|
|
|
Klik op het BZK nummer voor meer details over de zaak.
02-03-2010
Ondanks een stortvloed aan brieven van één aanvrager moet de gemeente blijven beslissen op aanvragen en bezwaarschriften (gemeente Winterswijk) De gemeente heeft een groot aantal aanvragen bijzondere bijstand en bezwaarschriften buiten behandeling gelaten. Volgens de rechtbank is in dit geval sprake van misbruik van procesrecht, hetgeen niet-ontvankelijkheid van het beroep rechtvaardigt.
Het wettelijke stelsel verzet zich volgens de Raad tegen het niet behandelen van een aanvraag in andere dan de in de wet genoemde gevallen. Een grond voor het niet behandelen van de aanvragen met toepassing van artikel 4:5 van de Awb was in de voorliggende gevallen niet aanwezig. Gelet hierop heeft het college de aanvragen ten onrechte niet in behandeling genomen en had het hierop een inhoudelijke beslissing dienen te nemen.
Verder volgt uit het systeem van de Awb dat een bestuursorgaan - tijdig - op een ingediend bezwaarschrift dient te beslissen. Het met toepassing van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb maken van bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing is primair te zien als een procedureel middel om een bestuursorgaan tot besluitvorming te bewegen. Nu het wettelijke stelsel niet voorziet in uitzonderingen op de verplichting om op een ingediend bezwaarschrift te beslissen, had het college op de bezwaarschriften van appellant moeten beslissen.
Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld kan niet worden gezegd dat betrokkene geen (proces)belang heeft bij een beroep, met toepassing van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb, tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar. Aangevallen uitspraak van de rechtbank vernietigd.
Voor de afhandeling op de minst belastende wijze doet de Raad enige suggesties.
BZK 2010/13
|
09-02-2010
Bij de beoordeling van “laag inkomen” over de periode van 36 maanden is niet de inkomensoverschrijding gedurende één maand relevant, maar het gemiddelde inkomen over de gehele periode (gemeente Arnhem) Een grammaticale uitleg van de term ‘een aaneengesloten periode’, die door de raad in artikel 1, aanhef en onder b, van de Verordening langdurigheidstoeslag Arnhem 2009 is gebezigd ter invulling van het begrip ‘langdurig’, verhoudt zich niet met het per afzonderlijke maand toetsen van het gezamenlijk inkomen aan de norm. Een redelijke uitleg van deze term houdt in dat het gezamenlijk inkomen van partijen in de gehele periode van 36 maanden dient te voldoen aan het criterium ‘laag inkomen’. Dit betekent dat het college had moeten beoordelen hoe hoog het gemiddelde gezamenlijk inkomen is geweest in de periode van 1 januari 2006 tot 1 januari 2009.
Het per afzonderlijke maand toetsen van het inkomen doet afbreuk aan de doelstelling van de langdurigheidstoeslag.
Niet in geschil is dat het gezamenlijk inkomen in de maand juni 2008 hoger was dan 105% van de geldende bijstandsnorm. Evenwel, in de overige 35 maanden van de relevante periode lag dat inkomen onder deze norm, zodat partijen voldoen aan het criterium dat het inkomen langdurig laag is, als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de WWB. Het beroep is gegrond.
BZK 2010/12
|
08-02-2010
Dit verplicht gestelde reïntegratietraject is niet in strijd met de verdragsbepalingen op het verbod op dwangarbeid of verplichte arbeid (gemeente Amsterdam) Het verplichte disciplineringstraject (Hoyatraject), gericht op onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling e.d., wordt aangemerkt als een reïntegratietraject volgens artikel 9, eerste lid, onder b WWB. Nu geen fysieke dwang of in aanmerking te nemen psychische dwang is uitgeoefend is geen sprake van dwangarbeid als bedoeld in artikel 4 EVRM.
Bij de beoordeling van het verbod op verplichte arbeid, aan de hand van de jurisprudentie van EHRM en de uitgangspunten van de WWB, zijn diverse randvoorwaarden van belang.
Gelet op de omstandigheden en deze randvoorwaarden kon niet op voorhand worden uitgesloten dat het aanleren van arbeids- en werknemersvaardigheden zoals met het Hoyatraject beoogd, kan bijdragen aan de arbeidsinschakeling van betrokkene. Van betrokkene kon derhalve in ieder geval worden gevergd deel te nemen aan de eerste week van het Hoyatraject en in dat kader mee te werken aan een assessment. Op basis van dit assessment had vervolgens kunnen worden vastgesteld over welke vaardigheden betrokkene beschikt en of voortzetting van het Hoyatraject was aangewezen.
Mede gelet op de beperkte duur van de assessmentfase van het Hoyatraject en de in hoogte en duur beperkte sanctie wegens het niet gebruik maken van de aangeboden voorziening, kan in dit geval niet gesproken worden van een schending van het verbod op verplichte arbeid als bedoeld in artikel 4 van het EVRM.
Pas zodra van een (beoogde) deelnemer aan een voorziening als het Hoyatraject, gelet op alle omstandigheden, niet (meer) verlangd kan worden de opgedragen activiteiten of werkzaamheden te verrichten vanwege het excessief of disproportioneel belastende karakter ervan en/of het totaal ontbreken daaraan van enig perspectief richting arbeidsinschakeling, zou sprake kunnen zijn van verplichte arbeid en zal in zoverre met succes een beroep kunnen worden gedaan op artikel 4 van het EVRM. Hiervan is in dit geval echter geen sprake.
BZK 2010/09
|
26-01-2010
Nu het reïntegratietraject voor moeilijk bemiddelbare personen in dit geval is beëindigd wegens alcoholgebruik is terecht een maatregel opgelegd (gemeente Amsterdam) Niet in geschil is dat het leerwerktraject, waarop betrokkene was geplaatst, gericht is op moeilijk bemiddelbare personen zoals betrokkene. Er is geen reden om aan te nemen dat dit reïntegratietraject voor betrokkene niet passend was. De gestelde omstandigheid dat het leerwerktraject niet de achterliggende problematiek van alcohol en drugs aanpakt maakt dit niet anders.
Vaststaat dat betrokkene op de eerste dag van het door hem te volgen reïntegratietraject alcohol (bier) had meegenomen en ook heeft genuttigd op het bedrijf waar hij was geplaatst. Betrokkene had kunnen en moeten begrijpen dat dit geen algemeen geaccepteerd gedrag is. Als gevolg van het gedrag van betrokkene is het reïntegratietraject met hem direct beëindigd. Van deze handelwijze kan niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Dat betrokkene een alcoholprobleem heeft en een andere visie heeft op het gebruik van alcohol op de werkvloer is daarvoor onvoldoende.
Terecht is de maatregel volgens de Afstemmingsverordening bepaald op € 200,--.
BZK 2010/08
|
26-01-2010
Nu betrokkene (HIV-seropositief) wegens zijn behandeling in een acute noodsituatie verkeert, ontbreekt in het medisch advies de aanleiding om de eerdere verstrekking van bijzondere bijstand in de kosten van medicinale marihuana -3 gram per dag- te verlagen naar 1 gram per dag (gemeente Amsterdam) Het gebruik van medicinale cannabis voorkomt in dit geval dat er voor betrokkene een levensbedreigende situatie ontstaat (wegens bedreiging voor de therapietrouw). Ook de GGD-arts heeft zich blijkens het aanvullend advies op het standpunt gesteld dat gesproken kan worden van een levensbedreigende situatie als het gebruik van suboptimale middelen tegen misselijkheid mogelijk leidt tot minder effectief gebruik van de anti HIV-medicatie.
Over de voor betrokkene voorgeschreven dosering van 3 gram medicinale cannabis per dag heeft de GGD zich niet uitgelaten, behoudens dat op basis van een overgangsregeling voor de oude gevallen bij wijze van coulance kan worden volstaan met het verlenen van bijzondere bijstand voor de kosten van 1 gram per dag, zodat de Raad ervan uitgaat dat de dosering die betrokkene is voorgeschreven in zijn geval noodzakelijk is.
In de omstandigheden van betrokkene is sprake van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, WWB. Daaruit vloeit voort dat het college de bevoegdheid toekwam om bijzondere bijstand te verlenen voor de kosten van medicinale cannabis.
Het college had er in redelijkheid niet van kunnen afzien om van deze bevoegdheid gebruik te maken en het college had aan betrokkene bijzondere bijstand dienen te verlenen voor de kosten van 3 gram medicinale cannabis per dag.
BZK 2010/10
|
26-01-2010
De gemeente is niet bevoegd om naar aanleiding van de nalatigheid van betrokkene om ten kantore van de gemeente te verschijnen (inzake bewijsstukken sollicitaties) diens recht op bijstand in te trekken (gemeente Arnhem) De verplichtingen vermeld in artikel 9, eerste lid, WWB zijn niet van belang voor de vaststelling van het recht op bijstand. Dit brengt mee dat niet nakoming van deze verplichtingen niet kan leiden tot intrekking of beëindiging van de bijstand. Gelet hierop acht de rechtbank het in strijd met de systematiek van de wet wanneer niet verschijnen op een gesprek dat enkel tot doel heeft de controle van de naleving van die verplichtingen, wel reden zou kunnen zijn voor intrekking of beëindiging van de bijstand.
De rechtbank verwijst in dit verband nog naar de tekst van artikel 54, eerste en vierde lid, van de WWB waarin tot uitdrukking is gebracht dat nalatigheid bij het verstrekken van inlichtingen uitsluitend tot opschorting en intrekking van de bijstand kunnen leiden wanneer die inlichtingen van belang zijn voor de vaststelling van het recht en bedoelde nalatigheid er toe leidt dat het recht niet kan worden vastgesteld. Daarmee komt in strijd wanneer niet verschijnen op een gesprek dat enkel tot doel heeft de controle van de naleving van die verplichtingen, reden zou kunnen zijn voor intrekking of beëindiging van de bijstand. De rechtbank ziet voorts steun voor dit standpunt in de toelichting op artikel 17 van de WWB.
Het college heeft wel de bevoegdheid over te gaan tot een maatregel volgens artikel 18 WWB.
BZK 2010/11
|
22-01-2010
De Minister SZW heeft op goede gronden gebruik gemaakt van de bevoegdheid volgens artikel 70, eerste lid, WWB om het onrechtmatig bestede Werkdeel terug te vorderen, nu zich blijkens de verantwoording een financiële onzekerheid voordoet (gemeente Oss) Uit de bepalingen van de WWB volgt, dat de verantwoording door gemeenten van het aan hen toegekende budget jaarlijks plaatsvindt. Hieruit volgt dat, indien de rechtmatigheid van de besteding in het jaar van de betaling niet kan worden verantwoord, de besteding onrechtmatig is en de Minister SZW de gelden van de gemeente kan terugvorderen.
De grief van het college dat de door de accountant in 2006 gestelde financiële onzekerheid niet betekent dat er sprake is van onrechtmatige besteding, wordt door de rechtbank verworpen. De rechtbank is van oordeel dat, indien sprake is van financiële onzekerheid in het jaar van betaling, dit tot gevolg heeft dat de besteding niet (met zekerheid) kan worden verantwoord, zodat sprake is van een onrechtmatige besteding.
BZK 2010/06
|
19-01-2010
Voor de hoogte van bijstand in kosten van woninginrichting is de gemeente niet verplicht uit te gaan van NIBUD-normen, maar kunnen richtprijzen worden gehanteerd die zijn afgeleid van en afgestemd op het lokaal winkelaanbod (gemeente Groningen) Het college is bevoegd, indien het in het voorliggende geval heeft vastgesteld dat voor de kosten van woninginrichting in beginsel bijzondere bijstand dient te worden verleend, bij de bepaling van de hoogte van de bijstand voor de verschillende kostenposten richtprijzen te hanteren. Daarbij is het college niet verplicht om uit te gaan van de NIBUD-normen.
Het is niet onredelijk, gelet op het karakter van de bijstand als bodemvoorziening, dat het college uitgaat van de goedkoopste passende voorzieningen, en dat het college richtprijzen gebruikt die zijn afgeleid van en afgestemd op het winkelaanbod in de stad Groningen.
De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat hantering bij de onderhavige aanvraag (2006) van de met ingang van 1 januari 2005 geldende, en nadien niet geïndexeerde richtprijzen in dit geval onredelijke of anderszins onaanvaardbare consequenties heeft gehad. Daarbij betrekt de Raad dat de vorengenoemde berekening van de hoogte van de bijstand uitkomt op een bedrag van € 2.842,50 en dat een bedrag van € 3.000,00 is toegekend.
BZK 2010/04
|
19-01-2010
De gemeente is er niet in geslaagd in objectieve zin aannemelijk te maken dat sprake is geweest van agressie als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB, en daarmee van maatregelwaardig gedrag (RSD Krommie Rijn Heuvelrug) Bevestigd wordt dat een verlaging van de bijstand wegens een zeer ernstige misdraging als een punitieve (bestraffende) sanctie moet worden aangemerkt. Het is aan het college om aannemelijk te maken dat van agressie sprake is geweest.
De zeer luide stemverheffing en weigering om de spreekkamer te verlaten is verwijtbaar gedrag. De gemeente is er echter niet in geslaagd in objectieve zin aannemelijk te maken dat sprake is geweest van agressie als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB, en daarmee van maatregelwaardig gedrag.
Met name is niet aannemelijk geworden dat betrokkene verbaal geweld heeft gebezigd dat als agressief - in intimiderende of bedreigende zin - moet worden beschouwd. Betrokkene heeft tegengesproken dat van agressie in de zojuist bedoelde zin sprake is geweest en ook uit de bewoordingen van het verslag blijkt van zodanige agressie niet. Tegen die achtergrond komt onvoldoende betekenis toe aan de opmerking (in de rapportage van de beveiligingsdienst) dat het gedrag volgens de consulent intimiderend was.
BZK 2010/05
|
13-01-2010
Het dwingendrechtelijke karakter van artikel 33 WWB betekent dat het genormeerde inkomen uit studiefinanciering in mindering wordt gebracht op het relevante normbedrag (gemeente Breda) De som van de basisbeurs en aanvullende prestatiebeurs en de reisvoorziening is per 1 januari 2009 hoger dan het normbedrag van artikel 33, tweede lid, onder b, WWB. Artikel 33, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB is een bepaling van dwingendrechtelijke aard, welke bepaling met zich meebrengt dat de gemeente gehouden is het in die bepaling genoemde bedrag van € 543,73 op de bijstandsuitkering in mindering te brengen. Vgl. CRvB 27 maart 2007 nr. 06/1980 WWB, LJN BA1880.
De inkomsten die het college terecht gekort heeft op de bijstandsuitkering zijn derhalve het normbedrag van artikel 33, tweede lid, onder b (€ 543,73), de partnertoeslag (€ 543,73) en de stagevergoeding (€ 199,90), in totaal € 1.287,36. Nu de bijstandsnorm per 1 januari 2009 € 1.283,86 bedroeg heeft het college de uitkering per 1 januari 2009 kunnen intrekken.
De rechtbank merkt op dat betrokkene niet heeft onderkend dat bij de normering van artikel 33, tweede lid, onder b, van de WWB ook de tegenwaarde van de OV-studentenkaart als inkomen voor levensonderhoud in aanmerking wordt genomen. Hieruit blijkt dat de hoogte van het normbedrag van artikel 33, tweede lid, onder b, van de WWB, per 1 januari 2009 niet aansluit bij de wijze van vaststelling van dit bedrag zoals in artikel 39 van de WWB is aangegeven.
De rechtbank kan hieruit slechts concluderen dat de wetgever bij de periodieke indexering van dit normbedrag niet heeft gehandeld zoals in artikel 39 van de WWB is voorgeschreven.
BZK 2010/07
|
22-12-2009
Wegens ontbrekende middelen wordt het aflossingsbedrag van deze fraudevordering op nihil gesteld (gemeente Delft) Betrokkene heeft aan het college opgegeven dat hij over geen enkele bron van inkomsten beschikt en evenmin over vermogen. Het college heeft deze opgave niet bestreden, zodat ervan moet worden uitgegaan dat betrokkene niet beschikte over middelen om af te lossen op de vorderingen van het college.
Onder deze omstandigheden is de Raad van oordeel dat het college het bedrag van de aflossing niet had moeten stellen op de minimale aflossingsnorm van € 66 per maand, maar op € 0 had moeten vaststellen.
BZK 2009/72
|
17-12-2009
Geschil inzake inkorting van baard resp. weigering vrouwen de hand te schudden wegens islamitische geloofsovertuiging. Betrokkene heeft in redelijkheid niet kunnen weigeren aan de verplichting als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, WWB te voldoen, omdat sprake zou zijn van schending van de Awgb (gemeente Amsterdam).
Nu betrokkene een bijstandsuitkering ontvangt en geacht moet worden de daaraan verbonden verplichtingen tevens te aanvaarden, is de eis dat de baard tot maximaal vijf cm. moet worden ingekort om aan werk als beveiliger te komen niet zodanig verstrekkend, dat dit in redelijkheid niet van betrokkene kan worden gevergd. Hetzelfde geldt voor het geven van een hand aan vrouwelijke collega’s en klanten.
De vrijheid van een ieder om zich te gedragen en eruit te zien zoals hij wil dient te worden gerespecteerd, maar vindt zijn begrenzing op het moment dat dit leidt tot grote beperkingen in de toegang tot de arbeidsmarkt.
Het belang van de gemeente bij de uitvoering van de WWB weegt zwaarder dan het belang van betrokkene. De werkvoorschriften als middel voor het bereiken van het legitieme doel zijn passend en noodzakelijk. Van strijd met de Awgb is geen sprake.
BZK 2009/69
|
15-12-2009
Bijstand in begrafeniskosten van hun vader is aangevraagd door twee broers. Afwijzing van bijzondere bijstand voor de ene broer is niet terecht, nu in een identieke beroepsprocedure van de andere broer de noodzakelijke financiële gegevens zijn ingebracht (gemeente Amsterdam) Naar vaste rechtspraak levert schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond op voor weigering van algemene bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene feiten te stellen en zonodig te bewijzen dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond. Volgens vaste rechtspraak van de Raad dienen daarbij ook de door de belanghebbende in de (hoger) beroepsfase alsnog verstrekte gegevens te worden betrokken. Deze rechtspraak is ook van toepassing indien, zoals in het onderhavige geval, bijzondere bijstand wordt geweigerd omdat het recht daarop wegens schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld.
Vaststaat dat betrokkene in de beroepsfase de gevraagde financiële gegevens van zijn vader niet zelf heeft ingebracht, maar dat zijn broer dat in die fase wel heeft gedaan. Ook staat vast dat met deze gegevens het recht op bijzondere bijstand van de broer kon worden vastgesteld. Aan hem is immers hangende de beroepsprocedure alsnog bijzondere bijstand voor (een deel van) die kosten toegekend. De gemachtigde heeft hierop uitdrukkelijk gewezen.
Onder deze omstandigheden doet het enkele feit dat betrokkene in de beroepsfase niet zelf de hiervoor bedoelde gegevens heeft ingebracht er niet aan af dat ook in zijn zaak in die fase voldoende inzicht is verkregen in de financiële situatie van zijn vader, zodat al op dat moment het recht op bijzondere bijstand kon worden vastgesteld.
BZK 2009/68
|
15-12-2009
Geen rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel verzet zich er tegen dat, na een onrechtmatig bevonden huisbezoek, een nader onderzoek volgens artikel 53a WWB wordt ingesteld naar de rechtmatigheid van verleende of nog te verlenen bijstand. De bevindingen van een dergelijk onderzoek mogen wél bij de beoordeling van het recht op bijstand worden betrokken (gemeente Roerdalen) Verzwegen gezamenlijke huishouding volgens artikel 3 WWB? In dit geval bestond geen redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek. Volgens vaste rechtspraak vormt een anonieme tip over de woon- en leefsituatie van degene die bijstand aanvraagt of ontvangt als zodanig geen redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek. De door de sociaal rechercheur verrichte observaties vormen samen met deze tip evenmin voldoende aanleiding om redelijkerwijs te twijfelen aan de juistheid van de verstrekte gegevens.
Het gaat hier om een inbreuk op het huisrecht, zodat het huisbezoek als onrechtmatig moet worden aangemerkt en de resultaten van het huisbezoek niet mogen worden gebruikt.
Geen rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel verzet zich er tegen dat na een onrechtmatig bevonden huisbezoek een nader onderzoek (volgens artikel 53a WWB) wordt ingesteld naar de rechtmatigheid van verleende of nog te verlenen bijstand en dat de bevindingen van een dergelijk onderzoek bij de beoordeling van het recht op bijstand worden betrokken.
Dat betekent dat de omstandigheid dat een huisbezoek onrechtmatig is in beginsel niet meebrengt dat de bevindingen uit een nader onderzoek niet mogen worden gebruikt bij de beoordeling van het recht op bijstand van degene jegens wie dat huisbezoek onrechtmatig is. Dit wordt eerst anders indien gezegd moet worden dat het bestuursorgaan in redelijkheid geen gebruik kon maken van de bevoegdheid tot het instellen van een nader onderzoek of van de daardoor verkregen onderzoeksresultaten, gelet op de wijze waarop dat in het concrete geval is gebeurd. De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat zich hier een dergelijke situatie voordoet.
De nadere onderzoeksgegevens bieden evenwel onvoldoende grondslag voor de conclusie dat hier een gezamenlijke huishouding is gevoerd.
BZK 2009/70
|
15-12-2009
De bijstand is terecht ingetrokken en teruggevorderd tot een bedrag van de verzwegen giften (totaal € 4.876 over 2004-2006), met oplegging van een maatregel (gemeente Nijmegen) De gemeente heeft in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat diverse overschrijvingen en stortingen uit het oogpunt van bijstandsverlening als gift niet verantwoord zijn, dit gezien enerzijds de hoogte van de bijstandsnorm en anderzijds de hoogte van de overschrijvingen en stortingen. Het gaat immers gemiddeld om circa € 180,-- per maand, terwijl betrokkene aan bijstand ontving een bedrag van circa € 800,-- netto per maand. De gemeente heeft daarbij terecht in aanmerking genomen dat de bedoelde overschrijvingen en stortingen vooral bestemd waren om daarmee te voorzien in de algemene kosten van het bestaan, in kosten dus die in het algemeen uit het inkomen moeten worden bestreden. BZK 2010/01
|
15-12-2009
De kredietaanvraag voor verhuiskosten is door de Gkb niet in behandeling genomen, omdat betrokkene geen afstand wil doen van haar auto en zij niet om medische redenen op de auto is aangewezen. In verband hiermee is de bijstand afgewezen (gemeente Den Haag) Bezien vanuit het oogpunt van de WWB had van betrokkene verwacht mogen worden dat zij ten volle een beroep had gedaan op een voorliggende voorziening in de vorm van een lening bij de Gkb en zou hebben voldaan aan de haar door de Gkb gestelde voorwaarde om haar aanvraag om een lening voor de kosten van haar verhuizing in behandeling te doen nemen.
Nu zij daarvan heeft afgezien, moet eventuele onzekerheid over de vraag of haar door de Gkb een lening zou zijn verstrekt en of de lening voldoende zou zijn geweest om de kosten van de verhuizing volledig te betalen, voor haar risico worden gelaten. Artikel 15, eerste lid, WWB staat in de weg aan het verlenen van de gevraagde bijzondere bijstand.
BZK 2010/02
|
15-12-2009
Na dwangopname in een psychiatrisch ziekenhuis (via inbewaringstelling burgemeester) bestaat geen recht op algemene bijstand (gemeente Landgraaf) In de WWB en de daarop berustende bepalingen is geen definitie of omschrijving van het begrip ‘rechtens zijn vrijheid ontnomen’ is opgenomen. Het begrip kent geen beperking ten aanzien van de aard van de juridische titel op basis waarvan de vrijheidsontneming plaatsvindt. Dat betekent dat het begrip ziet op alle vrijheidsontnemingen waarvoor een juridische titel bestaat.
Onder de zinsnede ‘rechtens zijn vrijheid ontnomen’ moet mede worden begrepen de situatie waarin de betrokkene op grond van de Wet BOPZ gedwongen is opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Daaraan doet niet af dat in artikel 13, derde lid, WWB, in samenhang met het Besluit extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid (Stb. 2000, 53) is voorzien in een aantal uitzonderingen op de uitsluiting, reeds omdat de situatie waarin sprake is van een gedwongen opname op grond van de Wet BOPZ daarin niet is opgenomen.
BZK 2010/03
|
24-11-2009
Hoewel sprake is van inbreuk op het huisrecht worden de bevindingen van het huisbezoek wel betrokken bij de beoordeling van het recht op bijstand. Bij schending inlichtingenplicht geen strafrechtelijke rechtswaarborgen (gemeente Groningen) In dit geval is een redelijke grond voor het huisbezoek aanwezig, maar is niet voldaan aan de eis van “informed consent”. Dat betekent dat ten aanzien van betrokkene sprake was van een inbreuk op het huisrecht als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM.
Niet kan worden gezegd dat het gebruik maken van hetgeen tijdens het huisbezoek is verklaard en waargenomen zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelend bestuursorgaan mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht.
Hierbij wordt door de Raad in aanmerking genomen dat, indien betrokkene naar behoren zou zijn geïnformeerd en vervolgens zou hebben geweigerd aan het huisbezoek mee te werken, die weigering zou hebben meegebracht dat zijn recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, hetgeen - gegeven de aanwezigheid van een redelijke grond - evenzeer een grond vormt voor intrekking van bijstand. Niet kan worden ingezien dat de bevindingen gedaan tijdens het huisbezoek voor de beoordeling van het recht op bijstand buiten beschouwing dienen te blijven.
Bij een redelijke grond voor huisbezoek zijn de rechtswaarborgen volgens Sv. niet van toepassing (BZK 2008/88)
BZK 2009/65
|
24-11-2009
De hier toegepaste afstemming volgens artikel 18 WWB berust op een onjuiste motivering en wordt vernietigd (gemeente Tilburg) Door familieleden werd betrokkene in staat gesteld haar uitgaven voor levensmiddelen en toiletartikelen beperkt te houden. Het gaat hier niet om een zeer bijzondere situatie die een verlaging van de bijstand tot een bedrag van € 700,-- per maand rechtvaardigt.
Artikel 18 WWB geeft inhoud aan één van de uitgangspunten van de WWB, te weten dat de bijstand wordt afgestemd op de feitelijke behoeften in het individuele geval. Deze verplichting kan meebrengen dat een verlaging van de uitkering dan wel van de toeslag is aangewezen.
De Raad neemt tevens in aanmerking dat algemene bijstand wordt verleend naar een all-in-norm, hetgeen impliceert dat degene die algemene bijstand ontvangt de vrijheid heeft de bijstand te besteden op een wijze die hem goeddunkt. Betrokkene heeft van die keuzevrijheid gebruik gemaakt om met de, niet met bijstandsverlening onverenigbaar te achten, hulp van familieleden haar uitgaven voor levensmiddelen en toiletartikelen beperkt te houden, zodat zij de daardoor bespaarde bijstand op een andere wijze kon besteden.
