weg, namelijk dat de consulent werk e.e.a. eigenlijk al in gang had gezet, of deze weg (tot behandeling bij Altrecht) ten minste al voor belanghebbende had uitgestippeld. Hierdoor zou de conclusie kunnen worden getrokken dat er ter zake van de noodzaak tot behandeling geen sprake was van een zgn. onafhankelijk of objectief advies.
Het leermoment in deze zaak is dat een arts zijn advies niet teveel moet afstemmen op specifieke trajecten bij de gemeente. Een arts dient de klachten van een belanghebbende slechts te objectiveren zodat de beperkingen van een belanghebbende inzichtelijk zijn; de mate van arbeidsgeschiktheid duidelijk is en het duidelijk is waartoe belanghebbende nog in staat is. Het is vervolgens de taak van een consulent werk om met behulp van dit advies een passend re-integratietraejct voor belanghebbende te vinden. In de onderhavige zaak is dus naar mijn mening, zoals gezegd, getracht om het medische advies van de arts in te passen in een reeds bestaand traject of plan waardoor niet voldoende uit de verf is gekomen dat de arts een medische behandeling bij Altrecht aangewezen vond, hetgeen dus naar mijn mening wel het geval was. 12-01-2010 A.C. Hoogendoorn (Juridisch adviseur RSD Kromme Heuvelrug)
|
Gezamenlijke huishouding en zorgbehoefte (BZK 2009/32) In de Bespreking is een helder overzicht opgenomen van de jurisprudentie, die we momenteel kennen op de toepassing van artikel 3, tweede lid, WWB wegens een zorgbehoefte. Duidelijk wordt dat de Raad uitgaat van een ruime opvatting. De gemeenten zullen er rekening mee moeten houden dat in meerdere gevallen wegens zorgbehoefte geen sprake is van een gezamenlijke huishouding.
Wat mij bezig houdt is de vraag of de gemeenten in dergelijke gevallen ook rekening houden met een ontheffing van de arbeidsverplichting voor de mantelzorger. Immers: als de mantelzorger niet in de gelegenheid wordt gesteld de zorgvrager te helpen wordt niet voldoende voorzien in de zorgbehoefte. Zijn er gemeenten die op dit punt een voorbeeldfunctie vervullen?
11-11-2009 Jan-Willem Aartsen (Advocaat in Utrecht)
|
Inlichtingenplicht en recht op bijstand (BZK 2009/09) In deze zaak is het volgende nog vermeldenswaardig. De Rechtbank had twee uitspraken in deze lijn (in beide zaken was de gemeente Rotterdam in hoger beroep gegaan). Hierna zijn de gelijkluidende zaken veelal aangehouden door de rechtbank en is er met een uitspraak in september 2008 door de meervoudige kamer van de Rechtbank een omslag gemaakt. De uitspraken van de Rechtbank na september 2008 volgen allen de lijn van de meervoudige kamer (die in de pas loopt met de uitspraak van de CRvB d.d. 24 februari 2009).
De vaststelling dat het hier een katvanger betrof kwam naar voren uit de dossierstukken en werd ook gehanteerd in het advies van de bezwaarcommissie. De Rechtbank heeft voormelde feit overgenomen.
12-03-2009 P. van der Heijden-Wijnen (Juridisch adviseur Servicedienst Juridische dienst gemeente Rotterdam )
|
Verzwegen hennepkwekerij (BZK 2009/02) Graag maak ik van de gelegenheid gebruik om te reageren op uw bespreking van voornoemde uitspraak.
Het is inderdaad een opmerkelijke uitspraak. Terecht stelt u dat, indien de gemeente Utrecht de over de periode 2002-2005 ten onrechte verleende bijstand had teruggevorderd, het standpunt van de gemeente Venlo aan kracht inboet. De gemeente Utrecht heeft zich beperkt tot de periode die door het Openbaar Ministerie ten laste werd gelegd. Uit het stroomverbruik bleek evenwel dat dit al die jaren nagenoeg even hoog was als in de door de strafrechter bewezen periode.
