Actualiteiten van de bestuursrechter
  op het  terrein van de Wet werk en bijstand (Wwb)

 

 Bijstandszaken

Gebruiker  
Wachtwoord
 

 Snelregister | Uitgebreid register | Contact

Bestellen  -

 Home
 Informatie
 Profielen
 Reactie plaatsen
 Disclaimer
 Privacy
 Uitgebreid zoeken
 
 Snelzoeken









Signalementen

07-02-2012 | Artikel 14 EVRM: geen verboden onderscheid naar leeftijd bij de langdurigheidstoeslag (2012)
1. Rechtsvraag: vormt het in artikel 36, eerste lid, van de WWB opgenomen onderscheid tussen personen jonger dan 65 jaar en personen van 65 jaar en ouder een verboden onderscheid.
2. EG-richtlijn 2000/78 is volgens CRvB 2 maart 2007, LJN BA0269 niet van toepassing op uitkeringen, van welke aard ook, die worden verstrekt door wettelijke of daarmee gelijkgestelde stelsels, met inbegrip van stelsels van sociale zekerheid. Toetsing van artikel 36, eerste lid, van de WWB aan deze richtlijn is dan ook niet mogelijk.
3. De wetgever heeft bij de totstandkoming van de langdurigheidstoeslag in aanmerking genomen dat de financiële positie van personen die langdurig op een minimum inkomen zijn aangewezen, onder druk komt te staan als er geen perspectief lijkt te zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te verhogen. Om die reden is het niveau van de noodzakelijke bestaanskosten van personen van 65 jaar en ouder hoger gesteld dan dat van personen van jonger dan 65 jaar (TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p.11/12).
4. Met de introductie van een langdurigheidstoeslag heeft de wetgever beoogd ook voor personen jonger dan 65 jaar een hogere bijstandsnorm te doen ontstaan in die gevallen waarin zij door het ontbreken van een perspectief op arbeid in een vergelijkbare inkomenssituatie komen als personen van 65 jaar en ouder.
5. Voor de hoogte van de langdurigheidstoeslag is aansluiting gezocht bij de uitkeringsnorm die geldt voor gehuwde personen van 65 jaar en ouder. Deze norm is gelijk aan de netto uitkering ingevolge de AOW en weerspiegelt de inkomensverbetering die is doorgevoerd voor groep personen jonger dan 65 jaar. Als gevolg van de al gerealiseerde inkomensverbetering voor personen van 65 jaar en ouder blijft, aldus de wetgever, deze doelgroep buiten het bereik van de regeling van de langdurigheidstoeslag.
6. De door de wetgever geformuleerde doelstelling van inkomensbeleid is rechtens aanvaardbaar. Voor zover al sprake zou zijn van een verschil in behandeling tussen personen van 65 jaar en ouder en personen jonger dan 65 jaar, wordt opgemerkt dat voor dat onderscheid een objectieve rechtvaardiging kan worden aangenomen, welke gelegen is in de doelstelling van de regeling.
7. De wetgever heeft de hem toekomende, ruime beoordelingsmarge niet overschreden door de invoering van voornoemde leeftijdsgrens in artikel 36, eerste lid, van de WWB. Van een verboden onderscheid in de zin van artikel 14 EVRM is dan ook geen sprake (CRvB 7 februari 2012 nr. 09/5269 WWB, LJN BV3072).