BZK 2009/67
|
19-11-2009
Overschrijding van de wettelijke beslistermijn leidt tot het opleggen van een dwangsom (gemeente Haarlem) In een eerdere procedure heeft de Centrale Raad van Beroep in dit geval bepaald dat de gemeente een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen. Het beroep is gericht tegen het uitblijven van een nieuw besluit op bezwaar. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn volgens artikel 7:10 Awb is overschreden. Nu het beroepschrift is ingediend na inwerkingtreding van de Wet dwangsom per 1 oktober 2009 is het beroep ontvankelijk. De gemeente wordt volgens artikel 8:55d Awb opgedragen alsnog een besluit op bezwaar te nemen binnen twee weken na verzending van deze uitspraak, op straffe van een dwangsom van Euro 100 per dag met een maximum van Euro 15.000. BZK 2009/66
|
02-11-2009
Het bestreden besluit wordt vernietigd, voor zover dit ziet op het opleggen van de verplichting voor het ondergaan van een medisch onderzoek op grond van artikel 55 WWB (RSD Kromme Rijn Heuvelrug) Het opleggen van de aangeboden voorziening is vooral gericht op sociale activering en op het onderzoeken van de arbeidsmogelijkheden van betrokkene. Weliswaar wordt in de rapportage wel gezegd dat arbeid in WSW-verband mogelijk het einddoel kan zijn, maar het accent ligt op de sociale activering en het onderzoek naar de mogelijkheden, waarbij betaalde arbeid nog ver weg is. De verplichting van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, WWB is terecht opgelegd.
Ook is de verplichting opgelegd aan betrokkene zich onder medische behandeling te stellen, zodat het traject van sociale activering doorgang kan vinden. Er is geen arts die een medische behandeling heeft geadviseerd, zodat niet is voldaan aan de eisen voor gebruikmaking van de bevoegdheid als neergelegd in de laatste volzin van artikel 55 WWB.
BZK 2009/71
|
20-10-2009
De aanwezigheid tijdens reguliere arbeidsuren op een bestaande werkplek veronderstelt dat de betreffende persoon bij geconstateerde aanwezigheid ook daadwerkelijk op geld waardeerbare arbeid verricht (gemeente Bussum) De grief dat door de gemeente in strijd met artikel 8 van het EVRM is geobserveerd bestrijkt de observaties in de perioden, welke zonder bevel van de Officier van Justitie hebben plaatsgevonden. De Raad verwerpt deze grief.
Deze observaties vinden een wettelijke grondslag in artikel 53a, tweede lid, WWB en beantwoorden in het onderhavige geval tevens aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Daarbij wordt in aanmerking genomen dat er een gegrond vermoeden van fraude met uitkeringsgelden bestond, dat het doel van de observaties uitsluitend erop was gericht om vast te stellen of betrokkene méér uren in het restaurant werkzaam was dan hij had opgegeven en dat de observaties, die met name de standplaats van zijn auto betroffen, alleen in de openbare ruimte plaatsvonden. Naar het oordeel van de Raad waren de observaties ten tijde hier van belang niet zodanig intensief dat het college daarmee in strijd met artikel 8 van het EVRM heeft gehandeld.
BZK 2009/64
|
13-10-2009
De kosten van zwemlessen behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten waarin in beginsel iedere ouder met jonge kinderen, aangewezen op een bijstandsuitkering of niet, zelf moet voorzien (gemeente Almere) Tussen partijen is niet in geschil dat de kosten van zwemlessen zich voordoen en noodzakelijk zijn. De vraag of deze kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden beantwoordt de Raad met het college en de rechtbank ontkennend. Dergelijke kosten behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten waarin in beginsel iedere ouder met jonge kinderen, aangewezen op een bijstandsuitkering of niet, moet voorzien. De omstandigheid dat appellant, zoals hij heeft aangevoerd, geen gebruik heeft kunnen maken van een gesubsidieerde faciliteit, zoals schoolzwemmen, maakt dit niet anders.
Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is de Raad van oordeel dat appellant aan artikel 16, eerste lid, van de WWB geen aanspraak op bijzondere bijstand kan ontlenen. De Raad komt tot de conclusie dat de rechtbank ten onrechte heeft beoordeeld of in de omstandigheden van betrokkene ten aanzien van de kosten van zwemlessen sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB.
BZK 2009/61
|
06-10-2009
De gemeente heeft niet in redelijkheid kunnen besluiten de terugvordering (wegens toekenning Wajong-uitkering met terugwerkende kracht) te bruteren (gemeente Leidschendam-Voorburg) Rechtsvraag: heeft de gemeente in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid tot brutering. Naar vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 24 juli 2007 nr. 06/3899 WWB, LJN BB0561 en CRvB 27 januari 2009 nr. 08/4903 WWB, LJN BH2259) is bij de beantwoording van de hiervoor gestelde vraag zowel de verwijtbaarheid van betrokkene bij het ontstaan van een vordering als die bij de brutering van een netto vordering van belang.
In onderhavig geschil staat vast dat betrokkene geen verwijt kan worden gemaakt van het ontstaan van de terugvordering, nu van schending van de inlichtingenverplichting geen sprake is. Betrokkene heeft het college van meet af aan geïnformeerd over de door hem ingestelde rechtsmiddelen tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Het college had de mogelijkheid betrokkene een machtiging te laten ondertekenen teneinde zeker te stellen dat het Uwv de Wajong-uitkering niet netto zou uitbetalen maar bruto aan het college, overeenkomstig de in de Verzamelbrief SZW van 30 augustus 2005 voorziene mogelijkheid van vereenvoudigde verrekening.
Wegens ontbrekende vereenvoudigde verrekening hebben zowel het college als het Uwv belasting en premies afgedragen. Voor betrokkene heeft dit tot gevolg dat hij ongeveer € 16.000,-- meer aan het college moet terugbetalen dan het Uwv hem destijds aan (netto) Wajong-uitkering heeft nabetaald. Bovendien houdt de Raad het ervoor dat, gelet op het maandelijkse aflossingsbedrag van € 100,-- , de eventueel langs fiscale weg voor betrokkene te verkrijgen compensatie voor de terugbetaling van de bruto terugvordering te verwaarlozen is.
Hieruit volgt dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten de vordering te bruteren.
BZK 2009/60
|
06-10-2009
Een stageovereenkomst wordt beheerst door het privaatrecht, maar het aanbieden, wijzigen of beëindigen van een stage is tevens een beslissing over een voorziening volgens artikel 7 WWB en daarom een besluit in de zin van 1:3 Awb. Bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard (gemeente Amsterdam) Gezien de doelstelling van de WWB en gelet op de tekst van artikel 7 van de WWB is de rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de gemeente in deze geen gebruik kan en mag maken van privaatrechtelijke middelen om het publiekrechtelijk doel te bereiken. In het oog moet worden gehouden dat het aanbieden van de privaatrechtelijke stageovereenkomst als het aanbieden van een voorziening in de zin van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de WWB moet worden beschouwd.
Dat betekent dat ook vervolgbeslissingen met betrekking tot de stageovereenkomst, zoals het wijzigen of beëindigen ervan alsmede het blokkeren van de stagevergoeding, weliswaar door het privaatrecht worden beheerst, maar ook als een wijziging of beëindiging van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de WWB moeten worden aangemerkt.
In die zin is iedere beslissing met betrekking tot de stageovereenkomst (tevens) een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, nu het een publiekrechtelijke rechtshandeling betreft die is gericht op rechtsgevolg. Tegen een dergelijk besluit dient bezwaar en beroep open te staan.
BZK 2009/63
|
01-10-2009
Aan een inhoudelijke beoordeling van het standpunt van de Rechtbank Arnhem, namelijk dat in dit geval geen sprake is van dwangarbeid of verplichte arbeid, komt de Raad niet toe. Betrokkene heeft geen (proces)belang nu de maatregel is ingetrokken (gemeente Arnhem) Beroep is ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank Arnhem van 8 oktober 2008 (BZK 2008/78). Hierbij werd de afstemming wegens weigering van een traject Work First vernietigd. Betrokkene heeft aangevoerd dat het hem te doen is om principiële uitspraak van de Raad. Hij heeft daarbij gewezen op mogelijke gevolgen voor - deelnemers aan - andere vergelijkbare trajecten in de gemeente Arnhem en elders.
Het is vaste rechtspraak dat slechts sprake is van voldoende procesbelang, indien het resultaat, dat de indiener met het maken van bezwaar of het instellen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben.
Van de bestuursrechter kan in een geval waarin de uitkomst van het beroep niet in concreto tot een voor de betrokkene gunstiger resultaat kan leiden, geen uitspraak worden gevraagd vanwege de principiële betekenis daarvan voor mogelijke toekomstige gevallen waarbij niet betrokkene, maar anderen betrokken zijn.
BZK 2009/58
|
29-09-2009
Voor deze terugvordering is een bestuursrechtelijke grondslag aanwezig in het Bbz 2004 (gemeente Den Haag) Deze gemeente heeft bijstand verleend ter voorziening in bedrijfskapitaal in de vorm van een geldlening, die wordt teruggevorderd. Ter zitting van de Raad is aan de orde geweest of, nu het hier gaat om een geldlening, de terugbetaling en de invordering daarvan langs bestuursrechtelijke weg kunnen worden afgewikkeld dan wel of de weg van het burgerlijk recht dient te worden gevolgd.
De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat de grondslag voor de in geding zijnde terug- en invordering is te vinden in de artikelen 40 en volgende van het Bbz 2004. Er is derhalve een uitdrukkelijke bestuursrechtelijke grondslag voorhanden. Daarbij heeft de rechtbank overigens artikel 47 van het Bbz 2004 terecht niet van toepassing geacht.
In hetgeen is aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van het Bbz 2004 om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
BZK 2009/59
|
29-09-2009
Het feitelijk bestaan van de schuld van betrokkene aan haar dochters is in voldoende mate aannemelijk is gemaakt. De vraag of sprake is van een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting moet echter ontkennend worden beantwoord. Met de schuld is terecht geen rekening gehouden, zodat de bijstand terecht als lening onder verband van hypotheek op de woning is toegekend (gemeente Haarlemmermeer) Voor het beoordelen van de schuld stelt de Raad voorop dat deze aflossing na 360 maanden niet reëel is, althans op zijn minst erg onzeker, gelet op de leeftijd van betrokkene ten tijde van het afsluiten van de lening. Voor zover de aflossing is gekoppeld aan de verkoop van de woning is er evenmin sprake is van een reële terugbetalingsverplichting, nu deze afhankelijk is gesteld van een toekomstige onzekere gebeurtenis.
In het verlengde hiervan kan niet gesproken worden van een reële verplichting tot betaling van de overeengekomen rente, nu ook deze is uitgesteld en is gekoppeld aan de aflossing. Bovendien is rentebetaling temeer onzeker, aangezien er niet zonder meer van kan worden uitgegaan dat de opbrengst van de woning bij eventuele verkoop voldoende zal zijn voor het (volledig) voldoen van de hoofdsom alsmede het verschuldigde bedrag aan rente.
Verder acht de Raad van belang dat betrokkene uitsluitend in staat is haar woonlasten uit haar inkomen op bijstandsniveau te voldoen omdat zij feitelijk, in ieder geval zo lang zij in de woning verblijft, niet hoeft af te lossen en geen rente hoeft te betalen ter zake van de schuld aan haar dochters.
BZK 2009/62
|
15-09-2009
Door niet mee te werken aan een medisch onderzoek (aangemerkt als voorziening gericht op arbeidsinschakeling) is er voldoende aanleiding voor een maatregel. Geen matiging van de afstemming wegens dringende redenen (gemeente Terneuzen) Volgens de Afstemmingsverordening ziet het college af van het opleggen van een maatregel indien hij daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Niet is in de Afstemmingsverordening nader aangegeven wat onder dringende redenen moet worden begrepen. Wel is in artikel 1, tweede lid, van de Afstemmingsverordening bepaald dat alle begrippen die in de verordening worden gebruikt dezelfde betekenis hebben als in de WWB, voor zover niet anders is bepaald.
Ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad wordt bij een beroep op dringende redenen gedacht aan onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties voor een betrokkene. Het moet gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders of uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden heeft plaatsgehad. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de stelling van betrokkene dat de aan haar toekomende heffingskorting wordt verrekend met een schuld bij de belastingdienst, niet kan worden aangemerkt als een dringende reden in vorenbedoelde zin.
BZK 2009/57
|
08-09-2009
De rechtstreekse betalingen aan de leaseorganisatie wegens zijn leasecontract voor een auto, door een zus van betrokkene, zijn terecht niet als giften buiten beschouwing gelaten (gemeente Amsterdam) De zus van betrokkene heeft € 552 per maand en later € 299 per maand betaald wegens een leasecontract van betrokkene voor een auto (Mercedes). Het verdraagt zich niet met het vangnetkarakter van de WWB als sluitstuk van de sociale zekerheid om in gevallen als hier aan de orde, waarbij betrokkene zichzelf in de positie brengt dat betalingen van door hem gemaakte kosten van levensonderhoud rechtstreeks aan derden worden gedaan, deze middelen op grond van de gekozen juridische constructie bij de vaststelling van de bijstandsuitkering buiten beschouwing te laten.
De Raad komt dan ook tot de conclusie dat de bedragen die de zus aan de leasemaatschappij betaalde zijn aan te merken als middelen waarover betrokkene beschikte of redelijkerwijs kon beschikken als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de WWB.
Het college behoefde in de gestelde schulden, die niet aannemelijk zijn gemaakt, geen aanleiding te zien om de betalingen met toepassing van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder m, van de WWB als giften buiten beschouwing te laten, nu deze, gelet op het daarmee nagestreefde bestedingsniveau, uit een oogpunt van bijstandsverlening als niet verantwoord waren aan te merken.
BZK 2009/56
|
07-09-2009
De jurisprudentie van het EHRM gaat niet zover dat de strafrechtelijke waarborgen om een advocaat te consulteren ook gelden in een situatie, waarin geen sprake is van een aangehouden verdachte op wie een vrijheidsbenemend dwangmiddel is toegepast (gemeente Maastricht) Betrokkene heeft onder verwijzing naar de arresten van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens betoogd dat hij niet aan zijn verklaring kan worden gehouden, omdat hij op dat moment niet in de gelegenheid was gesteld om zich te laten bijstaan door een raadsman.
De Raad volgt betrokkene niet in zijn betoog. Volgens CRvB 19 mei 2009 nr. 07/4236 WWB, LJN BI6036, BZK 2009/29 strekt de bescherming van artikel 6, derde lid, EVRM zich niet tot betrokkene uit, wat betreft de herziening en de terugvordering van de bijstand, omdat het daarbij niet gaat om een strafrechtelijke procedure.
Uit de rechtspraak van het EHRM en een drietal arresten van de Hoge Raad van 30 juni 2009 kan worden afgeleid dat een verdachte die door de politie is aangehouden aan artikel 6 van het EVRM een aanspraak op rechtsbijstand kan ontlenen die inhoudt, dat hem de gelegenheid wordt geboden om voorafgaand aan het verhoor door de politie aangaande zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit een advocaat te raadplegen. Uit die rechtspraak kan niet worden afgeleid dat de verdachte recht heeft op aanwezigheid van een advocaat bij een politieverhoor, tenzij bijvoorbeeld sprake is van een aangehouden jeugdige verdachte.
De jurisprudentie van het EHRM biedt geen aanknopingspunten voor het standpunt dat de strafrechtelijke waarborgen zo ver gaan, dat bedoeld recht om een advocaat te consulteren ook moet gelden in een situatie waarin geen sprake is van een aangehouden verdachte op wie een vrijheidsbenemend dwangmiddel is toegepast.
BZK 2009/54
|
28-08-2009
De vrijlatings- en kortingssystematiek van de inkomsten uit arbeid van de inwonende studerende zoon van 18 jaar kan bij de toeslag (algemene bijstand) resp. overbruggingstoeslag (bijzondere bijstand) niet worden gehandhaafd (gemeente Breda) Bij de vaststelling van de toeslag wegens inwoning hanteert de gemeente voor inwonende meerderjarige kinderen een bepaald beleid via een normaal geldend vast vrijlatingsbedrag. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat de gemeente met dit beleid miskent dat meerderjarige inwonende kinderen die studeren én werken zich ook geconfronteerd zien met hogere uitgaven in verband met studiekosten, dan meerderjarige inwonende kinderen die alleen werken. Met deze studiekosten wordt door de gemeente in het beleid geen rekening gehouden. De voorzieningenrechter is derhalve voorshands van oordeel dat het gemeentelijk beleid op dit punt onredelijk is.
In het inkomen uit studiefinanciering zijn tegemoetkomingen begrepen voor directe studiekosten. Niet verwacht kan worden dat een studerend, niet in de bijstand begrepen kind, deze tegemoetkomingen aanwendt voor het delen van andere kosten met de in dezelfde woning wonende ouder.
De gemeente heeft bij de berekening van de toeslag en de overbruggingstoeslag ten onrechte het inkomen uit studiefinanciering van de zoon betrokken. Voorlopige voorziening toegekend.
BZK 2009/51
|
18-08-2009
Manuele therapie is volgens een bewuste keuze over de noodzakelijkheid buiten de voorliggende voorziening gelaten (artikel 15 WWB). Nu zeer dringende redenen ontbreken (artikel 16 WWB) kan geen bijzondere bijstand worden verleend (gemeente Amsterdam) Naar vaste rechtspraak worden voor de kosten van (para)medische zorg tot 1 januari 2006 de Ziekenfondswet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) in beginsel als aan de WWB voorliggende, toereikende en passende voorzieningen beschouwd. De Raad stelt vervolgens vast dat in het geval van betrokkene de kosten van manuele therapie - een gespecialiseerde vorm van fysiotherapie - niet worden vergoed op basis van de Regeling nu de aandoening van betrokkene niet voorkomt op de hiervoor genoemde “chronische lijst”.
Aan het buiten de voorziening laten van de kosten van fysiotherapie voor de niet op de “chronische lijst” voorkomende aandoeningen ligt een bewuste keuze over de noodzakelijkheid van de voorziening ten grondslag. Voor dit oordeel ziet de Raad voldoende aanknopingspunten in hetgeen is vermeld in de toelichting op de Regeling, waaruit blijkt dat bij de beslissing om de aanspraak op fysio- en oefentherapie te beperken zowel gekeken is naar de omvang en de noodzaak van de voorzieningen en naar de kwaliteitseisen die daaraan gesteld moeten worden als naar de betaalbaarheid.
Dit betekent wegens het ontbreken van zeer dringende redenen dat er voor de gemeente in beginsel geen ruimte is om de gevraagde bijzondere bijstand (2005) toe te kennen.
BZK 2009/50
|
18-08-2009
De verzwegen giften (totaal € 1.100 over drie maanden) zijn terecht op de bijstandsuitkering in mindering gebracht, met afstemming nihil (gemeente Amsterdam) Het college hanteert ten aanzien van de vraag of de giften uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn (en om die reden niet tot de middelen van de betrokkene worden gerekend) het beleid, dat een gift in aanmerking wordt genomen indien deze betrekking heeft op kosten die in de algemene bijstand zijn begrepen, de gift een vrij te besteden karakter heeft en de gift leidt tot een bestedingsniveau dat onverenigbaar is met wat op bijstandsniveau gebruikelijk is.
De Raad ziet geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van dit beleid had dienen af te wijken. De bedragen waren immers onmiskenbaar bedoeld om te worden aangewend voor de directe kosten van levensonderhoud en waren substantieel te noemen in verhouding tot de toepasselijke bijstandsnorm en de periode waarop zij betrekking hadden.
BZK 2009/53
|
11-08-2009
De uitvoering van de Wet Melding Ongebruikelijke Transacties (MOT-project)
is een passend en noodzakelijk middel om het beoogde doel, bestrijding van uitkeringsfraude, te bereiken. Indien en voor zover er met betrekking tot het MOT-project al sprake zou zijn van een indirect onderscheid tussen Antillianen en niet-Antillianen, is daarvoor een objectieve rechtvaardigingsgrond aanwezig (gemeente Rotterdam)
Gedurende twee maanden in 2004 heeft betrokkene in totaal zeven money transfers heeft verricht tot een bedrag van in totaal € 35.675,--. Gelet op het aantal transacties en de daarmee gemoeide bedragen is van op geld waardeerbare arbeid. Het moet betrokkene (een money mule die haar bankrekening tegen vergoeding heeft uitgeleend) redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat deze activiteiten van invloed konden zijn op haar recht op bijstand.
De inlichtingenplicht is geschonden. Gelet op BZK 2009/09 blijven de gevolgen voor eigen rekening en is de bijstand over deze twee maanden terecht ingetrokken resp. teruggevorderd.
BZK 2009/49
|
04-08-2009
Het onrechtmatig verkregen bewijs i.v.m. onderzoek hennepkwekerij moet worden uitgesloten. In verband hiermee kan de intrekking van bijstand niet worden gehandhaafd en is voor terugvordering geen plaats (gemeente Amsterdam) Volgens de Rechtbank Amsterdam is het uit het huisbezoek verkregen bewijs onrechtmatig omdat een redelijke grond voor het afleggen van dit bezoek ontbrak en betrokkene er niet op is gewezen dat het niet meewerken aan een huisbezoek geen (directe) consequenties heeft voor de bijstandsverlening. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het huisbezoek een “beperkte impact” op betrokkene lijkt te hebben gehad omdat hij toestemming voor dit bezoek heeft gegeven en eerst ter zitting van de rechtbank heeft aangevoerd dat sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs. Gelet hierop heeft de rechtbank geoordeeld dat het uit het huisbezoek verkregen bewijs ten grondslag kan worden gelegd aan de intrekking van de bijstand en dat het college compensatie moet bieden door matiging van het bedrag van de terugvordering (BZK 2008/14).
De resultaten van het onderzoek moeten volgens de Raad worden bestempeld als onrechtmatig verkregen bewijs. Ander bewijs is niet voorhanden. Hieruit volgt dat de rechtbank volgens de Raad ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat de bijstand terecht is ingetrokken en dat de terugvordering diende te worden gematigd.
BZK 2009/47
|
04-08-2009
Ten onrechte is geen besluit genomen over de wijze van terugvordering (gemeente Beuningen) In artikel 60, eerste lid (tekst tot 1 juli 2009), WWB is dwingend voorgeschreven dat het besluit tot terugvordering van kosten van bijstand niet alleen vermeldt hetgeen teruggevorderd wordt maar ook de termijn of de termijnen waarbinnen moet worden betaald, alsmede de wijze waarop het besluit, bij gebreke van tijdige betaling, ten uitvoer wordt gelegd.
Door niet uiterlijk in het besluit op bezwaar hierover uitsluitsel te geven, heeft het college in strijd gehandeld met deze bepaling. Dit wordt niet anders door de omstandigheid dat volgens het college hangende bezwaar door betrokkenen met een ingevuld vragenformulier met bijlagen onvoldoende informatie was verstrekt om het af te lossen bedrag goed te kunnen bepalen. In een dergelijke situatie ligt het in de rede eerst aan betrokkenen kenbaar te maken welke aanvullende informatie nog nodig is en, wanneer ook die aanvullende informatie uitblijft, uitdrukkelijk in het besluit op bezwaar te vermelden welke consequenties dat heeft voor de wijze van terugvordering.
BZK 2009/48
|
28-07-2009
De extra kosten (vrijwillige ouderbijdrage) verbonden aan het volgen van tweetalig voortgezet onderwijs kunnen niet worden aangemerkt als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB (gemeente Utrechtse Heuvelrug) De Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten voorziet in een tegemoetkoming aan ouders van leerlingen in de leeftijd tot 18 jaar die voortgezet onderwijs volgen. De hoogte van de tegemoetkoming is genormeerd in ter uitvoering van die wet getroffen ministeriële regelingen. Aan het aanbieden en verzorgen van tweetalig voortgezet onderwijs zijn hogere kosten verbonden, waarvoor de school extra bijdragen heeft gevraagd. Van een noodzaak om deze specifieke vorm van voortgezet onderwijs te volgen is geen sprake.
BZK 2009/45
|
28-07-2009
Op basis van psychologisch onderzoek mag in dit geval geen verplichting sociale activering/vrijwilligerswerk worden opgelegd (gemeente Amsterdam) De aanwijzing van het project waaraan betrokkene moet deelnemen houdt in dit geval een nadere concretisering in van de in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB neergelegde reïntegratieverplichting. Hierbij acht de Raad vooral van betekenis dat betrokkene is aangemeld voor een concreet omschreven project, zoals aangeboden en ingevuld door het betrokken projectbureau. Deze mededeling moet worden gezien als een besluit met rechtsgevolg.
In de rapportage van het psychologisch onderzoek wordt zonder voorbehoud geconcludeerd dat betrokkene niet belastbaar is voor een traject sociale activering. Aangezien uit het primaire besluit duidelijk blijkt dat het project waarvoor betrokkene is aangemeld gericht is op sociale activering, ziet de Raad geen reden om aan te nemen dat zij wel belastbaar moet worden geacht voor het project. De opmerking in de rapportage dat betrokkene eventueel meer structuur in haar leven zou kunnen krijgen door een paar uur per dag vrijwilligerswerk te verrichten doet niet aan de stellige conclusie van de rapportage af. Bestreden besluit vernietigd aangezien de nadelige gevolgen voor betrokkene niet onevenredig mogen zijn.
BZK 2009/52
|
21-07-2009
Het stellen van vragen aan de deur is geen huisbezoek. De weergave van de eigen verklaring schiet tekort in duidelijkheid en betrouwbaarheid (gemeente Den Haag) Niet is gebleken dat de woning is binnengetreden. In zoverre kan geen sprake zijn van schending van het huisrecht. Het stellen van vragen aan de deur omtrent de feitelijke bewoning en het registreren van antwoorden daarop van degene die op aanbellen opendoet, is geen huisbezoek. Reeds daarom kan de aldus verkregen informatie niet gelden als verkregen door schending van artikel 8 EVRM.
Naar vaste rechtspraak van de Raad kan aan het ontbreken van de cautie slechts worden voorbijgezien indien voor het afleggen van het huisbezoek een redelijke grond aanwezig was, zoals in dit geval.
De van betrokkene opgenomen verklaring is opgenomen in de tijdens het huisbezoek ingevulde checklist huisbezoeken. Deze checklist is op geen enkele plaats door de betrokken ambtenaren ondertekend. Mede daardoor is ook niet duidelijk wie van de betrokken ambtenaren de verklaring heeft opgeschreven.
De getypte versie van de eigen verklaring wijkt af van de handgeschreven versie. De wijze van schriftelijk weergeven van de verklaring schiet tekort in duidelijkheid en betrouwbaarheid, bijvoorbeeld afgezet tegenover een verklaring die in een verhoor- of spreekkamer is opgenomen, is uitgetypt en vervolgens door betrokkene is gelezen en ondertekend. Het college heeft door de wijze waarop de verklaring van betrokkene is opgenomen en weergegeven, gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die van een bestuursorgaan verwacht mag worden bij het onderzoek naar de relevante feiten en omstandigheden. Hoger beroep gegrond verklaard.
BZK 2009/44
|
21-07-2009
Betrokkene heeft na het overlijden van haar vader berust in de feitelijke verdeling ten gunste van haar moeder. Zij verkeerde na twintig jaar niet in de positie dat zij alsnog scheiding en deling van de onverdeelde nalatenschap kon verlangen om over haar aandeel te beschikken. De bijstand is ten onrechte ingetrokken en teruggevorderd (gemeente Groningen) Betrokkene is met broer en zus wegens overlijden van haar vader erfgenaam in een nalatenschap, welke bestond uit de onverdeelde helft in een gemeenschap van goederen. Het zuiver saldo van de nalatenschap bedroeg ƒ 3.523,-- negatief. Door het overlijden werden de moeder en de kinderen van rechtswege gezamenlijk gerechtigd tot de activa van de onverdeeldheid, waaronder vier panden. De kadastrale registratie is hiermee in overeenstemming.
De moeder heeft alle activa van de onverdeeldheid tot zich genomen en alle daartoe behorende schulden en lasten voor haar rekening genomen en als de hare voldaan. De kinderen hebben hierin steeds berust omdat sprake was van een negatief saldo en ook om hun moeder in staat te stellen in haar levensonderhoud te blijven voorzien.