In strafrechtelijk opzicht zal het wel lastig zijn geweest om over deze hele periode het bewijs te leveren. De bestuursrechtelijke bewijsregels zijn nu eenmaal anders dan in het strafrecht. In dit geval is het gelet op de stroomverbruik aannemelijk geacht dat in de gehele voornoemde periode sprake is geweest van hennepteelt. Het is dan aan de belanghebbende om aan te tonen hoe hij de niet onaanzienlijke inkomsten uit die handelsactiviteiten heeft ingeteerd. In de regel is dit niet mogelijk, doch dit komt – terecht – voor rekening van de betrokkenen.
Een kleine opmerking mbt de laatste alinea in uw bespreking. U stelt dat, wanneer Utrecht de terugvordering had bepaald op €107.600 de afwijzingsgrond van Venlo in de lucht was komen te hangen. Dit is niet helemaal juist. De gemeente Utrecht zou niet bevoegd zijn geweest om genoemd bedrag terug te vorderen, maar de ten onrechte verleende uitkering over de in geding zijnde periode. Die is waarschijnlijk lager geweest dan genoemd bedrag. Indien de uitkering hoger zou zijn geweest, dan zou de terugvordering inderdaad beperkt moeten worden tot €107.600.
28-02-2009 Mariet Bovee (Juridisch medewerker Bezwaar en Beroep Venlo)
|
Afstemming wegens Work First (BZK 2008/87) Op uw bespreking heb ik geen commentaar. Wel kan ik melden dat tegen de betreffende uitspraak hoger beroep is
ingesteld, zodat ook de Centrale Raad van Beroep zich nog over deze kwestie zal uitspreken.
12-12-2008 A. Kleijn (Gemachtigde bezwaar en beroep Sociale Dienst Drechtsteden)
|
Langdurigheidstoeslag (BZK 2008/84) Onze reactie is kort maar krachtig. Wij onderschrijven de bevindingen van de rechtbank en hebben dan ook besloten geen hoger beroep aan te tekenen. Verder zijn wij van mening dat uw redactie op zorgvuldige wijze de kwestie heeft becommentarieerd. Wij hebben terzake geen op- of aanmerkingen.
Tenslotte delen wij u mede dat het onderliggende regelgevingsprobleem vanaf 1 januari 2009 moet zijn opgelost, gezien de volstrekt nieuwe juridische context van de langdurigheidstoeslag die vanaf die datum aan de orde is. 23-11-2008 H.F. Smits (Roosendaal)
|
Langdurigheidstoeslag (BZK 2008/74) Participatie naast zakelijke geschillen
Het orgaan voor cliëntenparticipatie bij de Dienst Sociale Zaken (DSZ) van de gemeente Almere is het Cliënten Beraad Almere (CBA). De Sociaal Raadslieden van Zorggroep Almere zijn lid van dat CBA en voeren het secretariaat van het Beraad. In het overleg tussen DSZ en CBA wordt onder meer van gedachten gewisseld over meer juridische technische aangelegenheden. Dat overleg zorgt niet altijd tot een eensluidende opvatting. Een verschil van inzicht kan op een zakelijke manier in de juridische arena ter beslechting aan de rechter worden voorgelegd.
In verband met arbeid…
De Almeerder uit CRvB 19 augustus 2008 nr. 06/1163 WWB, LJN BE8918 heeft in zijn hele leven nog nooit gewerkt. Na zijn voltooiing van zijn opleiding bleek hij niet tot werken in staat. Hij hoefde aanvankelijk ook niet te werken om te voorzien in zijn levensonderhoud. Daar zorgde zijn toenmalige echtgenote voor. Na de invoering van de AAW heeft hij een aanvraag ingediend voor zo’n uitkering. Die is hem toegekend. Via het tussenstation van de WAJONG-uitkeringen is dat vervolgens een BIA-uitering geworden. Het inkomen van betrokkene heeft daarmee in de verste verte niets te maken met arbeid. Met deze informatie in de hand moet het voor de niet-jurist welhaast onbegrijpelijk zijn dat de CRvB deze BIA-uitkering aanmerkt als inkomen in verband met arbeid.