26-01-2012 | De bevestiging van het intrekken van een aanvraag wordt niet aangemerkt als een besluit met rechtsgevolg (2012)
1. De rechtbank acht het aannemelijk dat betrokkene zijn aanvraag om een bijstandsuitkering tijdens het gesprek van 10 maart 2011 heeft ingetrokken. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen de uitgebreidheid en gedetailleerdheid van het gespreksverslag van 15 maart 2011. Ook heeft de consulent er geen belang bij om in dit verslag onwaarheden op te nemen. Verder blijkt uit het verhandelde ter zitting dat het betrokkene - ondanks uitleg van onder meer zijn gemachtigde - nog steeds niet precies duidelijk is wat de gemeente van hem verlangt en is het voor hem moeilijk om informatie te verschaffen over zijn verblijfsplaats.
2. Onder verwijzing naar CRVB 21 juni 2005, LJN AT8031, is de rechtbank van oordeel dat de bevestiging van een (rechts)handeling die de aanvrager van een beschikking met betrekking tot die aanvraag heeft verricht, niet kan worden aangemerkt als een publiekrechtelijke rechtshandeling van een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb en mitsdien niet kan gelden als een besluit in de zin van dat artikel. Aan die bevestiging is naar zijn aard geen door het bestuursorgaan beoogd rechtsgevolg verbonden.
3. De omstandigheid dat als gevolg van de intrekking geen aanvraag meer voorligt waarop beslist moet worden, maakt dat niet anders, omdat dit het beoogde gevolg is van de intrekkingshandeling van de aanvrager en niet van de bevestiging van het feit van die handeling door het bestuursorgaan (Rechtbank Alkmaar 26 januari 2012 nr. 11/1945, LJN BV2328).

31-01-2012 | Weigering afgifte doelgroepverklaring zonder bijstandsaanvraag is geen besluit (2012)
1. Bevestigd wordt (CRvB 28 september 2010, LJN BN8835) dat een college beleidsvrijheid heeft ten aanzien van de keuze welk adres aan de adresloze ter beschikking wordt gesteld. Ter invulling daarvan heeft het College van Gouda besloten het adres van de opvang voor dak- en thuislozen bij [naam omvanghuis] als briefadres ter beschikking te stellen. Met de afgifte van een zogenaamde doelgroepverklaring verplicht het college de belanghebbende zich te melden bij het Kompas voor de administratieve inschrijving. De doelgroepverklaring wordt afgegeven aan personen die behoren tot de doelgroep dak- en thuislozen.
2. De verplichting dat de adresloze aangifte doet van een door het college ter beschikking gesteld briefadres, waaraan in de gemeente Gouda pas kan worden voldaan als aan de adresloze een doelgroepverklaring is verstrekt, is gelet op het bepaalde in artikel 40, tweede lid, van de WWB verbonden aan de verlening van bijstand aan de adresloze. Hieruit volgt dat, indien verlening van bijstand aan de adresloze niet aan de orde is, aan de doelgroepverklaring geen zelfstandige betekenis toekomt.
3. Betrokkene heeft geen aanvraag voor een bijstandsuitkering gedaan, maar uitsluitend verzocht om de afgifte van een doelgroepverklaring. De beslissing op een dergelijk verzoek is niet gericht op zelfstandig rechtsgevolg zodat het bezwaar niet-ontvankelijk moet worden verklaard (CRvB 31 januari 2012 nr. 09/2985 WWB, LJN BV2503).

31-01-2012 | Verwijtbaarheid kan ontbreken bij niet overleggen gevraagde gegevens (2012)
1. Bij de beantwoording van de vraag of het college op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd was tot intrekking van de aan een belanghebbende verleende bijstand, staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover de belanghebbende niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.
2. De aanleiding om een onderzoek in te stellen is geweest dat het college een bepaald risicoprofiel op betrokkenen van toepassing acht, omdat betrokkene met een bedrijf stond ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Nu een dergelijke inschrijving bij de Kamer van Koophandel een indicatie is dat op geld waardeerbare werkzaamheden worden verricht, is de Raad van oordeel dat het college een gegronde reden had voor het instellen van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan betrokkenen verleende bijstand en bijgevolg ook voor het opvragen van bankafschriften over de hiervoor vermelde periode.
3. Van een onevenredige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen is geen sprake is geweest, nog geheel daargelaten dat volgens de begeleidende brieven bij de transactieoverzichten de reden voor het onleesbaar maken van een aantal transacties was gelegen in de privacy van de neef van betrokkene. Aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, vierde lid WWB is in dit geval voldaan (CRvB 31 januari 2012 nr. 09/6443 WWB, LJN BV2333).