Nu zowel de moeder als de kinderen zich na het overlijden van de vader steeds, onderling overeenstemmend, hebben gedragen alsof alle activa en passiva aan de moeder waren toebedeeld - hetgeen alleen niet in de kadastrale registratie is geformaliseerd - kan niet gesteld worden dat betrokkene ruim twintig jaar later, toen zij bijstand aanvroeg, in de positie verkeerde dat zij scheiding en deling van de onverdeelde nalatenschap kon verlangen om zodoende over haar aandeel te kunnen beschikken.
Dit betekent dat betrokkene in dit specifieke geval ten tijde in geding niet geacht kon worden te beschikken of redelijkerwijs te kunnen beschikken over middelen gebonden in de vier panden. Hetgeen intrekking en terugvordering in de weg staat.
BZK 2009/46
|
20-07-2009
De wet biedt voldoende grondslag voor het verrichten van een buurtonderzoek in het kader van de opsporing van bijstandsfraude, voor zover door dit onderzoek een beperkte inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer. Dit ligt anders voor verdergaande inbreuken daarop (Openbaar Ministerie Amsterdam) Deze verdachte wordt beschuldigd van bijstandsfraude, omdat hij zou hebben verzwegen dat hij in werkelijkheid op een ander adres woonde dan het adres dat hij bij de Sociale Dienst had opgegeven als zijn verblijfadres. In het voorbereidend onderzoek heeft een sociaal rechercheur van de gemeente Amsterdam een buurtonderzoek uitgevoerd.
De advocaat van de verdachte heeft aangevoerd dat dit buurtonderzoek onrechtmatig zou zijn. Hij heeft verwezen naar een mondelinge uitspraak van de Politierechter Amsterdam van 22 mei 2009, waarin is bepaald dat het buurtonderzoek in strijd is met de wet. [Vgl. Persbericht Bijstandsbond: sensationele uitspraak rechter. Buurtonderzoek handhavers bij onderzoek naar fraude en bij huisbezoeken onrechtmatig]. Ook heeft hij verwezen naar het wetsvoorstel regeling huisbezoek (nr. 31929).
De meervoudige kamer van de rechtbank ziet dit anders. Feitelijk komt een buurtonderzoek neer op het horen van getuigen. De wet verleent sociaal rechercheurs wél de bevoegdheid om in het kader van het opsporen van mogelijke bijstandsfraude getuigen te horen. Ook de staatssecretaris SZW ziet volgens de beantwoording d.d. 15 juni 2009 van vragen uit de Tweede Kamer een wettelijke grondslag. Dit in afwijking van het nader rapport d.d. 14 april 2009 inzake het wetsvoorstel regeling huisbezoek (nr. 31929).
Het is vaste rechtspraak dat op basis van de algemene opsporingsbevoegdheid ook opsporingshandelingen mogen worden verricht die slechts een beperkte inbreuk maken op de privacy van de verdachte. In zoverre biedt de wet voldoende basis voor het verrichten van een buurtonderzoek, mits een niet meer dan beperkte inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer.
Dit kan anders zijn indien het buurtonderzoek een meer dan beperkte inbreuk maakt op de privacy van de verdachte. In dat geval vereist het systeem van EVRM en Sv. dat er in de wet een specifieke wettelijke basis is vastgelegd, die het uitvoeren van een buurtonderzoek mogelijk maakt. De nationale wetgeving ontbeert een specifieke wettelijke grondslag voor het uitvoeren van een buurtonderzoek.
De grens van de beperkte inbreuk wordt in elk geval overschreden indien het inwinnen van informatie in het buurtonderzoek een stelselmatig karakter draagt en/of indien daarmee anderszins een min of meer volledig beeld wordt verkregen van bepaalde aspecten van het privéleven. Bedoelde grens is in dit geval niet overschreden. De bevindingen uit het buurtonderzoek mogen worden gebruikt voor het bewijs.
Geldboete van 200 euro opgelegd wegens het plegen van bijstandsfraude.
BZK 2009/42
|
14-07-2009
Hoe betrokkene zijn leefgedrag ten aanzien van voedselvoorziening, hygiëne en vrijetijdsbesteding heeft ingericht, en wiens hulp en diensten hij daarbij inroept, is op zichzelf niet van doorslaggevend belang voor de vraag of hij op het opgegeven adres woont (gemeente Tilburg) Betrokkene heeft bij zijn aanvraag een huurovereenkomst en kwitanties van huurbetalingen overgelegd. Voorts blijkt uit zijn financiële administratie dat hij op het opgegeven adres zijn bankafschriften en de correspondentie van de UWV ontving, en dat dit adres bij zijn werkgevers als woonadres bekend was. Ook voor het College bleek hij op dit adres vrijwel onmiddellijk schriftelijk bereikbaar. Bij het gesprek voorafgaande aan het huisbezoek beschikte hij over de sleutels van voor- en kamerdeur van de woning. Met deze sleutels verschafte hij zich ook toegang. Bij het huisbezoek bleek de kamer van betrokkene gemeubileerd. Er bleek enige kleding aanwezig, scheerspullen en een tandenborstel, alsmede een fles water en sinas in de koelkast, en een pak biscuitjes boven op de koelkast.
Betrokkene heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij ten tijde in geding zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres.
BZK 2009/39
|
14-07-2009
De beleidsregel om bijzondere bijstand in natura te verstrekken via de firma Doorman (huishoudelijke apparatuur) is in strijd met de wet (gemeente Nijmegen) De beleidsregel op grond waarvan het toegekende geldbedrag in alle gevallen rechtstreeks wordt betaald aan één door de gemeente geselecteerde leverancier die betrokkene vervolgens voorziet van de toegekende duurzame gebruiksgoederen, leidt tot een situatie die op één lijn moet worden gesteld met het verstrekken van bijstand in natura, bedoeld in artikel 57, aanhef en onder b, van de WWB. In dit verband verwijst de rechtbank naar de geschiedenis van totstandkoming. Hieruit volgt dat een situatie waarbij de bijstand zelf in de vorm van een geldbedrag wordt toegekend en aan dat geldbedrag een bepaalde bestedingsverplichting wordt verbonden, een afgeleide vorm van bijstand in natura is. De rechtbank acht de handelwijze van de gemeente in strijd met de wet. BZK 2009/40
|
07-07-2009
Van geen van de drie aangeboden vacatures kan worden gezegd dat sprake is geweest van bemiddeling naar een concrete dienstbetrekking. Deze maatregel is niet terecht opgelegd (gemeente Leiden) Betrokkene is aangemerkt als arbeidsgehandicapte in de zin van de Wet op de (re-)integratie arbeidsgehandicapten, waarbij is vastgesteld dat zij is aangewezen op licht belastend werk voor maximaal 6 uur per dag en 30 uur per week. Omdat zij niet heeft meegewerkt aan bemiddeling naar drie daadwerkelijk beschikbare en voor betrokkene geschikte functies is een maatregel opgelegd.
Uit de beschikbare gegevens heeft de Raad echter niet kunnen afleiden dat er sprake is geweest van (enige) bemiddeling door het reïntegratiebedrijf Serin. Het louter aanbieden van een vacature, zonder verdere op bemiddeling gerichte activiteiten te verrichten, kan niet worden gekwalificeerd als “bemiddelen” als bedoeld in de Maatregelenverordening, zodat de verordening toepassing mist. Maatregel herroepen.
BZK 2009/38
|
07-07-2009
Uit een oogpunt van een evenwichtige bewijslastverdeling en gelet op de beschikbare onderzoeksmogelijkheden van het bestuursorgaan ligt het op de weg van de gemeente om in het kader van het onderzoek naar een belastingsignaal bij het uitzendbureau als werkgever naast de loongegevens ook de naam van de inlener op te vragen (gemeente Den Helder) De Raad stelt voorop dat het hier gaat om de herziening van een besluit tot toekenning van bijstand, een voor appellante belastend besluit. Dit brengt mee dat het aan het College van Den Helder is om de nodige kennis te vergaren over relevante feiten en omstandigheden en dat op het college de bewijslast rust ten aanzien van de vraag of is voldaan aan de voorwaarden om tot herziening over te gaan.
In recente jurisprudentie heeft de Raad tot uitdrukking gebracht dat het uit een oogpunt van een evenwichtige bewijslastverdeling en gelet op de aan het college als bestuursorgaan ter beschikking staande onderzoeksmogelijkheden op de weg van het college ligt om in het kader van het onderzoek naar een belastingsignaal bij het uitzendbureau als werkgever naast de loongegevens ook de naam van de inlener op te vragen. Op grond van een en ander is de Raad met betrokkene van oordeel dat het college te kort geschoten in de voldoening aan de op hem rustende onderzoeksplicht.
BZK 2009/43
|
07-07-2009
De zeer dringende redenen kunnen in dit geval van een vreemdeling niet volgens artikel 16, tweede lid, WWB buiten toepassing worden gelaten wegens strijd met artikel 8 EVRM (gemeente Apeldoorn) In dit geval bestaat een redelijke mate van waarschijnlijkheid dat in de bodemzaak de Raad zal oordelen, dat betrokkene (afkomstig uit Turkije en staatloos) verkeert in een acute noodsituatie. De behoeftige omstandigheden waarin hij verkeert zijn op geen enkele ander wijze dan door verlening van bijstand te verhelpen, zodat sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB.
De weigering van bijstand heeft in de gegeven omstandigheden tot effect dat de normale ontwikkeling van het privé- en gezinsleven van betrokkene onmogelijk wordt gemaakt (vgl. het arrest van het EHRM van 3 mei 2001, in de zaak Domenech Pardo vs Spanje, nr. 55996/00). Sprake is van een zodanige aantasting van de "very essence" van artikel 8 EVRM, dat dit zou moeten leiden tot de positieve verplichting van de Staat om bijstand te verlenen. Het in stand laten van de afwijzing van bijstand zou tot gevolg hebben dat geen sprake is van een "fair balance" tussen de met het koppelingsbeginsel nagestreefde publieke belangen en de particuliere belangen van betrokkene.
Er bestaat een redelijke mate van waarschijnlijkheid dat de Raad artikel 16, tweede lid, van de WWB in de hier aan de orde zijnde bodemzaak wegens strijd met artikel 8 EVRM buiten toepassing zal moeten laten. Voorlopige voorziening getroffen.
BZK 2009/55
|
30-06-2009
Bij de afwijzing is ten onrechte rekening gehouden met het inkomen van de inwonende meerderjarige zoon (gemeente Arnhem) Volgens de gemeente moet voor de beoordeling van de vraag of het inkomen van betrokkene hoger is geweest dan de bijstandsnorm de inkomsten van zijn meerderjarige zoon mede in aanmerking worden genomen. Dit standpunt vindt echter geen steun in de wet. Tot het inkomen in de zin van artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB dient te worden gerekend het netto-inkomen zoals dat feitelijk is ontvangen, plus een eventuele vakantietoeslag ter zake van dat inkomen. Daarbij gaat het om het inkomen van de persoon van de aanvrager. Naar het oordeel van de Raad is het in strijd met artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB om de inkomsten van de meerderjarige zoon te rekenen tot het inkomen van betrokkene. Ook de verstrekking van bijzondere bijstand (als garantietoeslag) staat de langdurigheidstoeslag niet in de weg. BZK 2009/37
|
25-06-2009
In de kosten van onderbewindstelling wordt bijzondere bijstand verleend (gemeente Weststellingwerf) Vaststaat dat de bewindvoerder de onderhavige kosten van bewindvoering heeft berekend overeenkomstig de aanbevelingen van het LOK. Aangenomen moet worden dat die kosten rechtens juist en aanvaardbaar (zullen) zijn. Hieruit volgt dat deze kosten uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan zijn.
Nu het college de inkomens- en vermogenspositie van betrokkene niet heeft weersproken en ook anderszins niet is gebleken dat hij de kosten van de bewindvoering kon betalen, stelt de rechtbank vast dat betrokkene niet beschikte over middelen om deze kosten te voldoen.
Het enkele feit dat de bewindvoerder de kantonrechter had kunnen verzoeken om de beloning anders vast te stellen brengt niet mee dat de kosten van de bewindvoering niet als noodzakelijke kosten in de zin van de WWB kunnen worden beschouwd.
BZK 2009/35
|
16-06-2009
Bij de draagkrachtberekening mag rekening worden gehouden met inmiddels gevormde waardestijging op de woning wegens het actualiteitsbeginsel van de WWB (gemeente Zutphen) Anders dan betrokkene is de Raad van oordeel dat de waardevermeerdering van een woning kan niet op een lijn worden gesteld met buiten beschouwing te laten spaargeld opgebouwd tijdens de periode waarin bijstand wordt ontvangen als bedoeld in artikel 34, tweede lid, aanhef en onder c, van de WWB.
Anders dan betrokkene is de Raad van oordeel dat verdere bezwaring van de woning teneinde de kosten waarvoor bijzondere bijstand is gevraagd te voldoen, in redelijkheid van hem kon worden gevergd. De Raad wijst in dit verband op het uitgangspunt van de WWB dat een ieder primair zelf verantwoordelijk is voor de voorziening in het bestaan en op het complementaire karakter van de bijstand.
Aan de WWB ligt ook het zogeheten actualiteitsbeginsel ten grondslag. Dit beginsel leidt er toe dat bij de toepassing van de WWB geen rekening wordt gehouden met wat er in de toekomst zou kunnen gebeuren in geval van een eventuele waardedaling van de woning tot beneden 75% van de executiewaarde. Het betekent eveneens dat in het kader van de beoordeling of verdere bezwaring redelijkerwijs van betrokkene kon worden gevergd geen gewicht toekomt aan zijn wens de overwaarde aan te wenden als een aanvulling op zijn toekomstige oudedagsvoorziening. Of na het draagkrachtjaar kosten wegens noodzakelijk groot onderhoud van de woning moeten worden gemaakt is in het kader van deze beoordeling evenmin relevant.
Er is geen wettelijke bepaling aan te wijzen die er aan in de weg staat om ook de draagkracht uit vermogen als in artikel 35 van de WWB bedoeld van jaar tot jaar vast te stellen. De Raad wijst er op dat toetsing aan artikel 50 van de WWB niet alleen plaatsvindt bij een eerste beoordeling van de aanspraak op bijstand van een belanghebbende die eigenaar is van een door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning. Die toets kan opnieuw worden gedaan indien, zoals in dit geval, opnieuw bijzondere bijstand wordt gevraagd in aansluiting op een eerdere, in tijd beperkte, periode waarover bijzondere bijstand is verleend.
BZK 2009/33
|
09-06-2009
Omdat betrokkene zich niet heeft aangesloten bij een collectieve ziektekostenverzekering komt hij niet in aanmerking voor categoriale bijstand. In deze situatie behoren de kosten van de individuele aanvullende verzekering niet tot de algemene bestaanskosten (ISD Walcheren) Aan artikel 10, tweede lid, van de IWWB kan betrokkene geen aanspraak op categoriale bijstand ontlenen, nu hij zich niet heeft aangesloten bij een collectieve aanvullende ziektekostenverzekering. Nu hij zich individueel heeft verzekerd, voldoet hij niet aan de in artikel 10, tweede lid, van de IWWB, gestelde voorwaarde dat sprake moet zijn van een collectieve verzekering.
Ten onrechte is niet onderzocht heeft of betrokkene recht heeft op bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB in de kosten van zijn individuele aanvullende ziektekostenverzekering.
Bij het nieuwe te nemen besluit op bezwaar zal de gemeente mede aandacht moeten besteden aan de vraag of van betrokkene, gezien de polisvoorwaarden en het risico van uitsluiting, kan worden gevergd dat hij zijn eigen verzekering opzegt en zich aansluit bij de collectieve verzekering van de gemeente.
Met het feit dat in de vorm van een collectieve aanvullende ziektekostenverzekering categoriale bijstand kan worden verleend, is gegeven dat de kosten van een (individuele) aanvullende ziektekostenverzekering niet behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan.
BZK 2009/34
|
04-06-2009
Bijzondere omstandigheden. Toelating tot WSNP is mede afhankelijk van het feit of recentelijk nieuwe schulden zijn gemaakt (gemeente Amsterdam) De gemeente heeft leenbijstand verstrekt overeenkomstig www.werkvoorschriftenwwb.nl. Het enkele bestaan van een hoge schuldenlast brengt als regel niet mee dat de bijstand om niet moet worden verleend. Betrokkene heeft echter een contract schuldhulpverlening overgelegd (Stichting Doras te Amsterdam) waaruit blijkt dat zij geen nieuwe schulden mag maken in het kader van een WSNP-traject.
De gemeente heeft onvoldoende gemotiveerd waarom zich geen bijzondere omstandigheden voordoen die hadden moeten leiden tot bijstandsverlening om niet. Hierbij neemt de rechtbank nog in aanmerking dat blijkens het bestreden besluit onder meer het bestaan van de hoge schuldenlast reden is geweest om de bijzondere bijstand te verstrekken.
BZK 2009/36
|
02-06-2009
Volgens een deskundigenrapport, in afwijking van het CIZ, is aannemelijk dat betrokkene in een psychiatrisch ernstige toestand komt waar door zorg van een instelling noodzakelijk is. De zorgbehoefte volgens art. 3, tweede lid, WWB is voldoende aangetoond (gemeente Haarlemmermeer) Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit de rapportage van de deskundige en uit diens antwoorden op de gestelde vragen, dat bij betrokkene sprake is van objectief aangetoonde psychiatrische problematiek.
Anders dan de indicatiesteller van het CIZ aangeeft, is de voorzieningenrechter voorts van oordeel dat het in het specifieke geval van eiseres niet strijdig is met de wijze waarop in de regel zorgbehoefte wordt geïndiceerd, door in haar geval bij deze indicatie uit te gaan van een hypothetische situatie. Wat zal er gebeuren als betrokkene alleen komt te staan ? Uit de rapportage van de deskundige blijkt, en de indicatiesteller van het CIZ onderschrijft dit, zal vanuit het beperkte copingsmechanisme van betrokkene en haar voorgeschiedenis zich een dusdanige dynamiek gaan ontwikkelen, dat zij in een psychiatrisch ernstige toestand komt die dusdanig is, dat zorgbehoefte van een instelling noodzakelijk is. Dit duidt erop dat er ook nu sprake is van een zorgbehoefte, waarin op dit moment de zuster van betrokkene voorziet.
BZK 2009/32
|
20-05-2009
Betrokkene voldoet niet aan de werkinstructie voor een uitstroompremie. Aangezien de werkinstructie niet past in de beleidsregels van de raad is de afwijzing onvoldoende gemotiveerd (gemeente Heerlen) Deze gemeente heeft voor de vaststelling van uitstroompremie regels vastgesteld in de Reintegratieverordening, beleidsregels en een werkinstructie. De uitstroom moet wel duurzaam zijn, daarom is besloten om de premie toe te kennen als de cliënt binnen 6 maanden na werkaanvaarding geen nieuw beroep op de bijstand doet. Hieraan voldoet betrokkene niet.
Het college heeft met zijn werkinstructie de door de gemeenteraad vastgestelde beleidsregels ingeperkt. Deze werkinstructie is ook niet gepubliceerd. Hierbij merkt de rechtbank op dat ook al was de werkinstructie wel gepubliceerd, zulks niet afdoet aan het feit dat het college niet met voorbijgaan van de gemeenteraad de door de raad vastgestelde beleidsregels verder kan inperken. De afwijzing is niet toereikend gemotiveerd.
BZK 2009/30
|
20-05-2009
De gemeente heeft zijn terugvorderingsbevoegdheid (wegens een verzwegen gezamenlijke huishouding) niet op zorgvuldige wijze voorbereid en onvoldoende gemotiveerd (gemeente Oldambt)
De gemeente heeft zich niet zonder meer op het standpunt kunnen stellen, mede in het licht van de verklaring van de huisarts waaruit kan worden afgeleid dat van de medische situatie van betrokkene verslechtert onder invloed van de financiële problemen, dat er geen causaal verband bestaat tussen de medische- en de financiële situatie van betrokkene.
Bovendien acht de rechtbank het - gelet op het ziektebeeld - aannemelijk dat de medische situatie van betrokkene in de toekomst alleen maar zal verslechteren, zodat ook om die reden van een uitzichtloze situatie gesproken zou kunnen worden.
De gemeente heeft zich dan ook onvoldoende een oordeel gevormd over de vraag of, bezien in het licht van de ziekte van betrokkene en zijn financiële situatie, sprake is van een uitzichtloze situatie die dermate ingrijpend is, dat van terugvordering dient te worden afgezien. Daaraan doet niet af dat de diagnose preseniele dementie nog niet gesteld was in de periode waarover terugvordering plaatsvindt.
BZK 2009/31
|
19-05-2009
Intrekking en terugvordering (wegens een verzwegen gezamenlijke huishouding) houdt geen strafrechtelijke procedure in, zodat de beschermende werking van artikel 6 EVRM zich niet tot betrokkene uitstrekt (gemeente Stadskanaal) De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat, als uitvloeisel van de arresten van het Europees Hof, de verklaring die betrokkene ten overstaan van de sociaal rechercheurs heeft afgelegd niet als ondersteuning voor de besluitvorming van het College gebruikt zou kunnen worden omdat niet vanaf de aanvang van het onderzoek een raadsman aanwezig is geweest.
Nog daargelaten of een dergelijk recht in die vorm zonder meer voortvloeit uit de genoemde arresten, wijst de Raad erop dat het in een zaak als de onderhavige, waarin intrekking en terugvordering van bijstand aan de orde is, niet gaat om een strafrechtelijke procedure, zodat de beschermende werking van artikel 6, derde lid, van het EVRM zich niet tot appellante uitstrekt.
Voor zover het betoog erop neerkomt dat vanwege schending van artikel 6, derde lid, van het EVRM in de strafrechtelijke procedure, het mede daardoor verkregen bewijs niet door het College in de onderhavige procedure kan worden benut, wijst de Raad op zijn vaste rechtspraak inzake onrechtmatige overheidsdaad. Er is geen sprake van dat de hier gehanteerde verklaring op een dergelijke wijze is verkregen. BZK 2009/29
|
12-05-2009
Gelet op de problematische gezinssituatie had de ontheffing van de arbeidsverplichting tijdelijk moeten worden gecontinueerd (gemeente Amsterdam) Onder deze omstandigheden getuigt het van weinig realiteitszin om betrokkene een arbeidsverplichting, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, WWB, op te leggen van 16 uur per week. Het standpunt dat de arbeidsplicht van betrokkene, zolang zij de intensieve taalcursus volgt, slechts latent aanwezig is, kan de Raad niet volgen.
Het College had in dit geval de ontheffing van die verplichtingen tijdelijk moeten continueren en zich vooralsnog - hooguit - moeten beperken tot het opleggen van de verplichting om gebruik te maken van de op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB aangeboden voorziening in de vorm van het volgen van een taalcursus, voor zover de thuissituatie dit redelijkerwijs toeliet.
BZK 2009/27
|
12-05-2009
Het normbedrag aan bijstand mag als gevolg van de schoolverlaterskorting niet lager uitkomen dan het normbedrag voor de uitwonende student beroepsonderwijs op grond van de WSF 2000 (gemeente Arnhem) In de wetsgeschiedenis op artikel 28 WWB is vermeld dat de invloed van inkomsten naast de studiefinanciering van de belanghebbende in het kader van de schoolverlaterkorting geen rol speelt. Het toepassen van de schoolverlaterkorting leidt er in dit geval echter toe dat het bedrag aan bijstand, dat aan betrokkene per maand is toegekend, lager is dan de norm die hij als uitwonende student beroepsonderwijs op grond van de WSF 2000 ontving. De Raad is van oordeel dat deze situatie niet een situatie is als bedoeld in de wetsgeschiedenis.
Van een dergelijke verlaging van de norm kan niet worden gezegd dat deze nog aansluit bij noodzakelijke bestaanskosten van betrokkene. Het had dan ook op de weg van het College gelegen om in het onderhavige geval, met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de WWB, de bijstand vast te stellen naar de norm voor een uitwonende student beroepsonderwijs.
BZK 2009/28
|
29-04-2009
Bij de bevoegdheid tot intrekking (artikel 54 WWB) hoort een beoordeling om van intrekking met terugwerkende kracht af te zien op grond van een individuele afweging van feiten en omstandigheden (gemeente Sluis) De Raad heeft overwogen dat voor het ontstaan van de bevoegdheid om het toekenningsbesluit in te trekken voldoende is de feitelijke vaststelling dat betrokkene met ingang van die datum geen woonplaats meer had in de gemeente.
Voor die vaststelling zijn de achtergronden van haar vertrek niet relevant. Die achtergronden zijn echter wel degelijk relevant voor de beoordeling of er in redelijkheid ook van die bevoegdheid gebruik kan worden gemaakt of dat er sprake is van een dringende reden om af te zien van herziening of intrekking.
BZK 2009/26
|
28-04-2009
Uitsluitend voor een te lange bezwaarfase, zonder beroep op de rechter, is de gemeente volgens artikel 6 EVRM niet schadeplichtig (gemeente Sittard-Geleen) Artikel 6 EVRM heeft betrekking op de behandeling binnen een redelijke termijn door de rechter, en niet door het bestuursorgaan.
Zoals de Raad heeft overwogen in CRvB 26 januari 2009 nr. 05/1789 WAO, LJN BH1009, is daarbij van belang dat de bezwaarfase een in beginsel verplichte procedure is voor de behandeling van een tussen partijen bestaand geschil, die moet worden gevolgd alvorens de belanghebbende dit geschil aan de rechter kan voorleggen. Op deze grond wordt een bestuursorgaan in voorkomende gevallen veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens zijn aandeel (als gevolg van een te lange behandelingsduur in de bezwaarfase) in de overschrijding van de redelijke termijn in de procedure als geheel.
Aan artikel 6 van het EVRM kan geen aanspraak op schadevergoeding worden ontleend in de situatie dat sprake is van een (te) lange behandelingsduur in de bezwaarfase, zonder dat het geschil daarna aan de rechter is voorgelegd.
BZK 2009/24
|
28-04-2009
Gelet op de feitelijke omstandigheden dient het college uit te gaan van de noodzakelijkheid van de gemaakte kosten van griffierecht (gemeente Renkum) Volgens vaste rechtspraak kan de noodzaak voor het maken van kosten van griffierecht in beginsel worden aangenomen indien krachtens toevoeging rechtsbijstand is verleend. Indien - zoals in dit geval- van een toevoeging geen sprake is, dient het bijstandsverlenend orgaan zich aan de hand van de zich in concreto voordoende omstandigheden zelfstandig een oordeel te vormen over de noodzaak van de gevoerde procedure. BZK 2009/25
|
21-04-2009
Anders dan voorheen moet de gemeente bij terugvordering wegens oververmogen uit oogpunt van een redelijke beleidsbepaling rekening houden met het evenredigheidsbeginsel, hetgeen aanleiding kan zijn voor matiging (gemeente Rijswijk) Deze overleden oma heeft gespaard voor haar kleinkinderen. Betrokkene verzweeg over de bijstandsperiode 1997/2005 de en/of rekening van haar moeder met een oververmogen van Euro 578. De gemeente vorderde over de bijstandsperiode Euro 79.804 terug. Bevestigd wordt door de Raad de vaste jurisprudentie inzake tenaamstelling bankrekening volgens de vermogenstoets WWB. Aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan.