Netto inkomen
De opvatting dat uitsluitend het netto-inkomen van belang zou zijn voor bijstandsaanspraken is onder een voorganger van de Wwb al eens aan de orde geweest. Uit CRvB 16 juli 1996, nr. 95/5150; JABW 1996, nr. 197 blijkt dat een marginaal netto verschil tussen een AAW-uitkering en een bijstandsuitkering niet leidt tot een recht op bijstand. Een netto marginaal hogere andere minimumuitkering is het spiegelbeeld van die situatie. De gemeente Almere kon de rechtvaardigheid van het doortrekken van die uitspraak van de CRvB niet onderkennen. Deze uitspraak maakt duidelijk dat marginale verschillen in netto uitkomst tussen een bruto minimum-uitkering en de bijstand geen effect sorteren op aanspraken ingevolge de Wet werk en bijstand.
01-10-2008 John van der Pauw (Teammanager Sociaal Raadslieden en secretaris Clienten Beraad Almere)
|
Bijstand aan drugs- en alcoholverslaafden die in Schotland afkicken (BZK 2008/66) Het gaat om een cliënt van wie de bijstandsuitkering was stopgezet op
grond van het z.g. territorialiteitsbeginsel, omdat hij was opgenomen in
de Schotse afkickkliniek "Castle Craigh". Allereerst valt het mij op (in positieve zin) dat u ook wat
achtergrondinformatie geeft over die kliniek. Mij
was slechts bekend dat die kliniek zich bevond te Peeblesshire in
Schotland; dat zal dan de gemeente of het district moeten zijn waarin de
kliniek is gelegen, want als vestigingsplaats noemt u West Linton.
U vraagt zich af of, nu de CRvB uitdrukkelijk
vaststelt dat in art. 16 WWB een hardheidsclausule is opgenomen, een bom
is gelegd onder de eerder door de Raad gehanteerde uitleg van dit
artikel, namelijk dat er sprake moet zijn van een "acute noodsituatie".
Ik ben daar nog niet zo zeker van.
Bedacht moet immers worden, dat de
CRvB hier strijdigheid constateerde met hogere regelgeving, namelijk het
EG-verdrag. De CRvB moest daar natuurlijk iets mee en het is te
begrijpen dat hij dan, teneinde die strijdigheid weg te nemen, wel eens
tot een wat andere uitleg van een bepaald wetsartikel komt dan hij tot
nu toe in andere zaken heeft gedaan. Maar voor mij wil dat nog niet
zeggen dat hiermee een andere weg is ingeslagen. Daarvan zal denk ik pas
kunnen worden gesproken als de CRvB ook in een zaak waarin geen hogere
regelgeving aan de orde is, uitdrukkelijk aangeeft dat art. 16 WWB als
een hardheidsclausule moet worden opgevat.
U stelt dat het standpunt dat art. 11 WWB zich te
allen tijde verzet tegen doorbreking met een beroep op art. 16 WWB niet
past in het systeem van de wet. Daarin hebt u helemaal gelijk. Destijds
(in 2004) was ik nog dit standpunt toegedaan; vermoedelijk dateerde dit
nog uit de tijd van de ABW, die een bepaling als art. 16 volgens mij
niet kende. Al tijdens de procedure bij de Rechtbank kwam ik erachter
dat dit standpunt niet langer houdbaar was en ik was het dan ook eens
met het standpunt van de Rechtbank in deze.
Overigens, dat het tot dusverre de belangrijkste bijstandszaak van 2008
is, zoals u stelt, kan heel goed. Het is in elk geval
een hele belangrijke. Immers het territorialiteitsbeginsel is een
beginsel dat hecht verankerd is in de WWB en als dan de CRvB een
uitspraak doet waarin dit beginsel opzij wordt gezet dan is dat nogal
wat!