25-01-2012 | Gemeenten krijgen van SZW vanaf 2010 geen extra geld voor het betalen van bijstandsuitkeringen (2012)
1. Het macrobudget voor 2010 is berekend aan de hand van het bestuursakkoord en vastgesteld bij de wet van 4 februari 2010. Dit betekent dat zowel de Tweede als de Eerste Kamer hebben ingestemd met de wijze waarop uitvoering is gegeven aan het bestuursakkoord, en hebben geconcludeerd dat het macrobudget voor 2010 voldoet aan alle eisen die – onder meer – artikel 69, eerste en tweede lid, van de WWB daaraan stelt. In zoverre verwijst de rechtbank naar de parlementaire geschiedenis van de wet van 4 februari 2010, Stb. 78 (kamerstuk 32 123 XV).
2. De begrotingswet is een wet als bedoeld in artikel 120 van de Grondwet. In verband hiermee mag de rechtbank, gelet op de jurisprudentie, de begrotingswet niet toetsen aan algemeen verbindende voorschriften en evenmin aan algemene rechtsbeginselen.
3. Ook een eventuele schending van het bestuursakkoord kan niet leiden tot het buiten toepassing laten van de wet van 4 februari 2010. Daarom laat de rechtbank in het midden of het bestuursakkoord – met betrekking tot de marge van 12.500 uitkeringsgerechtigden of anderszins – correct is toegepast. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat artikel 69, tweede lid, van de WWB de staatssecretaris SZW noodzaakt om het bij de wet van 4 februari 2010 vastgestelde macrobudget te respecteren.
4. Een eventuele strijd met artikel 69, tweede lid, van de WWB kan evenmin leiden tot het buiten toepassing laten van de wet van 4 februari 2010. Hieraan voegt de rechtbank toe dat de regel over het uitgangspunt van toereikendheid zich slechts richt tot de wetgever, en niet tevens tot de minister. Een andere uitleg van artikel 69, tweede lid, van de WWB zou namelijk onaanvaardbaar afbreuk doen aan de gebondenheid van de minister aan het standpunt van de formele wetgever in dezen.
5. De wet van 4 februari 2010 kan en moet slechts buiten toepassing blijven indien deze wet niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, zo vloeit voort uit artikel 94 van de Grondwet. Hiervan is niet gebleken (Rechtbank Breda 25 januari 2012 nr. 11/4663, LJN BV1915).

17-01-2012 | I.v.m. uitkeringsspecificatie (herhaling van beslissing) geen bezwaar mogelijk. Wel bij vereenvoudigd derdenbeslag wegens wijziging. I.v.m. bevoegdheid civiele rechter ligt hier niet ter beoordeling door de bestuursrechter voor, of rechtmatig en voor een juist bedrag beslag op de uitkering is gelegd (2012)
1. Bevestigd wordt (CRvB 14 december 2010, LJN BO7296) dat de rechtmatigheid van een eerder genomen besluit waarbij over de grondslag van periodiek te betalen salaris of uitkering is beslist, niet bij elke betaling opnieuw aan de orde kan worden gesteld als er in de periodieke betaling geen wijziging optreedt. Het college heeft het bezwaar ten onrechte inhoudelijk beoordeeld.
2. Een met het beslag verband houdende inhouding moet op grond van artikel 79 van de WWB voor de toepassing van artikel 8:1, eerste lid, van de Awb worden aangemerkt als een besluit.
3. Uit de uitkeringsspecificatie van 9 oktober 2009 over de maand september 2009 blijkt dat op de bijstand van betrokkene een bedrag van € 81,60 is ingehouden in verband met het door de gemeente Maastricht gelegd vereenvoudigd derdenbeslag. De Raad stelt vast dat uit de uitkeringsspecificatie over de maand augustus 2009 blijkt dat over die maand een bedrag van € 85,02 is ingehouden in verband met voornoemd derdenbeslag. De uitkeringsspecificatie over de maand september 2009 betreft aldus een wijziging in de periodieke betaling en is in zoverre geen herhaling van de eerder genomen beslissing. De Raad is dan ook van oordeel dat de uitkeringsspecificatie over de maand september 2009 ten aanzien van het aspect van de inhouding in verband met het voornoemde derdenbeslag als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb moet worden aangemerkt, waartegen bezwaar kan worden gemaakt.
4. Bevestigd wordt (CRvB 21 december 2010, LJN BO9009) dat de beslagdebiteur - in dit geval betrokkene - bezwaren betreffende een gelegd beslag ingevolge artikel 438 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan voorleggen aan de civiele rechter en dat de derdebeslagene - in dit geval het college - is gehouden volledige medewerking aan het beslag te geven zonder de geldigheid en de omvang daarvan te mogen beoordelen.
5. Hetzelfde heeft te gelden bij een vereenvoudigd derdenbeslag als in dit geschil aan de orde, gelet op artikel 19, zesde lid, en artikel 17, eerste lid, van de Invorderingswet 1990.
6. Ook de bestuursrechter dient bij de beoordeling van een betalingsbeslissing ter uitvoering van een gelegd beslag de geldigheid van dat beslag als een gegeven te beschouwen en zijn toetsing kan niet verder strekken dan de beantwoording van de vraag of het bestuursorgaan bij het nemen van zijn betalingsbeslissing is gebleven binnen het kader van het beslag. In de onderhavige procedure ligt dan ook niet ter beoordeling voor of rechtmatig en voor een juist bedrag beslag op de bijstandsuitkering van betrokkene is gelegd.
7. Niet in geschil is dat betrokkene niet eerder bezwaar heeft gemaakt tegen deze inhoudingen, zodat de inhoudingen op zich in rechte onaantastbaar zijn geworden. De Raad is dan ook (in lijn met CRvB 14 december 2010, LJN BO7296) van oordeel dat in het onderhavige geschil uitsluitend voorligt de verlaging van de inhouding over de maand september 2009 van € 85,02 naar € 81,60.
8. Voor zover betrokkene de aangevoerde gronden niet had dienen voor te leggen aan de civiele rechter, is de Raad van oordeel dat betrokkene deze gronden had kunnen aanvoeren tegen inhoudingen in eerdere maanden, zodat deze gronden in het kader van de thans ter beoordeling staande inhouding over de maand september 2009 onbesproken dienen te blijven. Deze gronden van betrokkene zien immers niet op de verlaging van de inhouding over de maand september 2009 van € 85,02 naar € 81,60 (CRvB 17 januari 2012 nr. 11/2413 WWB, LJN BV1235).