Ten aanzien van terugvordering bij vermogen boven de toepasselijke vrijlatingsgrens is door het College van de gemeente Rijswijk geen specifiek beleid ontwikkeld of geformuleerd. Dit betekent dat hantering van het terugvorderingsbeleid bij vermogen boven de vrijlatingsgrens tot uitkomsten kan leiden die voor de betrokkene(n) onevenredig zijn in verhouding tot het doel dat kennelijk met dat beleid wordt beoogd, te weten: het ongedaan maken van de financiële gevolgen van inlichtingenverzuim of van het niet of niet juist verwerken van eerder wel verstrekte gegevens. Daarvan zal in situaties van inlichtingenverzuim sprake zijn indien de betrokkene aannemelijk maakt dat over (een gedeelte van) de periode van de terugvordering wel bijstand zou zijn verleend wanneer de door hem voor het verlenen of voortzetten van de bijstand van belang zijnde inlichtingen juist en volledig waren geweest. In situaties van het niet of niet juist verwerken van wel verstrekte gegevens zal daarvan sprake zijn indien aannemelijk is dat over (een gedeelte van) de periode van de terugvordering wel bijstand zou zijn verleend wanneer die gegevens correct zouden zijn verwerkt.
Anders dan voorheen meent de Raad dat een beleid, zoals door het College gevoerd, dat - buiten de twee wel in de beleidsregels genoemde uitzonderingssituaties - niet ook voor beide laatstgenoemde situaties voorziet in een uitzondering op het uitgangspunt van volledige terugvordering van kosten van bijstand, de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten gaat.
Voor de goede orde merkt de Raad nog op dat wanneer beleidsregels ter zake van terugvordering (nog) niet voorzien in dergelijke nuanceringen dit slechts relevant is voor gevallen waarin terugvordering van bijstand is gebaseerd op overschrijding van de vermogensgrens en dat toetsing van de rechtmatigheid van dergelijke beleidsregels als zodanig zal moeten plaatsvinden indien, zoals in dit geval, de beroepsgronden daartoe aanleiding geven. Bestaat daartoe geen aanleiding en is aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB voldaan, dan kan de bestuursrechter volstaan met de toets of overeenkomstig de beleidsregels is gehandeld alsmede of in hetgeen is aangevoerd bijzondere omstandigheden zijn gelegen die het College tot afwijking daarvan ten gunste van belanghebbende hadden behoren te leiden.
BZK 2009/18
|
07-04-2009
Hoewel het in dit geval een belastingsignaal betreft waarop de gemeente in principe mag afgaan, is in deze uitzendsituatie sprake van tegenstrijdigheden die de gemeente aanvullend had moeten onderzoeken (gemeente Den Haag) Na de ontvangst van een belastingsignaal en op basis van summiere gegevens van het uitzendbureau had de gemeente meer loongegevens alsmede - nu het een uitzendsituatie betreft - de naam van de inlener(s) moeten opvragen en zo nodig een ander gegevensbestand, zoals het Suwinet, behoren te raadplegen. Door dit na te laten is de gemeente tekort geschoten in de onderzoeksplicht. BZK 2009/23
|
01-04-2009
Nu het contract is beëindigd wegens de economische crisis is er geen reden tot afstemming (gemeente Terneuzen) Aan deze maatregel heeft de gemeente ten grondslag gelegd dat betrokkene niet-verzekeringsplichtige werkzaamheden heeft aanvaard in Engeland en dat zij, door deze werkzaamheden langer dan anderhalf jaar uit te voeren, haar werknemerschap in de zin van de Werkloosheidswet (WW) heeft verloren. Hierdoor heeft betrokkene haar aanspraken op een WW-uitkering, volgens de gemeente voor de duur van dertig maanden, niet geldend kunnen maken.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het contract is beëindigd wegens omstandigheden, voortvloeiend uit de huidige economische crisis. Niet uitgesloten moet worden geacht dat betrokkene thans nog in Engeland werkzaam zou zijn indien voormelde omstandigheden zich niet zouden voordoen. Niet kan worden gezegd dat betrokkene op onverantwoorde wijze haar rechten op een voorliggende voorziening, in dit geval een WW-uitkering, heeft verspeeld. Voorlopige voorziening getroffen.
BZK 2009/41
|
24-03-2009
De onderzoeksplicht volgens de WWB draagt de gemeente op een individuele afweging te maken inzake de arbeidsinschakeling, de zorgplicht van de alleenstaande ouder en andere factoren. Deze beleidsregels geven daartoe onvoldoende ruimte (gemeente Amsterdam) Voor zover in de Beleidsregels is neergelegd dat alleenstaande ouders, los van hun zorgwens, altijd vier (bij kinderen tot 5 jaar) danwel acht (bij kinderen tussen 5 en 12 jaar) dagdelen beschikbaar dienen te zijn, is volgens de Raad sprake van strijd met het bepaalde in artikel 9, tweede en vierde lid, WWB.
Zowel de afweging die moet worden gemaakt tussen het belang van de arbeidsinschakeling en de invulling die de ouder wenst te geven aan de zorgplicht, als de aan het College opgedragen onderzoeksplicht naar de beschikbaarheid van passende kinderopvang, de toepassing van voldoende scholing en de belastbaarheid van de betrokkene vergt immers een individuele beoordeling, waar de Beleidsregels thans slechts ruimte voor laten voor zover het een beschikbaarheid van méér dan vier respectievelijk acht dagdelen per week betreft.
Hieruit vloeit voort dat de Beleidsregels, voor zover daarin is neergelegd dat men zich altijd een aantal dagdelen per week beschikbaar dient te stellen, onverbindend zijn wegens strijd met artikel 9, tweede en vierde lid, WWB.
BZK 2009/17
|
24-03-2009
Wegens een gelijke mate van onderlinge zorg vormen deze drie personen geen gezamenlijke huishouding, maar kan afstemming wegens gedeelde woonkosten aan de orde zijn (gemeente Groningen) Bevestigd wordt dat zich de situatie kan voordoen dat twee personen - getoetst aan artikel 3 WWB- een gezamenlijke huishouding voeren, óók indien nog een of meer andere personen in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben. Voorwaarde is dan wel dat die twee personen ten opzichte van elkaar blijk geven van een mate van zorg, die niet aanwezig is ten opzichte van de andere persoon of personen die in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben.
Uit de beschikbare gegevens leidt de Raad af dat er tussen deze man, vrouw en zoon sprake is van een min of meer gelijke mate van onderlinge zorg, zodat zij geen gezamenlijke huishouding vormen. Wel kan er aanleiding zijn de bijstand af te stemmen in die zin dat bij de bepaling van de hoogte van de aan partijen te geven toeslag op hun uitkering naar de norm voor een alleenstaande, met bewoning van drie personen op het adres rekening wordt gehouden.
BZK 2009/22
|
19-03-2009
De beleidsregel dat geen bijzondere bijstand wordt verstrekt aan de voormalige alleenstaande ouder is in strijd met de wet (gemeente Heerenveen) Bij een inkomensachteruitgang wegens normwijziging naar een alleenstaande verstrekt de gemeente geen compensatie in de vorm van bijzondere bijstand. Nadrukkelijk wordt in het Handboek WWB gesteld dat het college geen bijzondere bijstand verstrekt ter (gedeeltelijke) compensatie van de inkomensachteruitgang van het gezin van de voormalig alleenstaande ouder. De bijstandsnorm wordt door het college toereikend geacht voor de voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten.
De vraag of dit beleid redelijk is, beantwoordt de rechtbank ontkennend. De rechtbank overweegt dat het beleid, waar het gaat om het niet verstrekken van compensatie van de inkomensachteruitgang van het gezin van de voormalig alleenstaande ouder, in strijd is met het uitgangspunt van de WWB.
BZK 2009/21
|
10-03-2009
Het weigeren van een werkaanbod in de schoonmaaksector heeft terecht geleid tot diverse maatregelen en afstemming wegens recidive (gemeente Rotterdam) De herhaaldelijk opgelegde verlagingen van 100% conform de Afstemmingsverordening zijn, mede gelet op het feit dat betrokkene welhaast stelselmatig haar aangeboden werk weigert, niet onevenredig. Hoewel de Raad aansluit bij de rechtbank met het standpunt dat een dubbele verdubbeling in deze situatie niet houdbaar is.
Aan betrokkene is niet steeds hetzelfde werk aangeboden, maar verschillende banen in de schoonmaaksector. De enkele omstandigheid dat zij talenten heeft op een ander vlak dan schoonmaken brengt niet mee, dat niet van haar gevergd kan worden schoonmaakwerk te accepteren. Betrokkene heeft niet aangetoond dat zij voor de haar aangeboden banen ongeschikt is, ook als rekening gehouden wordt met haar beperkingen wegens een allergie.
BZK 2009/12
|
10-03-2009
Deze maatregel is onvoldoende gemotiveerd, hetgeen een voorlopige voorziening rechtvaardigt (gemeente Alkmaar) Vaststaat dat het primaire besluit inzake afstemming voor de duur van drie maanden met 50% een deugdelijke motivering ontbeert. Uit de stukken kan niet worden opgemaakt, op welke wettelijke grondslag het besluit is gebaseerd.
Aan betrokkene is tegengeworpen dat het reïntegratietraject mede door zijn gedrag geen succes is geworden, hetgeen duidt op het niet nakomen van verplichtingen op grond van artikel 9 van de WWB. In het besluit is tevens gesteld dat zijn gedrag wordt aangemerkt als een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening, als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB. De rapportage van het primair besluit is onduidelijk evenals het feitencomplex.
Nu niet op voorhand kan worden uitgesloten dat de afstemming geen stand zal houden, ziet de voorzieningenrechter aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening d.m.v. schorsing van het primair besluit.
BZK 2009/15
|
10-03-2009
Wegens schending van inlichtingenplicht resp. medewerkingsplicht kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld (gemeente Smallingerland) Door slechts toestemming te verlenen voor het maken van kopieën van bankafschriften van de zakelijke rekening van de onderneming, terwijl op die afschriften de transacties waren afgeplakt en alleen de totaal af- en bijgeboekte bedragen en de saldi zichtbaar waren, heeft betrokkene niet de medewerking verleend die redelijkerwijs nodig was om het inkomen te kunnen vaststellen.
Als gevolg van de schending van de medewerkingsplicht kan niet worden beoordeeld of betrokkene recht had op bijstand, hetgeen intrekking en terugvordering rechtvaardigt.
BZK 2009/20
|
03-03-2009
In deze situatie van oververmogen en na het overmaken van geld aan derden kan geen terugvordering meer plaats vinden, maar wél afstemming wegens ernstig tekortschietend besef van verantwoordelijkheid resp. verstrekking van bijstand als geldlening (gemeente Rotterdam) Wegens verkoop van de woning (boedelscheiding) ontvangt betrokkene een vermogen boven de vermogensgrens, dat zij na enige dagen voor een belangrijk deel overmaakt naar haar broer resp. moeder. De overgelegde schuldbekentenissen acht de Raad onvoldoende overtuigend nu niet met objectieve en verifieerbare gegevens is aangetoond dat en op welke wijze het geld destijds aan betrokkene is overgemaakt en een reële terugbetalingsverplichting ontbreekt. De intrekking van bijstand heeft terecht plaats gevonden.
Nu betrokkene na de betaling aan derden niet meer de beschikkingsmacht had over het vermogen is de terugvordering (artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a WWB) over de periode vanaf het overmaken van het geld niet terecht.
Sprake is van ernstig tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Het staat de gemeente in het kader van de heroverweging in bezwaar vrij om alsnog de bijstand met toepassing van artikel 18, tweede lid, van de WWB tijdelijk te verlagen en/of met toepassing van artikel 48, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB de bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken. Het enkele tijdsverloop vormt daarvoor geen beletsel.
BZK 2009/14
|
03-03-2009
Ondanks de afwijzing van de WW-aanvraag ontbreken bijzondere omstandigheden die terugwerkende kracht rechtvaardigen (gemeente Lelystad) Namens betrokkene is betoogd dat zij met haar melding bij het CWI op 18 juni 2004 (hetgeen heeft geleid tot een WW-aanvraag die enige maanden later is afgewezen) tevens heeft beoogd voor een WWB-uitkering in aanmerking te komen. De Raad volgt betrokkene niet. Naar vaste rechtspraak immers is voor elke specifieke uitkering in beginsel een afzonderlijke aanvraag vereist. De omstandigheid dat de melding bij het CWI van 18 juni 2004 niet is gevolgd door een aanvraag om bijstand, staat dan ook in de weg aan bijstandverlening met ingang van 18 juni 2004.
Als gevolg van haar tijdelijk verblijf in het buitenland heeft betrokkene haar aanvraag om bijstand (na de afwijzing van de WW-aanvraag) niet zo spoedig mogelijk ingediend nadat zij zich op 11 november 2004 bij het CWI voor een aanvraag om bijstand had gemeld, zodat daarmee sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 43, derde lid, WWB (kennelijk artikel 44, derde lid, WWB, red.)
BZK 2009/19
|
24-02-2009
Bevestigd wordt de stelplicht en bewijslast t.a.v. recht op bijstand. Het risico van ontbrekende bewijsstukken is voor rekening van betrokkene (gemeente Rotterdam) Deze katvanger heeft inkomsten resp. money transfers niet gemeld en de inlichtingenplicht geschonden. Betrokkene heeft van de inkomsten uit de money transfers geen deugdelijke administratie of boekhouding bijgehouden. Zij heeft geen verifieerbare gegevens overgelegd waaruit de omvang van de genoten inkomsten blijkt.
Door het schenden van de inlichtingenverplichting en het nalaten een deugdelijke administratie bij te houden heeft betrokkene zelf het risico heeft genomen dat zij achteraf niet meer zou beschikken over bewijsstukken om de hoogte van de inkomsten aan te tonen. De gevolgen daarvan (intrekking, terugvordering) dienen voor rekening van betrokkene te blijven.
BZK 2009/09
|
24-02-2009
Op deze aanvraag om bijzondere bijstand in legeskosten is de schrijnende situatie niet beoordeeld (gemeente Haarlemmermeer) De rechtbank begrijpt het gemeentelijk standpunt aldus, dat volgens het eigen beleid alleen bijzondere bijstand kan worden verleend in geval de voorwaarde van legeskosten de enige voorwaarde is die eraan in de weg staat een verblijfsvergunning te verlenen en dit tot gevolg heeft dat er schrijnende situaties ontstaan. Vanuit die redenering is de gemeente dan ook niet toegekomen aan de afweging of in concreto sprake was van een schrijnende situatie als bedoeld in zijn beleid.
De rechtbank volgt de gemeente niet in deze uitleg van het beleid. In dit geval had de gemeente in het bijzonder aandacht dienen te schenken aan de omstandigheid dat aan de jongste minderjarige dochter wegens medische redenen wel een verblijfsvergunning was verleend, terwijl de overige gezinsleden een verblijfsvergunning werd onthouden. Deze beoordeling van de schrijnendheid heeft niet plaatsgevonden.
BZK 2009/13
|
24-02-2009
De bevoegdheid tot intrekking van de bijstand (artikel 54, vierde lid, WWB) kan in redelijkheid (in het geheel) niet meer worden gebruikt, nadat de termijn van acht weken is verstreken. Dus ook niet voor de eerste acht weken. De intrekking (artikel 54, derde lid, WWB) is onvoldoende onderbouwd, ook omdat door betrokkene aan de gemeente verstrekte gegevens niet meer beschikbaar zijn (gemeente Schiedam) De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat het College van Schiedam alleen voor de periode na ommekomst van de termijn van acht weken als bedoeld in artikel 54, eerste lid, van de WWB niet bevoegd is tot intrekking van de bijstand met toepassing van het vierde lid van dat artikel.
Met verwijzing naar CRvB 6 september 2007 nr. 06/5074 WWB, LJN BB3024, acht de Raad dat oordeel niet juist. Uit die uitspraak moet worden afgeleid dat de bevoegdheid tot intrekking van de bijstand met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB in redelijkheid (in het geheel) niet meer kan worden gebruikt nadat de termijn van acht weken is verstreken, dus ook niet voor de eerste acht weken. Voor de door de rechtbank aangebrachte knip in de bevoegdheidsgrondslag ziet de Raad in artikel 54 van de WWB geen aanknopingspunten. Het besluit op het bezwaarschrift is genomen in strijd is met artikel 3:4, tweede lid, Awb.
Intrekking van de bijstand zou in dit geval derhalve alleen kunnen geschieden met toepassing artikel 54, derde lid, van de WWB, uiteraard indien daarvoor ook inhoudelijk voldoende grondslag is. Onvoldoende staat echter vast dat betrokkene over de gehele relevante periode inkomsten heeft verworven. Hierbij komt mede betekenis toe aan het gegeven dat de aan medewerkers van de gemeente Schiedam afgegeven agenda van betrokkene, waarin hij zijn afspraken met cliënten vermeldde, is zoekgeraakt.
BZK 2009/16
|
17-02-2009
De regels voor terugvordering, van toepassing bij een nalatenschap, gelden ook voor een legaat. Brutering is uitgesloten als de terugvordering geen gevolg is van een verwijtbare gedraging van de betrokkene (gemeente Haarlem) Naar vaste rechtspraak van de Raad ontstaat de aanspraak op een erfdeel - voor de toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB - op het tijdstip van overlijden van de erflater. Er is geen aanleiding om bij de aanspraak op een legaat van een andere peildatum uit te gaan. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de legataris ingevolge artikel 4:117 van het Burgerlijk Wetboek een vorderingsrecht toekomt jegens de gezamenlijke erfgenamen. Dat op dat moment nog niet duidelijk is wat de omvang van het legaat is, maakt dat niet anders.
Het gemeentelijk beleid ten aanzien van brutering gaat de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten, nu daarin niet de mogelijkheid is opgenomen om van brutering af te zien in - andere dan in de beleidsregel genoemde - gevallen dat de brutering geen gevolg is van een verwijtbare gedraging van de betrokkene.
BZK 2009/11
|
03-02-2009
Wanneer een oproep voor onderzoek naar arbeidsmogelijkheden niet wordt opgevolgd is niet de medewerkingsplicht (resp. intrekking) aan de orde, maar wel eventuele afstemming. In dit geval ontbreekt echter verwijtbaarheid (gemeente Weert) Het College heeft na de opschorting aan de intrekking van de bijstand het bepaalde in artikel 54, vierde lid, van de WWB ten grondslag gelegd, hetgeen de Raad niet juist acht. Bij de opgelegde verplichting te verschijnen op enige gesprekken gaat het om een verplichting mee te werken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, aanhef en onder b, van de WWB en niet om het verstrekken van inlichtingen of het verlenen van medewerking als bedoeld in artikel 54, eerste lid, van de WWB.
Dit brengt mee dat bij verwijtbare niet-nakoming van een dergelijke verplichting geen toepassing kan worden gegeven aan artikel 54, vierde lid, van de WWB doch dat een verlaging op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB aangewezen is.
Betrokkene kan niet worden verweten dat zij aan de uitnodigingen voor de gesprekken geen gehoor heeft gegeven. Onvoldoende is komen vast te staan dat deze uitnodigingen haar tijdig hebben bereikt wegens problemen met de postbezorging. Bij gebreken van verwijtbaarheid is er voor verlaging van bijstand volgens artikel 18 WWB geen plaats.
BZK 2009/06
|
27-01-2009
Bij de WTOS bestaat de mogelijkheid, dat in aanvulling op de forfaitaire tegemoetkoming in de schoolkosten voor reiskosten bijzondere bijstand wordt verleend. Het betreft gezinnen in de lage inkomenscategorieën voor wie de feitelijke kosten tengevolge van specifieke omstandigheden sterk afwijken en voor wie deze kosten een te zware belasting vormen (gemeente Woerden)
De WTOS kan voor de kosten waarop de aanvraag ziet (reizen per openbaar vervoer) worden aangemerkt als een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder f, van de WWB. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de WTOS leidt de Raad evenwel af dat de wetgever met de forfaitaire tegemoetkoming in de schoolkosten niet heeft beoogd een aan de bijstand voorliggende voorziening te treffen die, ten aanzien van de kosten waarop de aanvraag van betrokkene ziet, geacht kan worden toereikend en passend te zijn als bedoeld in artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de WWB. BZK 2009/05
|
27-01-2009
Geschil inzake Meerwaardehypotheek Postbank (gemeente Zuidhorn) Het aanvullingsbedrag van € 655,-- dat betrokkene maandelijks van de Postbank ontvangt, moet worden aangemerkt als inkomsten als bedoeld in artikel 31 jo. 32 WWB, waar betrokkene redelijkerwijs over kan beschikken. De Raad wijst daarbij op het periodieke karakter van de uitkering en heeft mede van belang geacht dat volgens informatie van de Postbank met deze uitkering wordt beoogd het inkomen aan te vullen om de maandlasten van de hypotheek te kunnen dragen. Daaraan doet naar het oordeel van de Raad niet af dat de participaties in het Postbank Obligatiefonds op zichzelf een bestanddeel van het vermogen vormen.
Gelet op de verschuldigde rente en de geldende bijstandsnorm had het op de weg van het College gelegen om na te gaan of individuele afstemming als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de WWB in dit geval geboden is. De Raad wijst in dit verband op het woonkostentoeslagbeleid van het College. Door dit na te laten is de bijstand ten onrechte beëindigd.
BZK 2009/10
|
21-01-2009
Als de kosten van budgetbeheer noodzakelijk zijn, worden deze kosten normaliter niet geacht in de bijstandsnorm te zijn verdisconteerd. Kosten van vrijwillig budgetbeheer, mits noodzakelijk, zijn op één lijn zijn te stellen met kosten van beschermingsbewind. Bijzondere bijstand toegekend (gemeente Venlo) Gelet op het algemene toetsingskader voor de beoordeling van bijzondere bijstand heeft de gemeente de aanvraag voor vrijwillige deelname aan budgetbeheer onvoldoende onderzocht. In een ambtelijke notitie zijn criteria voor vrijwillig budgetbeheer/begeleiding opgesomd. Hiermee geeft de gemeente een beperkte invulling aan bedoeld toetsingskader. De rechtbank somt op welke aanvullende elementen van het onderzoek moeten worden beoordeeld. Vrijwillig budgetbeheer is op één lijn te stellen met beschermingsbewind. De noodzaak tot budgetbeheer en begeleiding is in dit geval aannemelijk, hetgeen de toekenning van bijzondere bijstand rechtvaardigt. BZK 2009/08
|
14-01-2009
Nu op basis van medewerking aan het huisbezoek twijfel omtrent het woonadres is weggenomen, bestond er in dit geval geen redelijke grond om toegang tot de slaapkamer te verlangen (gemeente Amsterdam) Het niet-reageren op oproepen levert een redelijke grond op voor het afleggen een huisbezoek. Na het verstrekken van gegevens is de aanvankelijke twijfel van de gemeente over het feitelijke woonadres weggenomen.
Betrokkene heeft de toegang tot de slaapkamer geweigerd. De rondgang door de woning en de beantwoording van de gestelde vragen hebben geen objectieve feiten of omstandigheden opgeleverd, op grond waarvan verder onderzoek in de slaapkamer nodig is. Niet is bijvoorbeeld gebleken van aanwijzingen dat betrokkene samenwoont.
Nu zich geen schending van de medewerkingsplicht voordoet is de gemeente niet bevoegd om met toepassing van artikel 17, tweede lid, WWB in combinatie met artikel 11, eerste lid, WWB de aanvraag om deze reden af te wijzen. Voorlopige voorziening getroffen.
BZK 2009/07
|
05-01-2009
De waarschuwing volgens deze Maatregelenverordening moet worden aangemerkt als een besluit met rechtsgevolg (gemeente Groningen) De Maatregelenverordening voorziet in het geven van een schriftelijke waarschuwing onder meer bij schending van de inlichtingenplicht (artikel 17 WWB). Het College legt volgens de Maatregelenverordening in beginsel eerst dan een maatregel op, indien daaraan een waarschuwing is voorafgegaan. De waarschuwing vormt een essentieel en onlosmakelijk onderdeel van de gevolgen die de Maatregelenverordening verbindt aan de gedraging.
Deze schriftelijke waarschuwing moet worden beschouwd als een publiekrechtelijke rechtshandeling en als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb.
BZK 2009/01
|
05-01-2009
Omdat niet is voldaan aan de inlichtingenplicht kan het recht op bijstand –ook na verhuizing naar een andere gemeente- niet worden vastgesteld (gemeente Venlo) Nu het stroomverbruik over de jaren 2002 tot en met 2004 niet substantieel afweek van het verbruik in 2005, mag over die jaren een opbrengst uit hennepoogsten worden verondersteld die gelijk is aan de opbrengst zoals door de politie is berekend voor het jaar 2005. In het PV is op inzichtelijke wijze aangegeven hoe en aan de hand van welke maatstaven het wederrechtelijk verkregen voordeel is bepaald.
Het gaat hier om een aanvraag om bijstand (2006), die is ingediend korte tijd na de beëindiging van de bijstand in de gemeente Utrecht. Het College van Venlo heeft terecht verlangd dat betrokkene eerst opening van zaken zou geven over de exploitatie van hennepkwekerij en inzicht zou verschaffen in de daarmee verworven inkomsten en in de besteding daarvan dan wel de vorming van vermogen. Pas daarna zou kunnen worden bepaald of en in hoeverre appellant en zijn echtgenote in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeerden. Bijstand terecht afgewezen.
BZK 2009/02
|
05-01-2009
Wegens een onredelijk korte hersteltermijn is de aanvraag volgens artikel 4:5 van de Awb
ten onrechte buiten behandeling gesteld (gemeente Eindhoven)
Een hersteltermijn bij een onvolledige aanvraag moet afgestemd zijn op de aard en de omvang van de gevraagde gegevens en bescheiden. De lengte van die termijn dient zodanig te zijn dat een aanvrager in staat kan worden geacht alle gevraagde gegevens en bescheiden voor de afloop van de hersteltermijn aan het bestuursorgaan aan te leveren.
Uit een oogpunt van actieve en adequate informatieverstrekking verdient het aanbeveling om een aanvrager te wijzen op de mogelijkheid voor afloop van de hersteltermijn om verlenging van die termijn te vragen.
In dit geval is sprake van een onredelijk korte termijn, nu het College bekend was met het feit dat Fortis-bank een aantal werkdagen nodig heeft om kopieën van de gevraagde bankafschriften aan de rekeninghouder te verstrekken.
BZK 2009/03
|
05-01-2009
Einddoel van de onder de arbeidsverplichting van artikel 9 WWB vallende sociale activering moet zijn het verkrijgen van algemeen geaccepteerde, niet gesubsidieerde arbeid. Dit einddoel is voor betrokkene niet te bereiken. De opgelegde maatregelen zijn daarom niet terecht opgelegd (gemeente Son en Breugel) Betrokkene is door zijn persoonlijkheid op het psychische vlak beperkt belastbaar. Zelfs zodanig dat betrokkene aangewezen is en aangewezen zal blijven op aangepaste, gesubsidieerde arbeid in een beschermde werkomgeving of op arbeid in WSW-verband. De stellingen van de gemeente zijn goed onderbouwd.
De gemeente stelt het verrichten van arbeid in WSW-verband als einddoel. Betrokkene wil werk in WSW verband - vooralsnog – echter niet aanvaarden. Betrokkene kan, gelet op de bij hem bestaande arbeidsbeperkingen, in het kader van het streven naar sociale activering, ook niet worden verplicht in te gaan op het aanbod tot het accepteren van andere vormen van gesubsidieerde arbeid. Einddoel van de onder de arbeidsverplichting van artikel 9 WWB vallende sociale activering moet immers zijn het verkrijgen van algemeen geaccepteerde, niet gesubsidieerde arbeid.
Dit einddoel nu is voor betrokkene niet te bereiken. Betrokkene kan dan ook niet, op straffe van de oplegging van maatregelen in de vorm van kortingen op zijn uitkering, tot de door de gemeente aangeboden vormen van sociale activering worden verplicht. Opgelegde maatregelen vernietigd.