Nieuw is dat de Centrale Raad spreekt over een "hardheidsclausule" in
art. 16 WWB. Niet nieuw is echter dat de CRvB deze bepaling zodanig
uitlegt dat er geen sprake is van strijd met een verdragsbepaling. Als
voorbeeld van een uitspraak waarbij dit al eerder is gebeurd verwijs ik
naar CRvB 24 januari 2006, LJN: AV0197, waarin is beslist dat het begrip
"zeer dringende redenen" in art. 16 lid 1 WWB ten aanzien van
minderjarige kinderen moet worden uitgelegd conform het bepaalde in art.
3 leden 1 en 2 en art. 27 lid 3 van het Internationaal Verdrag voor de
Rechten van het Kind.
30-09-2008 A. Kleijn (Gemachtigde bezwaar en beroep Sociale Dienst Drechtsteden)
|
Financiering WWB en Awb (BZK 2008/68) Van de mogelijkheid een Reactie te sturen maak ik graag gebruik.
Vooropgesteld dient te worden dat de berekening van het inkomensdeel WWB een complex iets is waarbij gebruik wordt gemaakt van allerlei kengetallen en formules. Er wordt aangesloten bij CBS-gegevens, maar hier wordt ook weer van afgeweken. Het was voor de gemeente dan ook niet te doorgronden dat de aanvankelijke definitieve berekening van het inkomensdeel 2005 niet correct was. Er was geen reden tot twijfel, temeer het bedrag niet beduidend afweek van het voorafgaande jaar en zelfs lager lag.
Daarnaast is van belang dat het inkomensdeel niet de feitelijke uitgaven hoeft te dekken maar een gemeente bevoegd is een mogelijk overschot op andere wijze aan te wenden. De gemeente heeft ervoor gekozen hiertoe een egalisatievoorziening in te richten om
toekomstige tekorten op het inkomensdeel te kunnen dekken.
Nu in deze geen andere belanghebbende tegen het besluit tot definitieve vaststelling bezwaar kon maken, gold het besluit voor de gemeente als onherroepelijk en hoefde niet verwacht te worden dat het bedrag negatief herzien zou worden.
Inderdaad wou de gemeente toesturen op een analoge toepassing van het bepaalde in artikel 4:49, Awb. Het betreft immers een bepaling die zijn oorsprong vindt in rechtersrecht. Daarnaast is ook gewezen op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het aanvankelijk definitief vastgesteld bedrag stond voor haar voldoende vast en zij heeft hierop haar handelen gebaseerd door meer financiële middelen onder te brengen in de egalisatievoorziening.
Nu de fout voor de gemeente niet kenbaar was en in alle redelijkheid ook niet kenbaar kon zijn, wordt de uitspraak niet geheel rechtvaardig geacht. De negatieve gevolgen voor rekening van het ministerie laten was uit een oogpunt van zorgvuldigheid beter geweest, nu daar de oorzaak lag van een fout die de gemeente niet kenbaar was c.q. kon zijn.
25-09-2008 Corinne Michels (Venlo)
|
Zeer ernstige misdraging (BZK 2008/69) Op uw verzoek reageer ik namens het college. Onze reactie kunt u terugvinden in bijgevoegde brief aan de minister SZW.
Voor wat betreft uw Bespreking merken wij op dat deze adequaat is. Enig punt ter correctie: wij zijn niet enkel uitgegaan van een tekortschietend besef, maar hebben bij de Raad ook gesteld dat er sprake was van een afzonderlijke, aan de bijstand verbonden verplichting. 25-09-2008 J. Quaedvlieg (Juridisch adviseur rechtsbescherming gemeente Heerlen )
|
Samenloop van verlaagde toeslagen (BZK 2008/44) Reuzehandig die uitgebreide Bespreking. Mijn advies voor de gemeente was daardoor feitelijk al klaar. 25-09-2008 G. van der Wal (Medewerker Bezwaar en Beroep, Millingen aan de Rijn)
|
|
|
|
|
|
|