17-01-2012 | Bijzondere bijstand voor reiskosten i.v.m. bezoek gedetineerde zoon (2012)
1. De Raad is van oordeel dat een bestuursorgaan niet de bevoegdheid kan worden ontzegd om, ter bepaling van de omvang van de noodzakelijke kosten respectievelijk de vergoedingen in het kader van de bijzondere bijstandsverlening voor het bezoeken van een gedetineerde, de bezoekfrequentie te maximeren en forfaitaire bedragen of richtprijzen zodanig vast te stellen dat de betrokkene daarmee in staat moet worden geacht de goedkoopste adequate voorziening te treffen. Dit laat onverlet dat het betrokkene vrijstaat aannemelijk te maken dat deze bezoekfrequentie en/of deze vergoeding in haar geval niet toereikend is voor de te maken noodzakelijke extra kosten.
2. De Raad stelt vast dat het college niet heeft weersproken dat de zoon van betrokkene (18 jaar) kampte met psychische problemen en dat betrokkene de enige was op wie hij kon terugvallen. Gelet hierop, alsmede gelet op het feit dat het hier gaat om de net meerderjarige geworden, nog schoolgaande zoon van betrokkene, is de Raad van oordeel dat het college in deze bijzondere situatie ten onrechte heeft vastgehouden aan een bezoekfrequentie van één keer per maand.
3. Mede in aanmerking genomen dat de door het college gehanteerde richtlijn erin voorziet dat een gedetineerde vaker dan één keer per maand bezocht kan worden indien het gezin uit meer leden bestaat, had het naar het oordeel van de Raad in dit bijzondere geval in de rede gelegen dat het college de bezoekfrequentie op één keer per week had vastgesteld ten einde recht te doen aan de aard van de relatie tussen moeder en zoon.
4. Daarbij tekent de Raad aan dat voor de periode dat de zoon van betrokkene in beperkingen zat en bezoek dus niet mogelijk was, de Raad geen grond ziet om de bezoekfrequentie hoger vast te stellen dan de door het college aangehouden frequentie van één keer per maand voor het brengen van noodzakelijke spullen (CRvB 17 januari 2012 nr. 11/2414 WWB, LJN BV1249).