BZK 2009/04
|
23-12-2008
Het bedrag van maximaal de toepasselijke vermogensgrens wordt bij voortgezette bijstandsverlening slechts éénmaal vrijgelaten (gemeente Arnhem) Geen bijstand met terugwerkende kracht wegens ontbrekende bijzondere omstandigheden. Geen rechtstreekse werking van artikel 13 ESH.
Uitgangspunt is dat tijdens een ononderbroken periode van bijstandsverlening slechts éénmaal een bedrag ter hoogte van maximaal de toepasselijke vermogensgrens als bedoeld in artikel 34, derde lid, van de WWB wordt vrijgelaten. Dit vloeit mede voort uit het complementaire karakter van de WWB.
Het door partijen gehanteerde begrip “vermogensruimte” (te weten: het bedrag waarmee het vermogen kan toenemen zonder dat dit gevolgen heeft voor de voortzetting van de bijstand) valt bij een negatief of op nihil vastgesteld aanvangsvermogen derhalve samen met het wettelijk begrip vermogensgrens. Verdere uitleg inzake de werking van de vermogensgrens.
BZK 2008/102
|
22-12-2008
Deze kinderen, die niet rechtmatig in Nederland verblijven, kunnen naar Afghanistan terugkeren zodat bijstand terecht is afgewezen. Geen strijd met verdragsbepalingen (gemeente Hilversum) Het ligt op de weg van deze kinderen (appellanten) om aan te geven waarom moet worden afgeweken van het uitgangspunt dat de toepassing van artikel 16, tweede lid, van de WWB op kinderen die niet rechtmatig in Nederland verblijven, in beginsel geoorloofd is. Een uitzondering op de hoofdregel zou gelegen kunnen zijn in de onmogelijkheid terug te keren naar het land van herkomst (Afghanistan), afgezien van een eventuele voorliggende voorziening. In de situatie van het gezin is in ieder geval niet gebleken dat er sprake is van een onmogelijkheid om terug te keren. De uitzondering op de hoofdregel, dat toepassing van artikel 16, tweede lid, van de WWB geoorloofd is op kinderen die niet rechtmatig hier te lande verblijven, doet zich hier niet voor.
Artikel 13 en 17 ESH alsmede artikel 11 en 12 IVESCR hebben geen rechtstreekse werking. Evenmin slaagt het beroep op andere verdragsbepalingen (artikel 8 EVRM of artikel 2 EP).
BZK 2008/101
|
16-12-2008
De gemeente heeft zich gebaseerd op een samenvatting in het rapport van de sociaal-rechercheurs en zich in strijd met artikel 3:2 Awb niet (kenbaar) vergewist van de juistheid van de van essentieel belang zijnde feiten (gemeente Beverwijk) De gemeente heeft tot in beroep de onderliggende processen-verbaal van getuigenverhoren niet aan eisers willen overleggen, dan wel deze voor eisers ter inzage willen leggen. Als gevolg hiervan zijn eisers onvoldoende in de gelegenheid geweest in het kader van de bezwaarprocedure hun bezwaren naar voren te brengen en te onderbouwen. Dat de gemeente de stukken in beroep alsnog heeft ingezonden, kan daaraan niet afdoen.
Niet is gebleken dat de gemeente bij de besluitvorming wel de beschikking heeft gehad over de volledige authentieke processen-verbaal. De gemeente heeft zich in feite bij zijn besluitvorming gebaseerd op een samenvatting in het rapport van de sociaal-rechercheurs en zich in strijd met artikel 3:2 Awb niet (kenbaar) vergewist van de juistheid van de in het rapport vermelde, voor de besluitvorming van essentieel belang zijnde feiten.
Bestreden besluit vernietigd, met handhaving van de rechtsgevolgen
BZK 2008/94
|
09-12-2008
Nu essentiële zaken voor het voeren van een huishouden ontbreken ligt het op de weg van betrokkene twijfel omtrent zijn woonsituatie weg te nemen (gemeente Rotterdam) Blijkens diverse huisbezoeken staat vast dat betrokkene niet daadwerkelijk woonachtig is op dit adres. In een situatie waarin vaststaat dat essentiële zaken voor het voeren van een huishouden ontbreken, ligt het op de weg van betrokkene twijfel omtrent zijn woonsituatie weg te nemen. Daarin is hij niet geslaagd. Dat het een zogeheten sloopgenomineerde woning betreft, om welke reden de woning nagenoeg niet ingericht, vormt een onvoldoende verklaring voor de tijdens de huisbezoeken aangetroffen situatie.
BZK 2008/92
|
09-12-2008
Er zijn onvoldoende waarborgen dat het rapport van de sociale recherche een juiste zakelijke weergave is van hetgeen is verklaard (gemeente Rhenen) Over de door betrokkene afgelegde verklaring en van de bevindingen van huisbezoek is eerst na bijna vier weken gerapporteerd. Dit rapport is niet op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt. Het verslag van de afgelegde verklaring is aan betrokkene niet voorgelezen of ter lezing aangeboden, noch door hem ondertekend. Uit de zeer summiere wijze van verslaglegging is niet duidelijk welke vragen zijn gesteld, noch welke antwoorden betrokkene daarop heeft gegeven. Er zijn onvoldoende waarborgen dat het rapport een juiste zakelijke weergave is van hetgeen is verklaard.
Ook zijn er overigens onvoldoende feiten en omstandigheden voorhanden voor het standpunt dat betrokkene niet woonachtig was op het opgegeven adres (gemeente Rhenen).
BZK 2008/93
|
09-12-2008
Het Besluit SUWI laat geen ruimte aan het CWI of aan het college om na een eerste melding geen afspraak te maken voor de ontvangst van de aanvraag om algemene bijstand (gemeente Edam-Volendam) Dit betekent dat de bestendige praktijk waarin aan een belanghebbende formulieren voor een aanvraag levensonderhoud worden uitgereikt waarbij wordt verwezen naar het inleveren tijdens de spreekuurtijden - al dan niet met de mondelinge toevoeging dat dit zo spoedig mogelijk dient te geschieden - en waarbij pas bij een melding tijdens de spreekuurtijden een belanghebbende in staat wordt gesteld de aanvraag in te dienen, in strijd is met artikel 2.3, derde lid, van het Besluit SUWI. BZK 2008/95
|
09-12-2008
De beleidsregel in de Handhavingsverordening, dat op verzoek kan worden besloten tot kwijtschelding na tien jaar aflossing van de terugvordering, gaat de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten (gemeente Rotterdam) Betrokkene had op basis van het tot 1 januari 2005 geldende beleid in aanmerking kunnen komen voor kwijtschelding als hij gedurende vijf jaar aan zijn aflossingsverplichting had voldaan Het verzoek tot kwijtschelding van de restantschuld, ingediend op 4 maart 2005, is terecht overeenkomstig het vanaf 1 januari 2005 gewijzigde beleid afgewezen, nu niet is gebleken dat bij betrokkene verwachtingen zijn gewekt dat op termijn kwijtschelding zou worden verleend. BZK 2008/96
|
08-12-2008
De artikelen 54 en 58 van de WWB betreffen reparatoire bepalingen die er toe strekken dat achteraf het bedrag aan bijstand wordt vastgesteld waarop recht bestaat en een teveel ontvangen bedrag wordt teruggevorderd (gemeente Zoetermeer) In dit geval is geen sprake van een gewilde verbreking van de echtelijke samenleving. Schending van inlichtingenplicht.
Partijen ontvingen destijds een bijstanduitkering naar de norm voor gehuwden. Het standpunt dat partijen niet als ongehuwd kunnen worden aangemerkt omdat zij niet duurzaam gescheiden leefden, impliceert dat zij recht hadden op voortzetting van een bijstandsuitkering naar de norm voor een gezin. De rechtbank deelt niet het standpunt van de gemeente dat betrokkene en zijn echtgenote daartoe alsnog een aanvraag dienen te doen, op grond van welke aanvraag in beginsel geen uitkering met terugwerkende kracht toegekend zou kunnen worden.
Het standpunt dat betrokkene in het geheel geen recht op bijstand heeft over de periode hier in geding, omdat niet duidelijk is hoeveel inkomsten hij de afgelopen jaren heeft gegenereerd, is niet ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit en valt daarom buiten het bestek van deze beroepsprocedure. Indien de gemeente van oordeel is dat in verband met niet opgegeven inkomsten aanleiding bestaat tot herziening of intrekking van de uitkering, dient hij hierover een afzonderlijk (primair) besluit te nemen.
BZK 2008/100
|
05-12-2008
Bijzondere bijstand in de kosten van bewindvoering is terecht in de vorm van leenbijstand verstrekt, met de verplichting aan de bewindvoerder WSNP te verzoeken om een hogere inkomstenvrijlating (gemeente Roermond) Toegekend is bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering en voor intakekosten voor de bewindvoering in de vorm van leenbijstand. Hieraan zijn enige verplichtingen verbonden, zoals een verzoek aan de bewindvoerder WSNP om een grotere inkomstenvrijlating.
De gemeente heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de tijdelijke bijstandsbehoeftigheid, gelet op de inkomsten van eiser die hoger zijn dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm, kan worden bestreden uit die inkomsten indien een grotere vrijlating hiervan wordt toegepast. De gemeente heeft, gelet op artikel 55 WWB, verplichtingen kunnen opleggen die strekken tot vermindering of beëindiging van de toegekende bijstand.
BZK 2008/103
|
02-12-2008
Weliswaar heeft de gemeente vooraf toestemming verkregen voor het binnentreden, doch niet is aangetoond dat men er op heeft gewezen dat het weigeren van medewerking geen directe gevolgen voor de verlening van de bijstand zal hebben (gemeente Amsterdam). De Raad bevestigt algemene criteria voor het afleggen van een huisbezoek. In dit geval ontbreekt een redelijke grond, nu de aanleiding voor het huisbezoek slechts is geweest het klantprofiel “Klant in Beeld”. O.a. blijkens het verslag van het huisbezoek is komen vast te staan dat de medewerkers van de gemeente van betrokkene vooraf toestemming hebben verkregen voor het binnentreden, doch niet is aangetoond dat zij er op hebben gewezen dat het weigeren van medewerking geen directe gevolgen voor de verlening van de bijstand zal hebben. Hierdoor heeft het College niet aangetoond dat de medewerkers zijn binnengetreden na voorafgaand “informed consent”.
Sprake is van een niet gerechtvaardigde inbreuk op het huisrecht. De tijdens het huisbezoek aan het licht gekomen gegevens moeten daarom worden bestempeld als onrechtmatig verkregen bewijs en moeten buiten beschouwing worden gelaten.
BZK 2008/97
|
27-11-2008
Gewetensbezwaren tegen werken met varkensvlees zijn in dit geval onvoldoende zwaarwegend (gemeente Helmond) Betrokkene is weliswaar geen streng gelovige en ook geen praktiserende moslim. Dit laat onverlet dat hem in de opvoeding - van vader op zoon - is meegegeven bepaalde gebruiken van de islam te respecteren. Meer in het bijzonder geen varkensvlees te eten of daarmee te werken.
De bezwaren tegen de aangeboden arbeid zijn strikt persoonlijk. Daaraan kan betekenis worden gehecht onder andere indien zij zwaarwegend zijn. Met de gemeente is de Raad van oordeel dat betrokkene onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn bezwaren tegen het werken met varkensvlees daadwerkelijk zwaarwegend zijn.
De maatregel van 100% gedurende een maand is terecht opgelegd (gemeente Helmond)
BZK 2008/90
|
24-11-2008
Het niet op de juiste wijze ziekmelden van betrokkene kan in dit geval niet als een maatregelwaardige gedraging worden aangemerkt (gemeente Den Haag) De gemeente heeft in de afwegingen met betrekking tot de verwijtbaarheid –naast de onjuiste handelwijze- meegewogen, dat betrokkene kennelijk bekend zou staan als een "niet-willer". Niet alleen is dit een stigmatiserende kwalificatie en als zodanig onaanvaardbaar, ook uit zich die onaanvaardbaarheid in het zonder nadere concrete onderbouwing toekennen van tekortkomingen aan iemand. Het hanteren van deze kwalificatie kan niet bijdragen aan de vaststelling van de mate van verwijtbaarheid. BZK 2008/99
|
18-11-2008
Onjuiste inlichtingen over woonadres blijkens gering energie- en waterverbruik (gemeente Den Haag)
De Raad onderschrijft niet de primaire stelling van de gemeente dat een extreem laag energie- en waterverbruik, zoals hier aan de orde, zonder meer de conclusie rechtvaardigt dat in de woning niet wordt gewoond. Waar iemand woont, is afhankelijk van het geheel van de relevante feiten en omstandigheden in het concrete geval. Het is dus op zichzelf terecht dat de rechtbank de specifieke levenswijze van betrokkene mede in beschouwing heeft genomen.
Anders dan de rechtbank is de Raad echter van oordeel, dat hetgeen omtrent die levenswijze naar voren is gekomen geen aanvaardbare verklaring voor het geringe verbruik oplevert. Als gevolg van de schending van de inlichtingenplicht kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. BZK 2008/91
|
18-11-2008
Terugvordering van geldlening verleend als voorschot resp. bedrijfskrediet (gemeente Amsterdam)
Niet artikel 58, eerste lid, aanhef en onder b, WWB maar artikel 58, eerste lid, aanhef en onder d, WWB biedt de formele bevoegdheidsgrondslag voor de terugvordering van bijstand, die bij wijze van voorschot in de vorm van een geldlening is verleend. Laatstgenoemd voorschrift moet immers ten opzichte van het eerstgenoemde worden aangemerkt als een lex specialis. Geen dringende redenen volgens lokale beleidsregels om van terugvordering af te zien.
Geen dringende redenen volgens artikel 44 Bbz 2004 om van terugvordering van bedrijfskrediet af te zien.
BZK 2008/98
|
28-10-2008
De intrekking van bijstand kan niet worden beschouwd als een punitieve sanctie. Dat de schending van de inlichtingenplicht ook een strafbaar feit oplevert, betekent niet dat de gemeente –in het kader van het onderzoek gericht op het recht op bijstand- bescherming en waarborgen moet bieden als ware belanghebbende een verdachte in strafrechtelijke zin (gemeente Amsterdam) In gevallen als hier aan de orde (intrekking wegens verzwegen gezamenlijke huishouding) bestaat er voor het bestuursorgaan, anders dan bij punitieve sancties, geen wettelijke verplichting om de betrokkene voorafgaand -met het geven van de cautie als bedoeld in artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering- te horen.
Een zorgbehoefte (hulpbehoevendheid) is in dit geval niet aannemelijk gemaakt. Partijen kunnen, vergeleken met de in artikel 3 WWB en artikel 17 AOW genoemde uitzonderingsgroepen, voor de toepassing van artikel 26 IVBPR niet als gelijke gevallen worden beschouwd.
BZK 2008/88
|
21-10-2008
Ondanks de familierelatie (dochter-vader) moet het PGB worden gezien als fictief inkomen. Dringende redenen om van terugvordering af te zien ontbreken (gemeente Alkmaar) Betrokkene betwist dat zij over (loon)betalingen uit het PGB kon beschikken omdat haar vader het door hem ontvangen PGB vergokte. Voorts is zij van mening dat gezien de familierelatie van haar niet kan worden gevergd dat zij in rechte betaling van loon vordert.
Het betreft hier volgens de Raad fictief inkomen nu de werkzaamheden moeten worden aangemerkt als productieve arbeid die in het maatschappelijk verkeer een economische waarde vertegenwoordigt. Daaraan doet onder de gegeven omstandigheden de familierelatie tussen betrokkene en haar vader niet af.
Anders dan de rechtbank meent de Raad dat dringende redenen om van terugvordering af te zien ontbreken.
BZK 2008/82
|
17-10-2008
Met de beleidsregels in het Vademecum wijkt de gemeente af van de bedoeling van de wetgever om bij de beoordeling van het arbeidsmarktperspectief in beginsel rekening te houden met alle omstandigheden die verband houden met arbeid en inkomsten (gemeente Roosendaal) Door imperatief de voorwaarde te stellen dat iemand de laatste twee jaar van de referteperiode volledig ontheven moet zijn geweest van de arbeidsverplichtingen, wijkt de gemeente Roosendaal af van de bedoeling van de wetgever om bij de beoordeling van het arbeidsmarktperspectief in beginsel rekening te houden met alle omstandigheden die verband houden met arbeid en inkomsten. Deze beperkte invulling van de gegeven beoordelingsvrijheid verdraagt zich niet met de ruimere opvatting van de wetgever. De conclusie is dan ook, dat de gemeente Roosendaal op kennelijk onredelijke en dus onjuiste wijze invulling heeft gegeven aan de gegeven beoordelingsvrijheid. BZK 2008/84
|
17-10-2008
Het meewerken aan reïntegratieactiviteiten dient te worden gezien als de vervulling van een normale burgerplicht als bedoeld in artikel 4 EVRM (Sociale Dienst Drechtsteden) Omdat betrokkene zich bij herhaling niet volgens het verzuimprotocol heeft afgemeld (ongeoorloofd verzuim gedurende drie dagen) is wegens recidive terecht een maatregel opgelegd van 50% gedurende een maand.
De aan eiser opgelegde reïntegratieverplichting vloeit voort uit het bepaalde in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB (onbetaalde arbeid in het kader van Work First).
Bij de interpretatie van de termen ‘dwangarbeid’ of verplichte arbeid’ dienen alle omstandigheden van het geval te worden meegewogen in het licht van de doelstellingen en de structuur van artikel 4 van het EVRM. Naar huidige maatschappelijke inzichten mag van de ontvanger van een bijstandsuitkering worden verlangd dat hij de nodige inspanningen verricht om uiteindelijk zelf in de noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien. Het meewerken aan reïntegratieactiviteiten dient dan ook te worden gezien als de vervulling van een normale burgerplicht als bedoeld in artikel 4, derde lid, sub d, van het EVRM.
BZK 2008/87
|
16-10-2008
Deze oud-student (schoolverlater) heeft de eerste zes maanden na de beëindiging van zijn studie geen recht op een toeslag, ook niet wegens afstemming (gemeente Groningen) De door deze oud-student aangevoerde omstandigheden vormen onvoldoende reden vormen om aan hem met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de WWB in afwijking van artikel 28 WWB en de Verordening een volledige of gedeeltelijke toeslag toe te kennen.
De omstandigheid dat het totale inkomen, bestaande uit studiefinanciering en een werkloosheidsuitkering, vóór de toekenning van bijstand ca. € 150,-- hoger was, is in dit verband ontoereikend.
BZK 2008/81
|
08-10-2008
Gelet op de uitgangspunten van de WWB en het klantprofiel kan betrokkene niet zonder meer worden verwezen naar een Work First-traject met een beperkt aanbod. Zonder nadere motivering ontbreekt verwijtbaarheid (gemeente Arnhem) Dit traject Work First moet worden aangemerkt als een voorziening, als bedoeld in artikel 9, eerste lid onder b, van de WWB, waar aan betrokkene niet meewerkt (maatregel 40% gedurende één maand). Het betreft ongeschoolde arbeid van zeer eenvoudige aard, naar keuze groenvoorziening of magazijnwerk. Geen sprake is van dwangarbeid of verplichte arbeid (artikel 4 EVRM en artikel 8 IVBPR).
Blijkens de geschiedenis van totstandkoming WWB moet vooraf zijn vastgesteld dat de voorziening noodzakelijk is om de belanghebbende uit te laten stromen. Betrokkene kan niet zonder meer worden verwezen naar een Work First-traject met een beperkt werkaanbod. Uit het klantprofiel blijkt niet op welke gronden het traject noodzakelijk is. De gemeente heeft niet zonder nadere motivering kunnen concluderen dat de weigering tot medewerking verwijtbaar is.
BZK 2008/78
|
30-09-2008
Gelet op de mate van zorg tussen twee personen kan zich binnen een meerpersoonshuishouden een gezamenlijke huishouding voordoen. Daarvan is in dit geval geen sprake (gemeente Amstelveen) Bijstandsverlening wordt afgewezen, nu betrokkene in zijn huurwoning samenwoont met zijn broer en diens echtgenote.
De definitie van gezamenlijke huishouding in artikel 3, derde lid, van de WWB spreekt uitdrukkelijk over twee personen wegens de gelijkstelling met gehuwden. De situatie kan zich voordoen dat twee personen - getoetst aan de wettelijke beoordelingscriteria - een gezamenlijke huishouding voeren, óók indien nog een of meer andere personen in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben. Voorwaarde is dan wel dat die twee personen ten opzichte van elkaar blijk geven van een mate van zorg, die niet aanwezig is ten opzichte van de andere persoon of personen die in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben.
Aan deze voorwaarden is in dit geval niet voldaan. Er is geen grond voor het oordeel dat betrokkene niet als zelfstandig subject voor bijstandverlening kan worden beschouwd.
BZK 2008/80
|
25-09-2008
Nu de moeder van vier minderjarige kinderen (2-11 jaar) al geruime tijd is afgesloten van energielevering, is er in dit geval sprake van zeer dringende redenen, als bedoeld in artikel 49 WWB (Sociale Dienst Drechtsteden) I.v.m. tekortschietend besef van verantwoordelijkheid is een schuld bij Eneco (€ 4970) ontstaan. Dit gegeven kan echter de afwijzing van bijzondere bijstand voor deze schuld niet dragen.
De Raad heeft bepaald dat het begrip zeer dringende redenen in de zin van artikel 16, eerste lid, WWB ten aanzien van minderjarige kinderen moet worden uitgelegd conform het bepaalde in de artikelen 3, eerste en tweede lid, en artikel 27, derde lid, van het IVRK. De uitleg van artikel 49 WWB dient hierbij aan te sluiten. Nu de moeder van vier minderjarige kinderen (al geruime tijd, sinds augustus 2007) is afgesloten van energielevering, is er in dit geval sprake van zeer dringende redenen.
Voorlopige voorziening toegewezen.
BZK 2008/86
|
22-09-2008
Het operatief plaatsen van borstprotheses is niet strikt medisch noodzakelijk. Een acute noodsituatie als bedoeld in artikel 16 WWB is in dit geval niet aannemelijk (gemeente Vught) De aanvraag om bijzondere bijstand in de kosten van borstprotheses wegens een genderbehandeling is afgewezen. De WWB dient bij de Zorgverzekeringswet (voorliggende voorziening) aan te sluiten (artikel 15 WWB). Daarom komen de kosten van deze behandeling niet voor bijstand in aanmerking. De vraag of de beslissing van de Minister van VWS juist is, om de behandeling als niet strikt medisch noodzakelijk aan te merken, ligt in dit geding niet ter beoordeling voor.
Anders dan de gemeente Vught ziet de rechtbank niet in, dat onder een situatie die van levensbedreigende aard is (artikel 16 WWB) niet ook zou kunnen worden verstaan: ten gevolge van psychische omstandigheden. Het ligt in de eerste plaats op de weg van betrokkene feiten en omstandigheden aan te voeren die er toe leiden dat in dit geval sprake is van een acute noodsituatie. Uit de overgelegde medische verklaringen kan dit niet worden afgeleid.
BZK 2008/79
|
16-09-2008
Bekend mag worden verondersteld, dat het feit dat het jongste kind de 18-jarige leeftijd bereikt (of voor het bereiken van deze leeftijd het gezin verlaat) en geen minderjarigen meer in het gezin resteren, van invloed is op de hoogte van de bijstand aan de alleenstaande ouder (gemeente Haaksbergen) Herstel aanvankelijke omissie (herzieningsbesluit) is toegestaan. De fiscale heffingskorting behoeft niet te worden vrijgelaten. Matiging wegens stilzitten gemeente via bijzondere omstandigheden (artikel 4:84 Awb) volgens zesmaandenjurisprudentie.
Namens de gemeente is terecht betoogd dat het betrokkene redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat haar na het vertrek van haar minderjarige dochter (15 jaar) geen bijstand meer toekwam naar de norm voor een alleenstaande ouder.
BZK 2008/85
|
15-09-2008
De beperking van zorgbehoefte tot bloedverwanten in de tweede graad, als uitzondering op de gezamenlijke huishouding, moet wegens strijd met artikel 26 IVBPR buiten toepassing worden gelaten (gemeente Purmerend) De omstandigheid dat het huisbezoek niet rechtmatig was, dwingt niet tot de conclusie dat de resultaten van de daarop volgende onderzoeken niet ten grondslag aan het bestreden besluit kunnen worden gelegd. Betrokkene heeft aangevoerd dat de waarnemingen en observaties onrechtmatig zijn, niet alleen omdat deze voortvloeien uit het onrechtmatig huisbezoek, maar ook op zichzelf bezien. De rechtbank onderschrijft dit standpunt niet.
Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, WWB, voor zover de uitzondering wegens het bestaan van een zorgbehoefte beperkt is tot bloedverwanten in de tweede graad, moet wegens strijd met artikel 26 IVBPR buiten toepassing worden gelaten. De zinsnede na 'tenzij' in deze bepaling dient te worden gelezen alsof er staat: 'tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of bij één van de ongehuwden sprake is van zorgbehoefte' (gemeente Purmerend)
BZK 2008/89
|
09-09-2008
Geschil inzake Meerwaardehypotheek Postbank (gemeente Zuidhorn) De term “beschikken” (artikel 11 WWB) moet zó worden uitgelegd, dat hij ziet op de mogelijkheid van een belanghebbende om de bezitting feitelijk te kunnen aanwenden voor noodzakelijke kosten van het bestaan. Betrokkene heeft in het kader van de met de Postbank gesloten Meerwaardehypotheek met haar ingelegde vermogen onder meer participaties gekocht in het Postbank Obligatiefonds. Niet kan worden gezegd dat betrokkene de maandbetaling door de Postbank ad € 655,00 feitelijk kan aanwenden, teneinde in andere noodzakelijke kosten van het bestaan dan de rentelasten van haar hypotheek te voorzien. Zij verkeert feitelijk in bijstandsbehoevende omstandigheden. Voorlopige voorziening getroffen. BZK 2008/76
|
09-09-2008
Deze teruggave inkomstenbelasting via een T-biljet is terecht teruggevorderd (gemeente Rotterdam) Bij de vaststelling van de verschuldigde inkomstenbelasting over het jaar 2005 heeft de Belastingdienst bepaald dat voor betrokkene de ouderenkorting en aanvullende ouderenkorting gold. Aan betrokkene is in verband daarmee in 2006 of 2007 een teruggave van belasting is gedaan ter hoogte van deze heffingskortingen. Over de relevante bijstandsperiode in 2005 is sprake van inkomen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, in verbinding met artikel 31, eerste lid, derde volzin, van de WWB. De teruggave via een T-biljet is reeds in 2005 terecht teruggevorderd (art. 58, eerste lid, onder f WWB). BZK 2008/77
|
19-08-2008
Een geringe normoverschrijding (5 euro) vormt geen beletsel voor een langdurigheidstoeslag (gemeente Almere) Veroordeling in proceskosten vernietigd nu voor de rechtsbijstand geen kosten in rekening zijn gebracht.
Bij de beoordeling van het inkomen in 2003 (onderdeel referteperiode) wordt als regel uitgegaan van het netto-inkomen zoals dat feitelijk is ontvangen, inclusief vakantietoeslag. Gelet op de bedoeling van de wetgever vormt de hoogte van het inkomen (geringe normoverschrijding) geen beletsel. Dat het netto-inkomen van betrokkene in dit jaar - kennelijk uitsluitend als gevolg van belastingheffing en/of vakantietoeslag - enkele euro's hoger uitviel dan de relevante bijstandsnorm leidt niet tot een ander oordeel.
Een inkomen volgens de Wet BIA moet worden gelijkgesteld aan een WW-uitkering (inkomen i.v.m. arbeid). Betrokkene voldoet dus niet aan de uitkeringsvoorwaarden (art. 36, eerste lid, onder b WWB).
BZK 2008/74
|
19-08-2008
Het enkel gedetineerd zijn gedurende aan aantal maanden vormt geen redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek (gemeente Terneuzen) Er waren over betrokkene geen objectieve feiten en omstandigheden bekend, op grond waarvan redelijkerwijs kon worden getwijfeld aan de juistheid of de volledigheid van de door hem, voor het vaststellen van de (omvang van) het recht op bijstand van belang zijnde, verstrekte gegevens. Een rechtvaardiging voor onaangekondigd huisbezoek resp. inbreuk op het huisrecht van betrokkene ontbreekt. De aanvraag is ten onrechte afgewezen.
Vaststaat dat betrokkene de bijstandsconsulent heeft uitgescholden voor “kankerhoer”. Deze uitlating moet als een zeer ernstig misdragen worden aangemerkt. Afstemming van 10% gedurende één maand. Betrokkene heeft aangevoerd dat zijn gedrag hem niet (volledig) valt toe te rekenen (brief van zijn behandelend psychiater). In de brief van de psychiater kan echter geen verklaring worden gevonden voor deze gedraging.
BZK 2008/75
|
13-08-2008
De heffingskorting geldt niet als een voorliggende voorziening, maar als een middel waarover men redelijkerwijs kan beschikken (gemeente Maasgouw) Het systeem van de WWB brengt met zich mee dat de fiscale mogelijkheden, waaronder de heffingskortingen, niet gelden als een voorliggende voorziening in de zin van artikel 5 en artikel 15 WWB. Met de fiscale mogelijkheden en gevolgen moet rekening worden gehouden voor het bepalen van de middelen en aanspraak op bijstand volgens artikel 11 jo. 31 WWB.
Temeer waar artikel 31, eerste lid, WWB spreekt van middelen, waarover men beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, ligt het in de rede niet zonder meer de heffingskorting mee te tellen, die maximaal mogelijk is, maar de heffingskorting waarover de belanghebbende redelijkerwijs kan beschikken, d.w.z. als rekening wordt gehouden met het gehele inkomen én buitengewone uitgavenaftrek, zoals ziektekostenpremies, arbeidsongeschiktheidsaftrek en hypotheekaftrek. Deze uitleg sluit ook aan bij het bepaalde in artikel 31, derde lid, volgens welke bepaling de middelen in aanmerking worden genomen tot het bedrag dat resteert na aftrek van onder meer verschuldigde inkomstenbelasting.
BZK 2008/72
|
05-08-2008
Voor iemand die vrijwillig en op eigen initiatief wil deelnemen aan budgetbeheer is bijzondere bijstand niet zonder meer afgesloten (gemeente Maastricht) Bijzondere bijstand in de kosten van vrijwillig budgetbeheer is afgewezen. In het kader van de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB dient het College aan de hand van de individuele omstandigheden van het geval alsnog te beoordelen of sprake is van noodzakelijke kosten in de zin van deze bepaling. Weliswaar vormt de aanstelling van een bewindvoerder, bijvoorbeeld in het kader van een schuldsaneringsregeling, een stevige aanwijzing dat daaraan verbonden, nog voor eigen rekening van de betrokkene blijvende kosten als noodzakelijke kosten kunnen worden bestempeld (CRvB 10 juni 2008 nr. 07/6 WWB, LJN BD4040, BZK 2008/53).
Maar dat betekent niet dat voor iemand die vrijwillig en op eigen initiatief hulp zoekt voor een oplossing van zijn (dreigende) financiële problemen de weg naar bijzondere bijstandsverlening zonder meer is afgesloten. Ook in dat geval zal het College zich na gedegen onderzoek naar alle relevante feiten en omstandigheden (waaronder in het onderhavige geval de voorgeschiedenis, de mate van urgentie van hulpverlening, eventuele wachttijden e.d.) een oordeel dienen te vormen over de noodzaak van de kosten en - in dit geval in samenhang daarmee - over de vraag of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.
BZK 2008/70
|
29-07-2008
De bijstand kan alleen worden afgestemd (artikel 18 tweede lid WWB) als verplichtingen niet zijn nagekomen. De zeer ernstige misdraging vormt geen zelfstandige grond voor een maatregel en moet slechts worden gezien als een verzwarende omstandigheid (gemeente Heerlen) Het zich zeer ernstig misdragen in de zin van artikel 18, tweede lid, van de WWB kan niet worden aangemerkt als een vorm van tekortschietend besef voor de voorziening in het bestaan. Immers, naar zijn aard kan een dergelijke misdraging geen invloed hebben op de voorziening in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Ook deelt de Raad niet de opvatting dat het zich misdragen moet worden beschouwd als een aparte aan de bijstand verbonden verplichting tot het nalaten van dit gedrag.
De bewoordingen van deze bepaling leiden ertoe dat de zin -waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen- terugslaat op het niet of niet voldoende nakomen van de uit de wet voortvloeiende verplichtingen. De Raad vindt voor deze grammaticale uitleg ook steun in de wetsgeschiedenis.
Aan de toepassingsvoorwaarden van deze bepaling is alleen voldaan indien sprake is van het niet of onvoldoende nakomen van een of meer van de verplichtingen, met als verzwarende omstandigheid dat sprake is van agressief, aan de belanghebbende toe te rekenen gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd.
BZK 2008/69
|
29-07-2008
De bepalingen ten aanzien van subsidies (Awb) zijn niet van toepassing op de WWB (gemeente Venlo) De bepalingen van titel 4.2 van de Awb gelden niet in de verhouding tussen de staatssecretaris SZW en de gemeente. In het licht van de wetsgeschiedenis van artikel 4:21 van de Awb moet worden aangenomen dat het derde lid ook ziet op uitkeringen aan een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld.
Voor deze verhouding geldt immers ook dat deze een zodanig eigen karakter heeft, dat de bepalingen van die titel daarop niet zonder meer kunnen worden toegepast. De omstandigheid dat in artikel 69 WWB is bepaald dat de hier aan de orde zijnde uitkeringen aan het college worden verstrekt maakt derhalve niet dat de uitzondering van artikel 4:21, derde lid, van de Awb niet van toepassing is.
BZK 2008/68
|
22-07-2008
Bijstand aan drugs- en alcoholverslaafden die in Schotland afkicken (gemeente Dordrecht) Betrokkene is feitelijk onbemiddelbaar naar werk. Hij is tijdelijk opgenomen in Castle Craig, Schotland, ter behandeling van een alcoholverslaving. Het betreft een psychiatrisch ziekenhuis dat is toegelaten als instelling voor AWBZ-zorg in het buitenland.
De in de WWB gestelde eisen inzake woon- en verblijfplaats (artikel 11 en 13 WWB) zijn bedoeld om de inschakeling in het arbeidsproces niet te frustreren en om controle op de rechtmatigheid van de bijstand mogelijk te maken. In dit geval gaan deze eisen verder dan ter bereiking van de doelstellingen noodzakelijk is. Zij moeten in dit geval als disproportioneel worden gekwalificeerd.
In artikel 16, eerste lid, van de WWB is een hardheidsclausule opgenomen. Dit artikel dient zodanig gemeenschapsrechtconform te worden uitgelegd, dat de in dit geval geconstateerde strijdigheid van artikel 11 en 13 WWB met artikel 49 van het EG-verdrag wordt opgeheven. Na afloop van de vrije termijn (artikel 13 WWB) dient algemene bijstand te worden verleend naar de zogeheten inrichtingsnorm.
BZK 2008/66
|
22-07-2008
Artikel 36 WWB staat er niet aan in de weg om een eerdere datum, dan die waarop de aanvraag is gedaan, als peildatum aan te merken (gemeente Wervershoof) Artikel 44 WWB is niet van overeenkomstige toepassing is verklaard op de langdurigheidstoeslag. Blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 36 WWB is de suggestie, tijdens het wetgevingsoverleg (2004), om een termijn op te nemen waarbinnen een gerechtigde een verzoek om een langdurigheidstoeslag kan indienen, verworpen. Artikel 36 WWB staat er niet aan in de weg om een eerdere datum, dan die waarop de aanvraag is gedaan, als peildatum aan te merken. BZK 2008/67
|
15-07-2008
Een aanleiding voor onaangekondigd huisbezoek ontbreekt en ook de feitelijke gang van zaken is onjuist. De intrekking van bijstand kan dan ook niet worden gebaseerd op ontbrekende medewerking aan het huisbezoek (gemeente Nieuwegein) De Raad ziet in het enkele gegeven, dat zich tussen de bankafschriften van betrokkene een bankafschrift op naam van een ander (geadresseerd aan het adres van betrokkene) bevond, geen redelijke grond voor een onaangekondigd huisbezoek. Terecht is aangevoerd dat de feitelijke gang van zaken rond het voorgenomen huisbezoek niet als juist kan worden aanvaard.
Aan betrokkene kan niet worden tegengeworpen dat zij haar medewerking aan het onaangekondigde huisbezoek had behoren te verlenen en de medewerkers van de gemeente toegang tot haar woning had moeten verschaffen. Het College was dan ook niet bevoegd om de bijstand in te trekken.
BZK 2008/65
|
10-07-2008
Het niet voldoen aan de verplichting budgethulpverlening door deze dakloze biedt geen grond tot afwijzing van bijstand (gemeente ’s-Hertogenbosch) Het beleid om in geval van dak- en thuislozen standaard een verplichting tot het aanvaarden van budgethulpverlening op te leggen kan niet als apert onredelijk worden aangemerkt. Bij dak- en thuislozen is er sprake van een situatie van tekortschietende zelfredzaamheid. In het onderhavige geval wordt dat niet anders doordat verzoeker bij de bijstandsaanvraag heeft aangegeven slechts tot een bedrag van ongeveer € 200,00 aan schulden te hebben.
Bij het niet voldoen aan genoemde verplichting biedt de WWB echter geen grondslag om de bijstandsaanvraag af te wijzen. Hierbij wil de voorzieningenrechter er op wijzen dat er dan weliswaar mogelijkerwijs sprake zou zijn van schending van de in artikel 17, tweede lid, van die wet vervatte medewerkingsverplichting, maar dat die schending in casu niet tot gevolg heeft dat het recht op bijstand niet zou zijn vast te stellen. De bijstandsbehoevendheid van verzoeker staat immers niet ter discussie.
BZK 2008/64
|
02-07-2008
Een besluit over de wijze van betaling hangt zozeer samen met de aanspraak op uitkering dat sprake is van een besluit met rechtsgevolg (gemeente Brunssum) Een schriftelijke beslissing die betrekking heeft op de wijze van betaling van een uitkering hangt zozeer samen met de aanspraak op de uitkering, dat aan die beslissing het besluitkarakter niet kan worden ontzegd. Dit betekent dat de van het besluit deel uitmakende beslissing omtrent de wijze van betaling van de tegemoetkoming moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Het bezwaar tegen het besluit is ontvankelijk.
De feiten en omstandigheden (schuldenregeling) hadden voor de gemeente aanleiding moeten zijn bij betrokkene te informeren naar het rekeningnummer waarop de tegemoetkoming kon worden gestort. Door dit na te laten is de beslissing omtrent de wijze van betaling van de tegemoetkoming niet voldoende zorgvuldig voorbereid.
BZK 2008/61
|
30-06-2008
Het onderzoek naar een WSW-indicatie dient op vrijwillige basis plaats te vinden. Bij ontbrekende medewerking kan geen maatregel worden opgelegd (gemeente Laarbeek) Nu een WSW-dienstbetrekking niet valt onder de reikwijdte van het begrip algemeen geaccepteerde arbeid, kan betrokkene niet worden verplicht mee te werken aan een WSW-indicatie. Een WSW-indicatie is uitsluitend gericht op de vaststelling of iemand al dan niet behoort tot de doelgroep van de WSW. Het enig denkbare gevolg van een positieve indicatie is dat iemand werkzaamheden in WSW-verband mag gaan verrichten. Nu dit laatste, ook in het geval van de door de gemeente bedoelde sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, slechts op vrijwillige basis kan geschieden, dient ook het zogenaamde indicatie-onderzoek op vrijwillige basis te worden verricht. De maatregel inzake niet meewerken aan een indicatie-onderzoek WSW wordt vernietigd. BZK 2008/63
|
30-06-2008
In de kosten van remigratie naar Curaçao wordt geen bijzondere bijstand verleend (gemeente Zaanstad) Het territorialiteitsbeginsel, dat ten grondslag ligt aan de WWB (artikel 11 WWB), sluit de mogelijkheid uit van bijstandsverlening voor kosten die buiten Nederland zijn opgekomen of die betrekking hebben op kosten die niet aan Nederland zijn verbonden. Hieronder vallen ook kosten voor remigratie naar Curaçao.
Betrokkene heeft niet aannemelijk heeft gemaakt dat in haar geval van een acute noodsituatie sprake is (artikel 16 WWB). De enkele omstandigheid dat zij voor de duur van een half jaar drie dagen per week opgenomen is geweest op een psychiatrische afdeling, is onvoldoende. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat zij volledig arbeidsongeschikt is verklaard op grond van psychische klachten.
BZK 2008/71
|
30-06-2008
Voor de beoordeling van het recht op bijstand is het als regel noodzakelijk om inzicht te verkrijgen in de financiële situatie in de aan de bijstandsaanvraag voorafgaande periode (gemeente Venlo) Aangezien voorafgaande aan de bijstandsaanvraag (december 2005) betrokkene vanaf juli 2003 geen recht op bijstand had, was het antwoord op de vraag, waarvan zij (in de periode tot de aanvraag van december 2005) heeft geleefd, van belang voor de beoordeling of zij in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeerde.
Op grond van de door betrokkene verstrekte gegevens kan worden geconcludeerd dat zij onvoldoende inzicht heeft verschaft over de wijze waarop zij in de kosten van haar bestaan heeft kunnen voorzien. Gelet op artikel 17 jo. 11 WWB kan niet worden vastgesteld of betrokkene ten tijde van de aanvraag verkeerde in bijstandsbehoevende omstandigheden.
BZK 2008/73
|
24-06-2008
De Afstemmingsverordening zelf vermeldt geen mogelijkheid tot afwijking van de standaardmaatregel. In de wet ligt echter besloten dat bij het vaststellen van de verlaging rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden e.d. (gemeente Roosendaal) De Raad stelt vast dat de Afstemmingsverordening van Roosendaal geen bepaling bevat op grond waarvan het College kan afwijken van de standaard toe te passen verlaging. Anders dan wellicht kan worden begrepen uit CRvB 11 maart 2008 nr. 05/6813 WWB, LJN BC7309, BZK 2008/21, meent de Raad dat in artikel 18, eerste lid, WWB, gelezen in samenhang met het tweede lid van dit artikel, besloten ligt dat bij het vaststellen van de verlaging rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene, de mate van verwijtbaarheid en de ernst van de gedraging bij het niet nakomen van opgelegde verplichtingen. BZK 2008/59
|
18-06-2008
I.v.m. overschrijding van de redelijke termijn (artikel 6 EVRM) wegens een bezwaarprocedure van anderhalf jaar wordt de gemeente veroordeeld tot een schadevergoeding van € 500 (gemeente Krimpen aan den IJssel) Het beroep tegen de terugvordering is ongegrond.
In dit geval is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM gaan lopen op de datum waarop het bezwaarschrift bij de gemeente is ingediend. De procedure in bezwaar heeft bijna anderhalf jaar geduurd. Ten tijde van het doen van deze uitspraak heeft de procedure (van bezwaar en beroep) in totaal 23 maanden geduurd. Daarmee is de redelijke termijn overschreden. Eiseres heeft recht op een schadevergoeding van € 500 naast de vergoeding van kosten rechtsbijstand.
BZK 2008/62
|
17-06-2008
Artikel 55 van de WWB biedt geen grondslag voor het opleggen van de verplichting tot het wekelijks leeghalen van de postbus (gemeente Leeuwarden) De gemeente Leeuwarden heeft toestemming verleend om gebruik te maken van het postbusadres en daaraan de verplichting verbonden, volgens artikel 55 WWB, dat betrokkene zijn post tenminste eenmaal per week ophaalt.
Voorop stellende dat het voor rekening en risico van de bijstandsgerechtigde komt dat hij daadwerkelijk kennis neemt van de inhoud van de door hem ontvangen post, vermag de rechtbank niet in te zien welk doel met de in geding zijnde verplichting wordt gediend, noch wat het verband hiervan is met de aard van de bijstand die eiser ontvangt. In vergelijking met bijstandsontvangers met een brievenbus betreft het ongelijke behandeling. Het door de gemeente met de verplichting beoogde doel, namelijk dat de bijstandsgerechtigde kennis neemt van de inhoud van de correspondentie, wordt met de verplichting niet bereikt.
BZK 2008/54
|
11-06-2008
Bijzondere bijstand in de kosten van het opvragen van medische informatie (WIA-zaak) is terecht afgewezen nu het gaat om schulden (gemeente Amsterdam) De rechtbank stelt vast dat het Andreas Ziekenhuis te Amsterdam schriftelijke inlichtingen heeft verschaft over de medische situatie van eiseres. Deze informatie is ingebracht in de bezwaarprocedure tegen de afwijzing van een WIA-uitkering. De aanvraag om bijzondere bijstand ziet op vergoeding van deze kosten van het ziekenhuis.
De kosten zijn vóór de dag van de aanvraag bij eiseres in rekening gebracht en zijn door gemachtigde betaald. Hieruit volgt dat eiseres een schuld heeft jegens gemachtigde, ten aanzien waarvan een verplichting tot terugbetaling voldoende vaststaat. Niet gebleken is dat er sprake is van een zeer dringende reden in de zin van artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB.
BZK 2008/60
|
10-06-2008
De hoge kamerhuur is onvoldoende reden af te wijken van het forfaitaire stelsel volgens de Toeslagenverordening (gemeente Arnhem) Het College van Arnhem wijkt slechts in schrijnende situaties af van het forfaitaire stelsel volgens de Toeslagenverordening Arnhem. Het College geeft daarmee een te beperkte uitleg aan het in artikel 18, eerste lid, van de WWB neergelegde individualiseringsbeginsel.
Op zichzelf bezien is een hoge kamerhuur zoals in dit geval echter onvoldoende reden af te wijken van het forfaitaire stelsel.
BZK 2008/51
|
10-06-2008
Het enkele feit dat de wettelijke schuldsaneringsregeling volgens de WSNP uitsluitend op verzoek van de betrokkene kan worden uitgesproken, maakt niet dat de salariskosten van de bewindvoerder niet als noodzakelijke kosten kunnen worden beschouwd (gemeente Venlo) De rechtbank heeft geoordeeld (2005) dat appellant voldoet aan de voorwaarden voor toelating tot de schuldsaneringsregeling. De termijn gedurende welke de schuldsaneringsregeling van kracht is heeft de rechtbank vastgesteld (2007) op 15 maanden, te rekenen vanaf 2005. Overeenkomstig artikel 320, eerste lid, Fw. heeft de rechtbank daarbij het salaris van de bewindvoerder vastgesteld.
In aanmerking genomen de in het individuele geval van appellant door de rechtbank gemaakte afwegingen meent de Raad, dat de noodzaak van de schuldsaneringsregeling uitgangspunt voor het College van Venlo dient te zijn. Hetgeen evenzeer geldt voor de salariskosten van de door de rechtbank benoemde bewindvoerder. De vrijwillige deelname doet hieraan niet af.
BZK 2008/53
|
10-06-2008
Nu de bijstandsnorm is verlaagd wegens het ontbreken van huurkosten en hypotheeklasten, zonder verder onderzoek naar lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, is gehandeld in strijd met artikel 27 WWB (gemeente Moerdijk). De gemeenteraad van Moerdijk heeft met artikel 5 van de Toeslagenverordening de in artikel 27 van de WWB toegekende verordenende bevoegdheid overschreden, door zonder meer een verlaging van de bijstandsnorm voor te schrijven in elke situatie waarin huurkosten en hypotheeklasten ontbreken. Op die wijze wordt immers geen rekening gehouden met mogelijke andere woonkosten die jegens een derde verschuldigd zijn hetgeen essentieel is voor de toepassing van artikel 27 WWB.
Deze overschrijding van de bevoegdheid wordt niet ongedaan gemaakt of gecompenseerd door de plicht tot individuele afstemming zoals neergelegd in artikel 18, eerste lid, WWB.
BZK 2008/57
|
10-06-2008
Personen die, al dan niet in deeltijd, deelnemen aan het reguliere arbeidsproces vallen niet onder het bereik van de langdurigheidstoeslag, ongeacht medische beperkingen (gemeente Aa en Hunze, Assen en Tynaarlo) Rechtbank: Betrokkene is wegens medische beperkingen niet in staat met betaald werk meer te verdienen dan de bijstandsnorm. Artikel 36, eerste lid, en onder b, van de WWB, zoals dat thans luidt, biedt ten onrechte geen enkele ruimte om met voor de beoordeling van het arbeidsmarktperspectief relevante medische omstandigheden rekening te houden bij de aanspraak op langdurigheidstoeslag. Dit is in strijd met artikel 26 IVBPR.
Raad: Nu betrokkene eerst acht en later zes uur per week betaald werkt bij een kinderdagverblijf kan niet gesproken worden van zeer geringe inkomsten uit arbeid van zeer geringe duur. De ruime uitleg van arbeidsmarktperspectief wordt niet gevolgd.
BZK 2008/58
|
09-06-2008
Op basis van bestandskoppeling (Waterproof) is terecht een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid (gemeente Utrecht) De rechtbank stelt vast dat in het kader van het project Waterproof door middel van bestandskoppeling de verbruikgegevens zijn opgevraagd van adressen met een geregistreerd waterverbruik van minder 20 m3, terwijl het gemiddelde waterverbruik van één persoon per jaar 48 tot 50 m³ bedraagt. Hoewel bestandskoppeling in beginsel als een ingrijpende maatregel dient te worden beschouwd, kan niet worden gesteld, gelet op bij de uitvoering van de bij de WWB betrokken belangen, dat het gebruik van dat controlemiddel in dit geval ontoelaatbaar moet worden geacht.
Op basis van het op dit adres geconstateerde waterverbruik van 5 m³ in 2005 is terecht een nader onderzoek is ingesteld naar de rechtmatigheid van de verleende bijstand. Wegens verzwegen gezamenlijke huishouding is de verleende bijstand terecht ingetrokken en teruggevorderd.
BZK 2008/56
|
05-06-2008
Beleidsregels zonder de mogelijkheid van een tijdelijke ontheffing voorziening sociale activering zijn in strijd met de wet (gemeente Amsterdam) In geschil is de verplichting dat betrokkene zich houdt aan het trajectplan (sociaal activeringstraject). Het beleid van de gemeente Amsterdam, voor zover daarbij is uitgesloten tijdelijk ontheffing te verlenen van de in artikel 9, eerste lid, onder b, WWB genoemde verplichtingen, is in strijd met artikel 9, tweede lid, van de WWB. Immers, het maakt de in de WWB neergelegde bevoegdheid om van de verplichtingen volgens het eerste lid tijdelijk ontheffing te verlenen illusoir. Het beleid gaat in zoverre dan ook een redelijke beleidsbepaling te buiten.
De gemeente heeft zijn weigering om in dit geval tijdelijk ontheffing te verlenen (op basis van gestelde gezondheidsproblemen) gemotiveerd door te verwijzen naar zijn beleid. Wegens een ondeugdelijke motivering is het beroep gegrond.
Gelet op de aard en inhoud van de verplichting tot medewerking kan niet worden staande gehouden dat sprake is van dringende redenen in de zin van artikel 9, tweede lid, van de WWB en blijven de rechtsgevolgen gehandhaafd.
BZK 2008/83
|
03-06-2008
Ook voor het beoordelen van het recht op bijstand van de adresloze is de feitelijke woon- en leefsituatie van de betrokkene van doorslaggevend belang (gemeente Breda)
Niet ter discussie staat dat betrokkene zich ten tijde van de aanvraag in de gemeente Breda bevond en dat hij niet was ingeschreven in de GBA. Dat betekent evenwel niet zonder meer dat betrokkene als adresloze recht op bijstand heeft. Ook voor het beoordelen van het recht op bijstand van de adresloze is de feitelijke woon- en leefsituatie van de betrokkene van doorslaggevend belang.
Volgens de gemeente Breda is betrokkene geen (zwervende) dakloze. Terecht is aangegeven dat betrokkene zich moet laten inschrijven op het adres waar hij verblijft, waarna hij een bijstandsuitkering kan aanvragen.
BZK 2008/50
|
03-06-2008
De gemeente heeft niet voldoende inzichtelijk gemaakt waarom verzoeker in spoor 3 is ingedeeld, hetgeen heeft geleid tot een Work First-toepassing. Verplichte deelname geschorst (gemeente Bergen op Zoom) Aan betrokkene is de verplichting opgelegd om gebruik te maken van een door de gemeente Bergen op Zoom aangeboden voorziening, gericht op arbeidsinschakeling en sociale activering, door aanmelding bij een werkervaringsproject voor mensen met grote afstand tot de arbeidsmarkt (Work First).
De gemeente heeft verzoeker in ‘spoor’ (of ‘fase’) 3 ingedeeld, hetgeen betekent dat verzoeker eerst na een lang traject bemiddelbaar zal zijn. De gemeente heeft niet voldoende inzichtelijk gemaakt waarom verzoeker in spoor 3 is ingedeeld. Het bestreden besluit is onrechtmatig. Voorlopige voorziening: schorsing en ontheffing van verplichting.
BZK 2008/55
|
30-05-2008
Deze categorale afwijzing van de langdurigheidstoeslag, wegens een WW-uitkering in de referteperiode, is niet in overeenstemming met het gemeentelijk beleid (gemeente Almere) Het bijstandsbeleid van Almere inzake de langdurigheidstoeslag volgens het Schulinck Handboek WWB bij een zeer gering inkomen ziet enkel op inkomsten uit arbeid. Het ziet niet op inkomsten in verband met arbeid, waarvan in de situatie van eiseres (met een WW-uitkering) sprake is.
Het college heeft in dit geval tijdens de beroepsprocedure aangegeven dat het enkele genieten van een WW-uitkering in de referteperiode leidt tot afwijzing van de aanvraag vanwege het aanwezig zijn van arbeidsmarktperspectief. De rechtbank stelt vast dat een dergelijke categorale afwijzing niet in overeenstemming is met het aangehaalde lokale beleid. Hierin wordt immers juist beschreven dat een onderscheid tussen arbeidsongeschiktheidsuitkering en WW-uitkering níet gemaakt dient te worden. De afwijzing is niet in overeenstemming met gemeentelijk beleid en is onvoldoende gemotiveerd.
BZK 2008/49
|
27-05-2008
Bij de draagkrachtberekening bijzondere bijstand wordt met belangrijke wijzigingen in het inkomen alleen rekening gehouden op het moment van een nieuwe aanvraag (gemeente Groningen) Volgens de Groningse beleidsregels Marge is Regel wordt met belangrijke wijzigingen in het inkomen tijdens het draagkrachtjaar in die zin rekening gehouden, dat bij een nieuwe aanvraag om bijzondere bijstand alsdan opnieuw de draagkracht van de betrokkene wordt vastgesteld en een nieuwe draagkrachtperiode wordt bepaald.
Naar het oordeel van de Raad gaat het hiervoor omschreven beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten.