10-01-2012 | Geen bijzondere bijstand in tandartskosten i.v.m. collectieve aanvullende ziektekostenverzekering minima (2012)
1. Naar vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 17 november 2009, LJN BK4230) dient voor de kosten van een tandheelkundige behandeling sinds 1 januari 2006 de Zvw, mede gelet op artikel 2.7 van het Besluit zorgverzekering, in beginsel als een aan de WWB voorliggende, toereikende en passende voorziening te worden beschouwd. Voorts gaat de Raad ervan uit dat in deze regelgeving een bewuste keuze is gemaakt over de noodzaak van het vergoeden van kosten van tandheelkundige behandelingen, zodat (aanvullende) bijzondere bijstandsverlening voor die kosten niet aan de orde is. Dit brengt met zich dat artikel 15, eerste lid, van de WWB aan toekenning van de gevraagde bijzondere bijstand in de weg staat.
2. Het Dagelijks Bestuur van de Sociale Dienst Walcheren heeft ten aanzien van het verlenen van bijzondere bijstand voor tandartskosten beleid ontwikkeld. Dat beleid houdt in dat gedurende de periode dat vergoeding plaatsvindt vanuit de collectieve aanvullende ziektekostenverzekering minima (CZM) in aanvulling op de eventuele vergoeding via de Zvw bijzondere bijstand wordt verleend tot een bedrag van maximaal € 450,-- per kalenderjaar. In geval een zorgverzekeraar geen vergoeding verstrekt voor de kosten kunnen deze slechts dan als bijzonder worden aangemerkt als er sprake is van bijzondere omstandigheden c.q. zeer dringende redenen.
3. Verder is bepaald dat indien de belanghebbende niet gekozen heeft voor aansluiting bij de CZM maar zich elders heeft verzekerd slechts die kosten voor bijzondere bijstand in aanmerking komen die ook niet door de CZM zouden zijn vergoed. Indien geen aanvullende verzekering is afgesloten uitsluitend ter besparing van premiekosten, dient de aanvraag in beginsel te worden afgewezen (bij 100% vergoeding vanuit de CZM) of dient de misgelopen vergoeding conform regels van de CZM in mindering te worden gebracht op de te verstrekken bijstand. Anders dan betrokkene heeft aangevoerd houdt het beleid niet in dat hij gedwongen wordt zich aan te sluiten bij CZM.
4. Naar het oordeel van de Raad is dit beleid niet in strijd met de WWB in die zin dat de WWB het Dagelijks Bestuur verbiedt een dergelijk beleid te voeren. De betreffende beroepsgrond van betrokkene treft daarom geen doel. Het beleid moet worden gekwalificeerd als buitenwettelijk begunstigend beleid. Naar vaste rechtspraak van de Raad betekent dit dat de aanwezigheid en de toepassing van dit beleid als gegeven worden aanvaard, met dien verstande dat wordt getoetst of het beleid op consistente wijze is toegepast.
5. Tussen partijen is niet in geschil of de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand in overeenstemming is met het beleid. Op de vraag of het beleid onredelijk is gaat de Raad dan ook niet in (CRvB 10-1-2012 nr. 11/2185 WWB, LJN BV0744).