BZK 2008/43
|
27-05-2008
De verlaging wegens ontbrekende woonkosten in combinatie met de verlaagde toeslag wegens woningdeling leidt tot een dubbele verlaging, hetgeen via afstemming hoort te leiden tot afwijking van de Toeslagenverordening (Millingen aan de Rijn) Artikel 18, eerste lid, van de WWB bevat mede de verplichting de bijstand af te stemmen op de omstandigheden en middelen van de belanghebbende. Deze verplichting kan meebrengen dat in voorkomende gevallen behoort te worden afgeweken van de in de Toeslagenverordening neergelegde regels voor verlaging.
Door in dit geval de norm te verlagen met 18% van de gehuwdennorm, terwijl al sprake was van (slechts) een toeslag van 10% wegens woningdeling, heeft het College van Millingen aan de Rijn betrokkene feitelijk geconfronteerd met een dubbele verlaging als gevolg van zijn woonsituatie. Enerzijds omdat hij (onder meer) zijn woonkosten zou kunnen delen en anderzijds omdat hij geen woonkosten heeft.
Daarmee heeft het college ten onrechte onvoldoende acht geslagen op het totale effect van een dergelijke cumulatie. In die situatie heeft het college naar het oordeel van de Raad niet in redelijkheid kunnen besluiten onverkort toepassing te geven aan de verordening. BZK 2008/44
|
27-05-2008
Ondanks een medische indicatie voor de kosten van fitness ontbreken bijzondere omstandigheden, zodat geen bijzondere bijstand moet worden verleend (gemeente Rotterdam) Onderhavig besluit is een gevolg van de inwerkingtreding van de Zorgverzekeringswet (2006). De kosten waarin bijzondere bijstand is gevraagd (fitness) vallen niet onder het zorgverzekeringspakket. De gemeente Rotterdam heeft besloten tot een afbouwregeling.
De Raad houdt het er voor dat ten tijde van de aanvraag van 17 januari 2006 een medische indicatie bestond voor het beoefenen van fitness, zodat de kosten van fitness in dit geval noodzakelijk zijn.
Naar het oordeel van de Raad vloeien de kosten van fitness echter niet voort uit bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de kosten van fitness (ook) in het geval van appellant dienen te worden gerekend tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Algemeen noodzakelijke bestaanskosten dienen te worden bestreden uit een inkomen op bijstandsniveau. De Raad ziet geen aanleiding om in het geval van appellant anders te oordelen.
BZK 2008/48
|
23-05-2008
Gelet op de omstandigheden wordt deze afstemming wegens bedreiging met lichamelijk geweld gematigd (gemeente Zaanstad) Betrokkene heeft niet ontkend dat hij tegen de reïntegratieconsulent heeft gezegd: "Ik pak je nog wel, kom maar mee naar buiten, dan zal je weten wie ik ben". De gemeente Zaanstad heeft deze uitlating terecht gekwalificeerd als bedreiging met lichamelijk geweld (benoemd in de Maatregelenverordening).
In het algemeen kan een sanctie van 100% gedurende een maand niet als onredelijk worden aangemerkt. Gelet op de omstandigheden van dit geval, waarbij eiser weliswaar een uitlating heeft gedaan die niet geaccepteerd kan worden, maar ook weer snel gekalmeerd was, acht de rechtbank in dit geval slechts een sanctie van 50% gerechtvaardigd.
BZK 2008/46
|
20-05-2008
Voor bijzondere bijstand in begrafeniskosten is de goedkoopst mogelijke adequate voorziening toereikend (gemeente Almere) Het College van Almere is bevoegd de vergoedingen in het kader van de bijzondere bijstandsverlening zodanig te normeren, dat de betrokkene de goedkoopst mogelijke adequate voorziening kan treffen. Het College is niet gehouden volgens het erfrecht uit te gaan van de daadwerkelijk gemaakte kosten, zijnde € 5.429,41. Volgens de Nibud-prijzengids is een maximum van € 2.800 niet onredelijk. Onder aftrek opbrengst uitvaartpolis € 588 is het resterend bedrag terecht naar rato van het erfdeel in aanmerking genomen. BZK 2008/41
|
20-05-2008
Bij deze kamerhuur is geen redelijke grond aanwezig om een huisbezoek af te leggen teneinde de verblijfsgegevens te verifiëren (gemeente Zoetermeer) Aan het niet meewerken aan een huisbezoek kunnen eerst gevolgen worden verbonden, indien voor dat huisbezoek in het individuele geval een redelijke grond bestaat. Van een dergelijke grond is in gevallen als deze sprake, indien op basis van concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of de volledigheid van de door betrokkene verstrekte inlichtingen, voor zover deze gegevens onmiskenbaar van belang zijn voor het vaststellen van (de omvang van) het recht op bijstand en deze gegevens niet op een voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd.
In dit geval van kamerhuur is geen redelijke grond aanwezig om een huisbezoek af te leggen teneinde te verifiëren of betrokkene wel daadwerkelijk woonachtig was op het aangegeven adres. Betrokkene kan niet worden tegengeworpen dat hij geen medewerking heeft verleend aan het huisbezoek en de gemeente was niet bevoegd om de uitkering in te trekken.
BZK 2008/42
|
20-05-2008
Bij een gemeenschappelijke regeling moet het grondgebied van de deelnemende gemeenten niet als één gemeente worden beschouwd (gemeente Noardwest Fryslân) Welke gemeente moet bij deze verzwegen gezamenlijke huishouding een besluit nemen resp. kan volstaan worden met de constatering dat de betrokken partner niet in de gemeente verblijft en op die grond geen recht op bijstand heeft.
De gemeenten van Het Bildt en Leeuwarderadeel hebben samen met zes andere gemeenten een gemeenschappelijke regeling getroffen. In het kader daarvan hebben de colleges hun (formele) bevoegdheden op grond van onder meer de artikelen 54, 58 en 59 WWB overgedragen aan het dagelijks bestuur van de Dienst SZW.
Dat betekent echter niet dat het grondgebied van deelnemende gemeenten voor de toepassing van de WWB als één gemeente moet worden beschouwd of dat het (materiële) recht op bijstand niet langer bestaat jegens het college van de gemeente, waar de belanghebbende woonplaats heeft, maar jegens het dagelijks bestuur.
BZK 2008/47
|
06-05-2008
Bij nabetaling van een WW-uitkering is de terugvordering wegens onverschuldigde betaling een zelfstandige terugvorderingsgrond, hoewel het later beschikbaar komende middelen betreft (gemeente Sittard-Geleen) Bij brief van 20 november 2003 is namens de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) aan appellant meegedeeld dat hem, na verrekening met de WAO-uitkering, over de periode van 3 februari 2003 tot en met 17 april 2003 nog een bedrag van € 373,53 netto aan uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) wordt nabetaald.
Hoewel in de hier bedoelde gevallen volgens artikel 58, eerste lid, onder f WWB, waarin pas na de toekenning van bijstand middelen beschikbaar komen die betrekking hebben op dezelfde periode als waarop de bijstand ziet, van onverschuldigde betaling geen sprake is, heeft de wetgever kennelijk beoogd in dit artikel een soortgelijke bepaling op te nemen als destijds in artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw was neergelegd, met dien verstande dat het thans een bevoegdheid tot terugvordering betreft.
BZK 2008/39
|
24-04-2008
Het is in strijd met artikel 26 IVBPR om bij het onweerlegbaar rechtsvermoeden -ten aanzien van de leeftijd van het kind- geen enkele beperking in de tijd aan te leggen (gemeente Zuidwest-Fryslân) De toelichting op de introductie van “onweerlegbaar rechtsvermoeden” kan geen temporeel onbeperkte toepassing rechtvaardigen. In ieder geval kan vanaf het moment waarop een kind in het algemeen geacht kan worden zelfstandig in de samenleving te functioneren immers niet aangenomen worden dat het nog door zijn ouders wordt verzorgd. Dit betekent dat het in strijd is met artikel 26 van het IVBPR om bij de toepassing van het onweerlegbaar rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, onder b, van de WWB geen enkele beperking in tijd aan te leggen.
Een voldoende rechtvaardiging voor toepassing van dit rechtsvermoeden kan naar het oordeel van de Raad in beginsel wel aanwezig worden geacht tot de leeftijd waarop het (jongste) kind de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt.
BZK 2008/25
|
22-04-2008
De verplichting tot het nalaten van werkzaamheden als gesprekstherapeut (volgens bescheiden omvang) is in strijd met de wet (gemeente Smallingerland) Deze gesprekstherapeut behoort tot de kring van rechthebbenden ingevolge de WWB. Dit betekent dat hij gehouden is om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden in loondienst, in een werkgelegenheidstraject dan wel in eigen bedrijf of zelfstandig beroep, gericht op (duurzame) economische zelfstandigheid.
Het College van Smallingerland heeft geweigerd om gebruik te maken van zijn bevoegdheid met toepassing van artikel 55 WWB nader te preciseren, onder welke voorwaarden de door verzoeker gewenste activiteiten mogen worden verricht. Teneinde te voorkomen dat verzoeker deze activiteiten toch gaat verrichten, heeft het College bedoeld hem te verplichten tot het nalaten van activiteiten als gesprekstherapeut.
De Voorzieningenrechter CRvB meent dat niet staande kan worden gehouden, dat het verrichten van werkzaamheden als gesprekstherapeut geen inkomsten zou genereren die (kunnen) leiden tot vermindering van de bijstand. Het College was niet bevoegd de bedoelde verplichting aan verzoeker op te leggen en heeft de door verzoeker gevraagde toestemming niet in redelijkheid kunnen weigeren.
BZK 2008/35
|
22-04-2008
Dankzij een onjuiste verwijzing door het CWI doen zich bijzondere omstandigheden voor die terugwerkende kracht rechtvaardigen (gemeente Gouda) Anders dan het College van Gouda is de Raad van oordeel dat bijzondere omstandigheden voldoende zijn gebleken. Vast staat dat appellante zich op 24 februari 2005 tot het CWI gewend heeft met de intentie om een WWB-uitkering aan te vragen. Zij is toen verwezen naar de SVB voor het aanvragen van een persoonsgebonden budget ten behoeve van haar moeder en broer en voorts verzocht om terug te komen wanneer een dergelijk budget niet zou worden toegekend. Een dergelijke verwijzing is met het oog op een adequate vervulling van de taak van het College tot het verlenen van bijstand in dit geval onvoldoende. De omstandigheid dat appellante niet aanstonds na het contact met de SVB naar het CWI is teruggekeerd, levert in het licht van de onjuiste verwijzing door het CWI en van wat hetgeen appellante daarna wel heeft gedaan, geen grond op om tot een ander oordeel te komen. BZK 2008/36
|
22-04-2008
Ondanks beschikbare aanwijzingen is het onderzoek naar gezamenlijk hoofdverblijf te summier wegens het ontbreken van concrete vragen, observaties en buurtonderzoek (gemeente Rotterdam) Hoewel diverse feitelijke gegevens wijzen in de richting van gezamenlijk hoofdverblijf op het adres van de vrouw zijn de aanwijzingen nog niet toereikend om het bestaan van een zodanig hoofdverblijf in voldoende mate aannemelijk te achten.
Het College heeft slechts summier nader onderzoek verricht naar de feitelijke woonsituatie van [naam partner] op het adres waar hij stond ingeschreven en waar hij een kamer had. Wel is een bezoek aan dat adres gebracht maar er werd niet opengemaakt. De buurvrouw bleek [naam partner] niet te kennen en zei dat er allerlei vreemde figuren in het pand komen. Niet gebleken is dat aan appellante en [naam partner] concrete vragen zijn gesteld ter zake van zijn feitelijke woonsituatie op laatstgenoemd adres. Evenmin zijn aldaar observaties verricht, noch is getracht nadere informatie te verkrijgen door het bevragen van verschillende buren dan wel bewoners van het pand. Ook zijn geen observaties bij de woning van appellante verricht en is ook daar geen buurtonderzoek gedaan.
BZK 2008/37
|
16-04-2008
De aangeboden meerkansbaan kan niet worden aangemerkt als dwangarbeid (gemeente Beverwijk) Eiser heeft betoogd dat het aangeboden werk strijd oplevert met 4 EVRM. De aangeboden meerkansbaan die hier aan de orde is kan bezwaarlijk als dwangarbeid worden gekwalificeerd. Eiser wordt immers op zichzelf niet gedwongen tot het verrichten van zulk werk, op dreiging van een straf. Wel wordt de bijstandsverlening afgestemd op het getoonde besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het eigen bestaan ex artikel 18 WWB.
De wetgever heeft geen beperkende voorwaarden gesteld aan aard en omvang van het werk en aansluiting op opleiding en ervaring, teneinde zo te bereiken dat een eventueel beroep op inkomensondersteuning zo kort mogelijk is. Dat is, gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van de WWB, het uitgangspunt van deze wet. Daarbij dient uiteraard wel te worden gekeken naar aansluiting bij individuele mogelijkheden van de persoon in verband met gezondheid en belastbaarheid. Niet is gebleken dat hier aan voorbij is gegaan. BZK 2008/34
|
16-04-2008
Artikel 11 jo. 16 WWB is in geval van deze ongewenstverklaring in strijd met artikel 3 EVRM (gemeente Baarn) Volgens artikel 11 jo. 16 WWB heeft de gemeente Baarn de bijstand aan deze vreemdeling wegens GBA-code 98 terecht beëindigd.
Als gevolg van vaste jurisprudentie van de Raad van State inzake besluiten tot ongewenstverklaring is de situatie ontstaan dat het verblijfsrecht is beëindigd, zonder dat er een rechterlijk oordeel is gegeven over de rechtmatigheid daarvan.
De voorzieningenrechter ziet termen aanwezig om de twee bestuursrechtelijke trajecten te verbinden. Niet is in rechte is komen vast te staan dat de tegenwerping van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag rechtmatig is. Deze casus zou de conclusie kunnen dragen dat sprake is van een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.
Beëindiging van bijstand geschorst.
BZK 2008/45
|
08-04-2008
Of wegens een verzwegen gezamenlijke huishouding en een gestelde zorgrelatie sprake is van een discriminatoir onderscheid vergt een nadere beoordeling, waarvoor de voorlopige voorzieningprocedure zich niet leent (gemeente Amsterdam) Wegens een verzwegen gezamenlijke huishouding is de bijstand ingetrokken. Aangevoerd is dat hier sprake is van een discriminatoir onderscheid, aangezien het hier gaat om een zorgrelatie. Verzocht is artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB buiten toepassing te laten wegens strijd met (onder meer) artikel 26 IVBPR.
De Voorzieningenrechter CRvB wijst op CRvB 9 maart 2004 nr. 01/4355 ANW, LJN AO5661. Indien ten opzichte van de uitzonderingsgroepen volgens art. 3, tweede lid, onder a WWB resp. art. 17, tweede lid, AOW van gelijke gevallen kan worden gesproken, zal ook moeten worden beoordeeld of, mede in het licht van de wetsgeschiedenis, het gewraakte onderscheid door redelijke en objectieve gronden wordt gerechtvaardigd.
Een en ander vergt een nadere beoordeling door het College van de gemeente Amsterdam en vervolgens ook door de rechter, waarvoor de voorlopige voorzieningprocedure zich niet goed leent. Van een grote mate van waarschijnlijkheid dat deze grief van verzoekster zal slagen is, afgaande op de thans voorhanden zijnde gegevens, geen sprake.
BZK 2008/32
|
07-04-2008
Door niet uiterlijk binnen drie maanden de 100%-maatregel wegens weigering van een traject Work First te heroverwegen heeft de gemeente in strijd gehandeld met artikel 18, derde lid, WWB (gemeente Haarlem) De gemeente Haarlem heeft de bijstand met ingang van 1 januari 2008 voor de duur van zes maanden verlaagd met 100% omdat niet wordt meegewerkt aan een traject Work First Paswerk. Door niet uiterlijk binnen drie maanden (uiterlijk per 1 april 2008) de verlaging van de uitkering te heroverwegen heeft verweerder in strijd gehandeld met artikel 18, derde lid, WWB.
Op grond van de rapportage van een psychiater rijst er twijfel of de gedragingen van verzoeker hem volledig kunnen worden verweten. Verweerder zal in ieder geval niet zonder nader onderzoek naar de psychische toestand van verzoeker kunnen beslissen tot onverminderde voortzetting van de maatregel van verlaging van de uitkering met 100%. De voorzieningenrechter ziet, gelet op de betrokken belangen, hierin aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.
BZK 2008/52
|
01-04-2008
De 30-dagenregel staat in dit geval van oververmogen intrekking voor onbepaalde duur in de weg (gemeente Amsterdam) Wegens een prijs in de postcodeloterij en oververmogen is de bijstand ingetrokken.
Gelet op artikel 19, eerste lid, WWB jo. artikel 45, derde lid, WWB (30-dagenregel) had na de intrekking een herbeoordeling in dit geval niet achterwege mogen blijven. In deze bepalingen ligt immers besloten dat in geval de bijstandsverlening gedurende ten minste 30 dagen is onderbroken of had kunnen worden onderbroken de bijstandsbehoevendheid van een belanghebbende na afloop van die periode opnieuw kan worden aangenomen, indien het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de bijstandsnorm en vaststelling van het dan feitelijk beschikbare vermogen meebrengt dat er geen in aanmerking te nemen vermogen is.
Nagegaan had moeten worden in hoeverre er na dertig dagen recht op algemene bijstand was en zo ja, wat het feitelijk beschikbare vermogen en, afgezet tegen de dan geldende vermogensgrens, de resterende vrije vermogensruimte was.
De enkele vaststelling dat sprake was van in aanmerking te nemen vermogen biedt voldoende basis voor intrekking van de bijstand met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB voor de periode van dertig dagen. Gelet op de door appellant aangedragen gegevens is deze vaststelling echter ontoereikend om een intrekking van de bijstand voor onbepaalde duur te kunnen dragen.
BZK 2008/28
|
26-03-2008
Bij afstemming wegens een zeer ernstige misdraging is een beoordeling van de psychische omstandigheden noodzakelijk om de mate van verwijtbaarheid te bepalen (gemeente Rotterdam) De afstemming wegens het niet behouden van een baan kan volgens de rechtbank niet in stand blijven wegens onvoldoende onderzoek.
De rechtbank volgt eiser niet als hij stelt dat hij zich alleen agressief naar zichzelf heeft opgesteld. Betrokkene heeft telefonisch gedreigd dat hij met een mes zou steken en heeft gezegd dat de medewerkers kapot moeten. Er is sprake van gedrag dat in het normale menselijke verkeer als onacceptabel moet worden beschouwd.
Voorts is de rechtbank van oordeel dat het zich misdragen jegens een medewerker van een reïntegratiebureau wel degelijk is te kwalificeren als het zich misdragen jegens het college als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB, nu ook deze personen werken in opdracht van het college. Het in artikel 18, tweede lid, van de WWB vereiste verband tussen de gedraging en de op eiser ingevolge de WWB rustende verplichtingen is in dit geval aanwezig.
Uit de overgelegde rapportage van BAVO Europoort blijkt dat eiser een paranoïde, alsook een zelfondermijnende persoonlijkheidsstoornis heeft. De rechtbank acht dit van invloed op de mate van verwijtbaarheid, zodat de toegepaste afstemming moet worden gematigd. BZK 2008/33
|
26-03-2008
Bij de indiening van het bezwaarschrift (faxbericht) vormt de enkele vermelding op het verzendjournaal van de status "OK" geen sluitend bewijs van de tijdige verzending (gemeente Maastricht) De indiener kan niet aannemelijk maken dat het bezwaarschrift daadwerkelijk per fax is verzonden. Het verzenden van een faxbericht is weliswaar een geoorloofde wijze van verzending, maar het risico hiervan ligt ingevolge vaste rechtspraak bij de verzender. De enkele vermelding op verzendjournaal van de status "OK" vormt geen sluitend bewijs van de verzending. De ontvanger mag op zijn beurt niet volstaan met een enkele ontkenning van de ontvangst. Op hem rust een onderzoeksplicht, die qua aard en omvang mede wordt bepaald door de opstelling van de verzender, die in dit geval twee maanden heeft stilgezeten. BZK 2008/27
|
25-03-2008
Deze afstemming na intrekking resp. terugvordering wegens verzwegen detentie wordt aangemerkt als een punitieve (bestraffende) sanctie (gemeente Zwolle) In dit geval heeft de schending van de inlichtingenplicht voor betrokkene geleid tot de intrekking van zijn bijstandsuitkering over de periode van detentie gedurende één week. Aansluitend is een terugvordering ingesteld. Het vervolgens ook nog tijdelijk verlagen van de uitkering in een periode nadien heeft in elk geval mede als effect gehad dat eiser (extra) leed is toegebracht en daarmee is die verlaging aan te merken als een punitieve (bestraffende) sanctie.
De rechtbank heeft om die reden niet alleen te beoordelen of de gemeente Zwolle op grond van artikel 2, tweede lid, van de Afstemmingsverordening af had moeten wijken van de opgelegde standaardmaatregel. Of dat de gemeente een dringende reden in de zin van artikel 13, tweede lid, van die verordening aan had moeten nemen. Ook is van belang of de verlaging van de uitkering niet onevenredig is te achten. Wegens strijd met het motiveringsbeginsel wordt het bestreden besluit vernietigd, met handhaving van de rechtsgevolgen.
BZK 2008/31
|
19-03-2008
De verjaring van deze terugvordering is niet tijdig gestuit (gemeente Valkenswaard) In de Abw en de WWB is geen regeling opgenomen over de verjaring van het recht op terugvordering van gemaakte kosten van bijstand. Het is de bedoeling dat voor de regeling van de verjaring aansluiting wordt gezocht bij de regeling in het BW.Door eerdere stuiting is, gelet op het bepaalde in artikel 3:319 van het BW een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaren gaan lopen.
Door een vervolghandeling van de gemeente Valkenswaard binnen deze nieuwe termijn is de verjaringstermijn niet opnieuw gestuit. De brief aan de curator is immers verstuurd, nadat het faillissement waarin de curator was benoemd alweer was opgeheven. Deze brief kan daarom niet worden gezien als een daad van rechtsvervolging van de zijde van de gerechtigde als bedoeld in artikel 3:316 van het BW. Op dat moment was de curator immers niet meer de bevoegde persoon om tot uitbetaling van de openstaande vordering op eiser over te gaan. Bij het besluit van terugvordering is de gemeente niet binnen die laatste termijn van vijf jaren gebleven.
BZK 2008/30
|
19-03-2008
Geen afstemming nu betrokkene vooraf geen toestemming heeft gevraagd voor zijn opleiding (gemeente Amsterdam) Volgens de gemeente Amsterdam is betrokkene verplicht vooraf toestemming te vragen voor het volgen van een opleiding aan de Universiteit van Amsterdam, hetgeen hij heeft nagelaten. De bijstand is eenmalig verlaagd met € 200.
Blijkens de wetsgeschiedenis kent de WWB geen algemene uitsluitingsgrond wanneer de belanghebbende op eigen initiatief een scholing of opleiding volgt van meer dan 19 uur per week. Het is dan aan de gemeente om te bepalen of in het individuele geval de opleiding noodzakelijk is en zo niet of deze de reïntegratie belemmert.
Betrokkene is zijn inlichtingenplicht volgens artikel 18 WWB niet nagekomen. In de Afstemmingsverordening is geen bepaling is opgenomen op grond waarvan voor het niet of onvoldoende nakomen van de inlichtingenplicht volgens artikel 17, eerste lid, van de WWB de bijstand kan worden verlaagd, zodat een deugdelijke motivering voor de afstemming ontbreekt.
BZK 2008/40
|
11-03-2008
De gemeente hoeft een plastic tas met ongeopende stukken bij wijze van aanvraag niet in behandeling te nemen, maar mag van de betrokkene in redelijkheid verlangen de relevante gegevens geordend aan te leveren (gemeente Den Haag) Bij de aanvraag heeft betrokkene volstaan met het aanleveren van een plastic tas met ongeopende stukken. Na een hersteltermijn is de aanvraag buiten behandeling gelaten.
De rechtbank overweegt dat op betrokkene de plicht rust, als degene die bijstand aanvraagt, om de gemeente op zo’n manier gegevens te overhandigen dat op redelijk eenvoudige wijze inzicht kan worden verkregen in zijn inkomens- en vermogenspositie.
De Raad wijst er op dat de gemeente op grond van artikel 53a, eerste lid, WWB bevoegd is om de wijze van het verstrekken van gegevens te bepalen. De Raad is niet gebleken dat het College niet in redelijkheid van appellant heeft kunnen verlangen de gevraagde gegevens geordend aan te leveren.
BZK 2008/18
|
11-03-2008
Het voor onbepaalde duur verlagen van de bijstand is in strijd met artikel 18 WWB (gemeente Tilburg) Gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 18, tweede lid, van de WWB is de Raad van oordeel dat het voor onbepaalde duur verlagen van de bijstand in strijd is met de WWB. De Raad is niet gebleken dat de wetgever met artikel 18, tweede lid, van de WWB op dit punt heeft willen afwijken van dit, mede door de rechtszekerheid en het vangnetkarakter van de bijstandswetgeving ingegeven, uitgangspunt.
In het bepaalde in artikel 18, derde lid, van de WWB ziet de Raad geen aanwijzing dat de wetgever verlaging van de bijstand voor onbepaalde tijd mogelijk heeft willen maken. Daarbij wijst de Raad er op dat deze bepaling niet verhindert dat een opgelegde verlaging voor onbepaalde tijd voortduurt.
Dit leidt ertoe dat artikel 5, vijfde lid, van de Afstemmingsverordening Tilburg wegens strijd met artikel 18, tweede lid, van de WWB onverbindend is.
BZK 2008/21
|
11-03-2008
Wegens zijn verzorgingsbehoefte voert betrokkene een gezamenlijke huishouding met zijn ex-echtgenote. Daarop ziet de uitzonderingsbepaling van artikel 16 WWB (zeer dringende redenen) niet (gemeente Oss) Artikel 16, eerste lid, van de WWB bevat de mogelijkheid om bijstand te verlenen aan personen die niet behoren tot de kring van rechthebbenden als omschreven in paragraaf 2.2, indien daartoe zeer dringende redenen noodzaken. Met de gemeente Oss en anders dan de voorzieningenrechter en betrokkene, is de Raad van oordeel dat betrokkene niet is uitgesloten van deze kring van rechthebbenden.
Aan betrokkene is bijstand geweigerd om andere redenen namelijk omdat hij een gezamenlijke huishouding voert met een ander die geacht kan worden over de middelen te beschikken om te voorzien in beider bestaan. Daarop ziet de uitzonderingsbepaling van artikel 16, eerste lid, van de WWB niet.
BZK 2008/22
|
11-03-2008
Bij een EU-onderdaan mag niet worden volstaan met een verwijzing naar door de IND afgegeven verblijfscode. Bij betwisting hoort de gemeente de juistheid van de GBA-code te onderzoeken (gemeente Breda) Volgens CRvB 13 juni 2006 nr. 04/5832 NABW, LJN AY3868 kan het bestuursorgaan bij de beoordeling van het recht op bijstand van personen met de status van EU-onderdaan niet volstaan met een verwijzing naar door de IND afgegeven verblijfscodes, maar dient het zelfstandig na te gaan of de belanghebbende bijvoorbeeld behoort tot de kring van economisch actieven. Dit geldt ook indien het, zoals hier, gaat om de beoordeling van een aanvraag.
De Commissie van de gemeente Breda heeft zich in dit geval beperkt tot verificatie van de GBA-code waarmee de echtgenoot van appellante stond geregistreerd. Daarmee had de Commissie, gelet op de status van EU-onderdaan van de echtgenoot en de overige bekend zijnde gegevens, niet mogen volstaan, te meer niet nu appellante in bezwaar die code uitdrukkelijk betwistte. Het had dan ook op de weg van de Commissie gelegen naar de juistheid van die code nader onderzoek te verrichten. Nu dit is nagelaten voldoet het bestreden besluit niet aan de eisen die daaraan uit een oogpunt van zorgvuldigheid worden gesteld.