27-12-2011 | Omslagpunt naar redelijke grond tijdens vrijwillig aangevangen huisbezoek, zelfde waarborgen als bij aanvang (2011)
1. Na aanvraag leggen ambtenaren een huisbezoek af. Betrokkene had verklaard alleen te wonen. Hij ondertekent een toestemmingsverklaring waarin staat dat weigering van toestemming geen gevolgen zal hebben voor zijn recht op bijstand. Tijdens het huisbezoek worden personen aangetroffen die medebewoners kunnen zijn. De ambtenaren breken het huisbezoek af, omdat, naar zij zeggen, verdere toestemming werd geweigerd. Betrokkene ontkent dat.
2. Het uit het huisrecht voortvloeiende toestemmingvereiste brengt met zich dat een met toestemming aangevangen huisbezoek niet rechtmatig kan worden voortgezet, indien tijdens dat huisbezoek die toestemming wordt ingetrokken. Evenmin kan het huisbezoek rechtmatig worden voortgezet in ruimten van een woning die tijdens het huisbezoek van toestemming worden uitgesloten. De vraag welke gevolgen het bijstandsverlenend orgaan mag toekennen aan de weigering van toestemming voor voortzetting van een aangevangen huisbezoek moet, gelet op het belang dat is gemoeid met de bescherming van het huisrecht, op dezelfde manier beantwoord worden als bij de toestemming voorafgaande aan het huisbezoek.
3. Tijdens het onverplicht aangevangen huisbezoek is een redelijke grond ontstaan voor het afleggen van een huisbezoek. Daarom had betrokkene een medewerkingsverplichting. Om schending van die verplichting aan zijn besluitvorming ten grondslag te kunnen leggen moet het bijstandsverlenend orgaan aannemelijk maken, dat betrokkene ondubbelzinnig duidelijk is gemaakt dat zijn weigering om medewerking te verlenen aan voortzetting van het huisbezoek - anders dan bij aanvang daarvan - nu wel gevolgen zou kunnen hebben voor zijn recht op bijstand en dat betrokkene vervolgens die medewerking heeft geweigerd. De Raad verwijst in dit verband naar CRvB 1 juni 2010, LJN BM7583 (weigering inzage dressoirlade) en CRvB 1 maart 2011, LJN BP7678 (afbreken huisbezoek na hevige gemoedstoestand).
4. In dit geval heeft het college deze feiten niet aannemelijk gemaakt. Betrokkene heeft de aanvankelijke toestemming wel ondertekend. Tijdens het huisbezoek heeft betrokkene geen verklaring of een verslag van het huisbezoek ondertekend. Betrokkene betwist de lezing van de ambtenaren over wat gezegd is, terwijl daarin ook geen duidelijk omslagpunt is te vinden, waarop betrokkene volgens de ambtenaren niet langer zonder gevolgen voor bijstandsverlening zijn medewerking mocht weigeren.
5. Daarbij is van belang dat het college ook een Registratieformulier huisbezoeken (B) hanteert voor gevallen waarin een redelijke grond voor een huisbezoek bestaat. De ambtenaren hadden, indien betrokkene verdere medewerking zou hebben geweigerd en zij meenden dat betrokkene daartoe verplicht zou zijn, dat moment uitdrukkelijk moeten markeren, de gevolgen van die weigering voor het recht op bijstand van betrokkene duidelijk moeten maken en een en ander buiten twijfel moeten vastleggen op het daarvoor bedoelde formulier (CRvB 27 december 2011 nr. 09/6347 WWB, LJN BV0009).

13-01-2012 | Buiten werking stellen van WWIK door Haagse voorzieningenrechter (2012)
1. De Haagse voorzieningenrechter heeft op 3 januari j.l. op vordering van de FNV c.s de intrekking van de WWIK voor kunstenaars (zittend bestand) per 1 januari j.l. buiten werking gesteld, totdat de Staat heeft voorzien in adequaat overgangsrecht. Zie rechtspraak.nl, LJN BU9921.
2. Het gaat om een pittige waarschuwing voor het kabinet om in voorkomende gevallen zorgvuldig overgangsrecht op te nemen, dat in dit geval ontbreekt.
3. Overigens wel merkwaardig dat Tweede én Eerste Kamer met deze wetgeving hebben ingestemd. Wij hadden liever gezien dat deze gremia hun tanden laten zien in plaats van de bestuursrechter, die met een beroep op verdragsbepalingen een stuk wetgeving (tijdelijk) buiten werking stelt.
4. Wij verwachten niet dat deze uitspraak gevolgen heeft voor de recente wijziging van de WWB bij de wet van 22 december 2011, Stb. 2011, 650, omdat de WWIK en WWB teveel onderling verschillen én omdat aan de wijziging van de WWB wel overgangsrecht is toegevoegd.
5. Zie ook de brief van de Staatssecretaris SZW van 12 januari 2012 nr. IVV/I/2012/437. De staatssecretaris geeft aan dat appel is aangetekend en dat hij een overgangsregeling treft met een looptijd tot 1 juli 2012.

copyright 2008 bijstandszaken.nl