BZK 2008/24
|
07-03-2008
Zonder contra-expertise is betrokkene kansloos, zodat de noodzaak van de kosten vaststaat. Omdat niet is gebleken dat betrokkene niet had kunnen reserveren of lenen is bijzondere bijstand terecht afgewezen (gemeente Nijmegen) Wil betrokkene met enige kans op succes de adviezen van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts bestrijden, dan is een door een ter zake deskundige uitgevoerde contra-expertise onontbeerlijk. De rechtbank acht dan ook aannemelijk dat zonder die contra-expertise eiseres in het geding tegen het UWV nagenoeg kansloos is, waardoor afbreuk gedaan zou worden aan het beginsel van “equality of arms”.
Hieruit volgt dat de gemeente Nijmegen ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat de kosten van psychiatrische expertise niet als noodzakelijke kosten kunnen worden aangemerkt als bedoeld in artikel 35, eerste lid, WWB. De rechtbank is tevens van oordeel dat deze kosten niet voortvloeien uit bijzondere individuele omstandigheden. BZK 2008/20
|
04-03-2008
Op een aanvraag om bijzondere bijstand (verhuis- en inrichtingskosten) is een gestructureerde beoordeling van bijzondere omstandigheden van toepassing (gemeente Eindhoven) Uit het systeem van artikel 35 jo. 48 WWB vloeit voort dat de vraag in welke vorm bijstand moet worden verleend pas aan de orde komt nadat het bestuursorgaan heeft vastgesteld dat de belanghebbende recht heeft op bijstand. Voor deze aanvraag om bijzondere bijstand in de kosten van duurzame gebruiksgoederen betekent moet de gemeente Eindhoven eerst beoordelen of betrokkene voldoet aan de in artikel 35, eerste lid, van de WWB genoemde voorwaarden. In dat verband dient eerst te worden beoordeeld of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen.
Vervolgens dient het College toepassing te geven aan artikel 51 van de WWB en te beoordelen of de bijzondere bijstand wordt verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht, dan wel in de vorm van een bedrag om niet. Nu in dit geval uitsluitend de vorm van de bijstand is beoordeeld is niet komen vast te staan of de gevraagde kosten zich voordeden en is het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid.
BZK 2008/17
|
27-02-2008
Ondanks niet toegestaan verblijf in het buitenland heeft betrokkene (als nugger) recht op de gemeentelijke werkaanvaardingspremie (gemeente Rotterdam) Niet betwist is dat betrokkene in de periode van circa zes weken dat zij geen bijstandsuitkering ontving jonger dan 65 jaar was, dat zij gedurende die periode als werkloze werkzoekende geregistreerd stond bij het CWI en dat zij (wegens verblijf in het buitenland zonder voorafgaande toestemming) geen recht had op een uitkering op grond van de WWB of enige andere wet of regeling. De gemeente heeft bevestigd dat eiseres hiermee onder de definitie van een nugger van artikel 6 (oud) van de WWB valt.
Met betrokkene is de rechtbank dan ook van oordeel dat zij, voor wat betreft de periode van circa zes weken in 2005 dat zij in het buitenland verbleef, kan worden aangemerkt als nug’er in de zin van de WWB en de Reïntegratieverordening. Anders dan de gemeente stelt, voldoet zij dus wel aan de referte-eis die in de gemeentelijke beleidsregels is opgenomen voor de werkaanvaardingspremie van € 500.
BZK 2008/16
|
26-02-2008
Na verhuizing wegens ontruiming heeft de gemeente bij de intrekking van de bijstand ten onrechte geen belangenafweging gehanteerd (gemeente Sluis) Betrokkene heeft reeds vanaf de bezwaarfase bij herhaling gewezen op de omstandigheden waaronder zij haar woning, en in het verlengde daarvan de gemeente Sluis, heeft moeten verlaten en het College verzocht hiermee rekening te houden.
Uit de gedingstukken blijkt echter niet dat het College met betrekking tot de gebruikmaking van de discretionaire bevoegdheid tot intrekking op enigerlei wijze een belangenafweging heeft gemaakt. De Raad is van oordeel dat daaruit volgt dat het College niet in redelijkheid van de bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken.
BZK 2008/26
|
25-02-2008
Gelet op de beperkte impact op betrokkene betreft het huisbezoek (hennepkwekerij) een schending van een sociaal grondrecht, waarvoor de gemeente een compensatie dient te bieden via matiging van de terugvordering (gemeente Amsterdam) In het kader van het project “Klant in Beeld” heeft de gemeente Amsterdam bij eiser een huisbezoek afgelegd. Gesteld noch gebleken is dat in het geval van eiser objectieve feiten en omstandigheden bekend waren op grond waarvan redelijkerwijs kon worden getwijfeld aan de juistheid of de volledigheid van de door betrokkene, voor het vaststellen van (de omvang van) het recht op bijstand van belang zijnde, verstrekte gegevens.
Eiser heeft opgemerkt dat hij wel toegang tot het huisbezoek heeft gegeven, maar dat hij niet wist dat hij ook toestemming had mogen weigeren. Naar het oordeel van de rechtbank staat genoegzaam vast dat de controleurs zijn binnengetreden zonder voorafgaande “informed consent. Dit betekent dat de tijdens het huisbezoek aan het licht gekomen gegevens moeten worden aangemerkt als onrechtmatig verkregen bewijs.
Gelet op de beperkte impact die het huisbezoek op eiser blijkt te hebben gehad is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende aanleiding is voor het oordeel dat verweerder de tijdens het huisbezoek verkregen informatie niet had mogen gebruiken. Anderzijds kan genoemde inbreuk niet geheel zonder gevolgen blijven. Het betreft hier immers de schending van een sociaal grondrecht. Daarom dient verweerder voor die inbreuk een compensatie te bieden door middel van matiging van het bedrag van de terugvordering.
BZK 2008/14
|
19-02-2008
De specificatie van inhouding ziekenfondspremie is geen besluit met rechtsgevolg, zodat het bezwaar niet-ontvankelijk moet worden verklaard (gemeente Nijmegen) De specificatie betreffende de inhouding van de ziekenfondspremie over oktober 2005 behelst geen schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling, en kan dus niet worden beschouwd als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het bezwaar tegen de specificatie is niet-ontvankelijk
BZK 2008/12
|
19-02-2008
De verplichting dat betrokkene zijn aandeel in de woning in Turkije te gelde maakt (of een persoonlijke lening sluit) is voor hem onevenredig bezwarend en wordt vernietigd (gemeente Amsterdam) Volgens de gemeente Amsterdam kan betrokkene de woning in Turkije niet kan bezwaren met een hypothecaire geldlening. Niet wordt ingezien door de Raad dat betrokkene zijn aandeel in de woning wel zou kunnen bezwaren door middel van het afsluiten van een persoonlijke lening, wegens zijn ontoereikende financiële positie.
Gelet op de beperkte vermogensoverschrijding van € 2.200 kan in redelijkheid niet van betrokkene worden gevergd dat hij het in de woning gebonden vermogen door verkoop van die woning te gelde maakt, indien dat ertoe zou leiden dat zijn echtgenote de woning zou moeten verlaten. Verkoop van de woning in bewoonde staat aan een derde is geen reële optie.
De aan de bijstand verbonden voorwaarde is, in verhouding tot het daarmee te dienen doel, ten opzichte van appellant onevenredig bezwarend en wordt vernietigd.
BZK 2008/13
|
19-02-2008
Het territorialiteitsbeginsel verzet zich niet tegen verlening van de langdurigheidstoeslag indien een betrokkene zonder toestemming langer dan de gebruikelijke vakantieduur in het buitenland verblijf houdt (gemeente ’s-Hertogenbosch) Volgens de gemeentelijke beleidsregel verzet het territorialiteitsbeginsel zich tegen verlening van de langdurigheidstoeslag indien een betrokkene zonder toestemming langer dan de gebruikelijke vakantieduur in het buitenland verblijf houdt.
De Raad volgt deze regel niet. In artikel 36, zesde lid, van de WWB is artikel 11 noch artikel 13, eerste lid, aanhef en onder d, van de WWB van overeenkomstige toepassing verklaard. Betrokkene kan het recht op langdurigheidstoeslag niet worden ontzegd enkel op de grond dat zij, zonder toestemming van het College, langer dan de gebruikelijke vakantieduur buiten Nederland heeft verbleven en daarom enige tijd geen bijstand heeft ontvangen. BZK 2008/15
|
15-02-2008
Artikel 36 WWB biedt geen ruimte voor de gemeentelijke beleidsregels: geen aanspraak op langdurigheidstoeslag bij misbruik of fraude (gemeente Rotterdam) Artikel 36 WWB bevat een dwingendrechtelijke bepaling om over te gaan tot verstrekking van een langdurigheidstoeslag, indien de aanvrager aan de voorwaarden voldoet. Het beleid dat de gemeente Rotterdam voert met betrekking tot de in sub b en c genoemde voorwaarden, kan niet worden aangemerkt als beleidsregels op basis van een bevoegdheid, maar als uitleg van de in die voorwaarden neergelegde beoordelingsruimte voor de gemeente.
Het beleid heeft echter noch betrekking op de feitelijke aanwezigheid van arbeidsmarktperspectief, noch op de beoordeling van de vraag of de betrokkene in voldoende mate heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en heeft aanvaard. Naar het oordeel van de rechtbank bieden sub a en d geen beoordelingsruimte voor de gemeente.
BZK 2008/10
|
29-01-2008
De Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) kan niet als een toereikende en passende voorziening voor reiskosten worden aangemerkt (gemeente Ubbergen) Uit de toelichting op de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) volgt dat budgettaire redenen voor de wetgever van doorslaggevend belang zijn geweest geen vergoeding voor reiskosten in de WTOS op te nemen. Daarbij komt nog dat expliciet is aangegeven dat degenen die onvoldoende middelen hebben in deze kosten te voorzien, een beroep op de bijzondere bijstand kunnen doen. De rechtbank is van oordeel dat de WTOS niet als een toereikende en passende voorliggende voorziening voor de hier bedoelde reiskosten kan worden aangemerkt. BZK 2008/09
|
25-01-2008
Betrokkene (niet-zelfstandige) is gerechtigd met behoud van bijstand werkzaamheden voor eigen rekening te verrichten zonder urenbeperkingen (gemeente Zevenaar) Op betrokkene is de lokale 8-urenregeling van toepassing die geldt voor marginale zelfstandigen. Het beleid van de gemeente Zevenaar, waarbij een bijstandsgerechtigde wordt verplicht zijn activiteiten als zelfstandige te beperken tot maximaal 8 uren per week of 32 uren per maand, vindt echter geen steun in de WWB.
Betrokkene (met een praktijk voor alternatieve geneeswijzen) is in beginsel gerechtigd met behoud van bijstand werkzaamheden voor eigen rekening te verrichten, zonder dat daaraan de opgelegde beperking kan worden gesteld. Dit neemt niet weg dat zij dient te voldoen aan de reguliere arbeidsverplichtingen.
BZK 2008/07
|
25-01-2008
Alleen bij een ontbrekende aanvullende ziektekostenverzekering zou sprake kunnen zijn van tekortschietend verantwoordelijkheidsbesef, afhankelijk van de individuele omstandigheden (gemeente Hoogezand-Sappemeer) De gemeente Hoogezand-Sappemeer verwijt betrokkene dat zij 'onderverzekerd' is. Ten aanzien van de gestelde verwijtbaarheid heeft de gemeente geen (begin van) motivering heeft gegeven. Indien iemand in het geheel geen (aanvullende) verzekering voor tandarts-kosten heeft afgesloten, zou mogelijk gesteld kunnen worden dat er sprake is van tekort-schietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Maar ook dan zullen de individuele omstandigheden van het geval beoordeeld moeten worden, hetgeen hier niet heeft plaats gevonden. BZK 2008/08
|
23-01-2008
In artikel 9 WWB is niet opgenomen de plicht om algemeen geaccepteerde arbeid te behouden, zodat terzake geen maatregel kan worden opgelegd (gemeente Delft) In artikel 9 WWB is niet opgenomen de plicht om algemeen geaccepteerde arbeid te behouden. Ook uit de wetsgeschiedenis volgt niet dat wel beoogd is deze plicht onder de arbeidsinschakelende verplichtingen te laten vallen. Nu artikel 9 van de Maatregelenverordening het opleggen van een maatregel betreft wegens het niet nakomen van de arbeidsverplichting als bedoeld in artikel 9 van de WWB en in deze bepaling niet de norm is gesteld om algemeen geaccepteerde arbeid te behouden, kan ter zake niet een maatregel worden opgelegd. BZK 2008/06
|
22-01-2008
Voor de bijstand aan deze minderjarige van vijf jaar moet volgens het afstemmingsvereiste aansluiting worden gezocht bij de norm voor 18-20-jarigen (gemeente Eindhoven) Wat de hoogte van de bijstand betreft aan deze minderjarige ligt het voor de hand dat aansluiting wordt gezocht bij de norm voor alleenstaanden van 18, 19 en 20 jaar als bedoeld in artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB. De gemeente dient, gelet op het in artikel 18, eerste lid, van de WWB neergelegde afstemmingsvereiste, aan de hand van de individuele omstandigheden van de minderjarigen te bezien welk bedrag aan bijstand is aangewezen. BZK 2008/04
|
22-01-2008
Het beleid inzake bijstand aan voortvluchtige gedetineerden is in strijd met de wet (gemeente Den Haag) Aan een voortvluchtige gedetineerde wordt door de gemeente Den Haag in de regel geen bijstandsuitkering verstrekt, ook niet indien een zogenaamd passief opsporingsbeleid wordt gevoerd, zoals in dit geval. In het gemeentelijk handboek is evenwel vermeld dat er onder bepaalde omstandigheden toch tot bijstandsverlening overgegaan kan worden. De rechtbank kwalificeert dit beleid als buitenwettelijk, omdat het onttrekken aan detentie niet als weigeringsgrond voor de verlening van bijstand in de wet is opgenomen. De rechtbank acht het daarom in strijd met de wet. BZK 2008/05
|
22-01-2008
Wegens oververmogen en het ontbreken van bijzondere omstandigheden is de bijstand terecht ingetrokken (gemeente Roermond) Wegens een verzwegen vermogensoverschrijding is de bijstand gedurende een periode van 1998-2005 ingetrokken. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, te weten dat de waarde van hun vermogen de vermogensgrens slechts met een gering bedrag te boven ging, wat hier ook van zij, ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan de gemeente Roermond, met (overeenkomstige) toepassing van artikel 4:84 (slot) Awb, van het beleid had moeten afwijken. BZK 2008/19
|
22-01-2008
Bij deze intrekking en terugvordering wegens een verzwegen hennepkwekerij is het verschoningsrecht niet van toepassing i.v.m. de inlichtingenplicht (gemeente Zeist) Nu de resten van hennepplanten zijn aangetroffen is de bijstand over een groeicyclus van 43 weken ingetrokken en teruggevorderd. Volgens betrokkene is sprake van ten onrechte verkregen bewijs.
Volgens vaste rechtspraak (CRvB 3 januari 2006 nr. 04/2827 NABW, LJN AU9232) is er eerst sprake van een beletsel, indien is gebleken dat de bewijsmiddelen zijn verkregen op een wijze die zodanig indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Niet gebleken is dat in deze zaak sprake is van een dergelijke situatie.
Het verschoningsrecht is niet van toepassing bij de toepassing van de in artikel 17, eerste lid, van de WWB neergelegde inlichtingenverplichting.
BZK 2008/23
|
22-01-2008
De stelling dat de bijstand niet als Bbz-krediet had moeten worden toegekend is geen dringende reden om van terugvordering af te zien (gemeente Reeuwijk) Volgens vaste jurisprudentie kan een dringende reden alleen betrekking hebben op de onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene (CRvB 5 januari 2005 nr. 03/178 NABW, LJN AS2084). Dat de bijstand destijds nimmer als Bbz-krediet had moeten worden toegekend of dat de afwikkeling van het faillissement veel te lang heeft geduurd – zoals eisers hebben gesteld – zijn geen dringende redenen. Dat het bedrijf (detacheringsbureau) vanwege het ontbreken van opdrachten geen omzet en geen inkomen genereert, nog daargelaten dat dit voor het eerst in beroep naar voren is gebracht, is evenmin een dringende reden om van terugvordering af te zien. BZK 2008/29
|
15-01-2008
De gevolgen van niet-nakoming extra verplichting (in dit geval opeisen legitieme portie) moeten worden beoordeeld aan de hand van afstemming en niet aan de hand van intrekking (gemeente Wijdemeren) Op grond van artikel 55 WWB is de gemeente Wijdemeren bevoegd betrokkene de verplichting op te leggen de legitieme portie op te eisen. De medewerkingsplicht ligt in het verlengde van de algemene inlichtingenplicht volgens artikel 17 WWB. Aan artikel 54 WWB, eerste lid, komt geen ruimere strekking toe dan bedoeld in artikel 17, tweede lid, WWB, dus de intrekking is in dit geval niet terecht. Bij niet-nakoming van de verplichting is de gemeente gehouden de afstemming volgens artikel 18 WWB resp. de in 8 WWB genoemde verordening te hanteren. BZK 2008/03
|
10-01-2008
Bij de vaststelling van de beslagvrije voet (2006) is terecht geanticipeerd op wetswijziging (2008) (gemeente Amsterdam) Per 1 januari 2006 is de Zorgverzekeringswet (Zvw) in werking getreden. Op grond van deze wet dient de verzekeringsnemer een inkomensafhankelijke bijdrage (normpremie), een nominale premie voor de basisverzekering en desgewenst een premie voor de aanvullende ziektekostenverzekering (aanvullende premie) te betalen. De vraag die thans moet worden beantwoord is met welke bestanddelen van de in artikel 475d Rv bedoelde “ziektekostenpremie” de beslagvrije voet mag worden verhoogd.
De gemeente Amsterdam heeft zich, bij de vaststelling van de beslagvrije voet per 1 juni 2006, terecht op het standpunt gesteld dat in dit geval geanticipeerd mag worden op de wijziging van artikel 475d, vijfde lid, aanhef en onder a, Rv [Wet van 24 mei 2007, Stb. 2007, 192].
Het huidige artikel 475d Rv noch artikel 45 van de Awir verzet zich tegen de wijze waarop de gemeente de maximale aflossingscapaciteit heeft vastgesteld. Dit betekent dat de beslagvrije voet, ook reeds vóór 1 januari 2008, in beginsel kan worden verhoogd met het bedrag aan normpremie, nominale premie en (indien van toepassing) de aanvullende premie, minus de normpremie en minus de ontvangen zorgtoeslag.
BZK 2008/38
|
08-01-2008
Wegens trage besluitvorming door gemeente en voorafgaande toekenning van een WW–uitkering is bij deze terugvordering geen sprake van naderhand verkregen middelen (gemeente Amsterdam) Bij besluit van 23 augustus 2004 is bijstand toegekend vanaf datum aanvraag (20 april 2004). Bij besluit van 18 augustus 2004 is door het UWV met ingang van 19 april 2004 een WW-uitkering toegekend. Volgens de Raad biedt artikel 58, eerste lid, onder e en f WWB hier geen grondslag voor terugvordering. Dit is wel het geval met artikel 58, eerste lid, onder a WWB. BZK 2008/11
|
02-01-2008
Aanvragen van een langdurigheidstoeslag kan niet plaats vinden aan de hand van een rijbewijs (gemeente Noardwest Fryslân) Uit de tekst van artikel 17, derde lid, WWB kan niet anders worden afgeleid dan dat bij de uitvoering van de WWB de identiteit van de belanghebbende wordt vastgesteld aan de hand van de in dit artikel voorgeschreven documenten. Nu de langdurigheidstoeslag wordt beheerst door de WWB kan niet worden ingezien dat de langdurigheidstoeslag niet valt onder de reikwijdte van artikel 17, derde lid, van de WWB inclusief de langdurigheidstoeslag. Gelet op het dwingendrechtelijke karakter van artikel 17, derde lid, van de WWB, staat deze bepaling in de weg aan het vaststellen van de identiteit van de aanvragen van langdurigheidstoeslag aan de hand van een rijbewijs.
BZK 2008/01
|
02-01-2008
De verjaring (vijf jaar) van de geldlening voor onbepaalde tijd vangt aan op de dag, waarop de gemeente tot opeising overgaat (gemeente Rotterdam) In dit geval ontbreekt bij de toekenning van de geldlening een ingangsdatum voor de aflossing. De verjaring start niet met de datum van toekenning (1997) van de geldlening (volgens de opvatting van de rechtbank). Met overeenkomstige toepassing van artikel 3:307 tweede lid BW verjaart de terugvordering volgens de Raad door verloop van vijf jaar vanaf de dag, volgend op die waartegen de gemeente Rotterdam heeft meegedeeld tot opeising over te gaan (2003). Betrokkene heeft er niet op mogen vertrouwen dat van terugvordering zou worden afgezien. BZK 2008/02
|
31-12-2007
De toegekende bijzondere bijstand (overbruggingsuitkering wegens normwijziging naar alleenstaande) is niet onjuist (gemeente Groningen) Ter bepaling van de hoogte van de overbruggingsuitkering heeft het College van Groningen een richtlijn ontwikkeld, inhoudende dat de hoogte van de bijzondere bijstand het verschil is tussen de bijstandsnorm voor een 18- tot 21-jarige (exclusief vakantietoeslag), de toelage Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) en eventuele ander inkomen (exclusief vakantietoeslag) van het kind. Daarmee ontvangt betrokkene een bedrag aan bijzondere bijstand ter hoogte van de norm die overeenkomt met de norm die haar dochter zou hebben ontvangen indien zij niet schoolgaand zou zijn dan wel geen WTOS-toelage zou ontvangen.
De Raad is van oordeel dat deze vaststelling van de hoogte van de te verlenen bijzondere bijstand in zijn algemeenheid in een geval als hier aan de orde niet onjuist is. De Raad is voorts van oordeel dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat in haar concrete situatie de betreffende toelage in onvoldoende mate tegemoetkomt aan de inkomensachteruitgang als gevolg van het bereiken van de 18 jarige leeftijd van haar dochter.
BZK 2007/18
|
31-12-2007
Nu de term: “Jullie flopmarokkanen” niet kan worden bewezen is de afstemming met € 75,00 wegens een ernstige misdraging ten onrechte opgelegd (gemeente Amersfoort) Een verlaging wegens een misdraging volgens artikel 18 WWB moet worden aangemerkt als een punitieve (bestraffende) sanctie. Op het College (gemeente Amersfoort) rust de bewijslast om voldoende aannemelijk te maken dat van agressie sprake is geweest.
Nu [klantmanager] en betrokkene zich in geschrifte in tegengestelde zin hebben uitgelaten over het gesprek in de spreekkamer onder vier ogen, kan bij gebrek aan andere aanwijzingen niet met voldoende zekerheid worden aangenomen dat de gewraakte uitlating is gedaan. Reeds hierom kan niet worden geoordeeld dat van agressie in de zin van artikel 18, eerste lid, WWB jegens een ambtenaar van het College sprake is geweest.
BZK 2007/17
|
21-12-2007
Bij de vaststelling van de langdurigheidstoeslag (in het geval van de IOAW-norm) moeten deze gemeentelijke beleidsregels buiten toepassing blijven (gemeente Amsterdam) De in artikel 36, eerste lid, onder a, WWB, vervatte norm biedt in beginsel geen ruimte voor nadere invulling door het bestuursorgaan. Ook de Raad gaat er van uit dat voor de bepaling van het inkomen in de referteperiode uitgegaan moet worden van het netto-inkomen zoals dat feitelijk is ontvangen, inclusief eventuele vakantietoeslag.
De gemeente Amsterdam zal een toetsing aan de wettelijke norm niet achterwege kunnen laten en zich niet mogen beperken tot een toetsing aan de – met de wettelijke norm strijdige – norm uit zijn Beleidsregels. Daar waar toetsing aan de wettelijke norm leidt tot de conclusie dat eiser aan die norm voldoet, zal de gemeente zijn Beleidsregels buiten toepassing moeten laten.
BZK 2007/16
|
21-12-2007
Bijzondere omstandigheden (artikel 4:84 Awb) wegens een transactie met het Openbaar Ministerie moeten worden betrokken bij de terugvordering (gemeente Amsterdam) De gemeente Amsterdam heeft de terugvordering in eerste instantie te hoog vastgesteld en heeft het dossier voortijdig doorgestuurd naar het Openbaar Ministerie. Betrokkene zag zich gedwongen een taakstraf te aanvaarden om vervolging te voorkomen, als gevolg waarvan zij een strafblad heeft gekregen.
In het beleid is bepaald bij welk terugvorderingbedrag de gemeente het dossier doorstuurt naar het Openbaar Ministerie en de gemeente heeft zich daar niet aan gehouden. Sprake is van bijzondere omstandigheden, waarin door de beleidsregel niet is voorzien. Het terugvorderingsbeleid leidt wegens deze bijzondere omstandigheden tot gevolgen die voor betrokkene onevenredig zijn in de zin van artikel 4:84 van de Awb. Door onverkort aan het terugvorderingsbeleid vast te houden heeft de gemeente het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd.
BZK 2007/21
|
17-12-2007
Onaangekondigd huisbezoek op basis van enkele melding klantmanager is onrechtmatig (gemeente Sittard-Geleen) De toepasselijkheid van een risicoprofiel “woningdelen” rechtvaardigt geen huisbezoek. De enkele melding van de klantmanager dat er een gezamenlijke huishouding zou zijn is onvoldoende. De gemeente Sittard-Geleen heeft niet eerst een goed dossieronderzoek gedaan. De reconstructie achteraf van de reden voor huisbezoek (jarenlang gelijkblijvend bedrag voor kamerhuur en risicocategorie ”woningdelen”) vindt de bestuursrechter onvoldoende aanleiding voor het onaangekondigd huisbezoek. De weigering tot medewerking is ten onrechte gesanctioneerd met een directe beëindiging. BZK 2007/15
|
13-12-2007
Ontbrekende verantwoording van PGB-gelden vormt geen grondslag voor terugvordering (gemeente Amsterdam) Deze moeder ontvangt bijstand en een persoonsgebonden budget (PGB) voor de zoon (1993) die zij verzorgt. Als regel worden de PGB-gelden die de AWBZ-verzekerde ontvangt voor de toepassing van de WWB niet als inkomsten beschouwd, tenzij deze worden uitbetaald aan een gezinslid dat de verzorging op zich heeft genomen. De PGB-gelden dienen in dit geval dan ook niet als inkomsten te worden beschouwd. De besteding van PGB-gelden dient aan de SVB, en niet aan de gemeente, te worden verantwoord. De ontbrekende verantwoording aan de gemeente is derhalve geen schending van de inlichtingenplicht en vormt geen grond voor terugvordering. BZK 2007/14
|
11-12-2007
Wegens een precaire financiële situatie en een aanzienlijk betalingsrisico is deze verplichting budgetbeheer (vaste woonlasten) gerechtvaardigd (gemeente Venlo) Vaststaat dat er sprake is van een precaire financiële situatie. Er bestaat een aanzienlijk risico dat de noodzakelijke betalingen, bijvoorbeeld voor huur en andere vaste lasten, zouden uitblijven. Voldaan is het vereiste volgens artikel 57, aanhef en onder a, WWB dat sprake moet zijn van gegronde redenen om aan te nemen dat de belanghebbende zonder hulp niet in staat is tot een verantwoorde besteding van zijn bestaansmiddelen. Verwijtbaarheid bij het ontstaan van de schuldensituatie is geen vereiste voor het opleggen van de verplichting budgetbeheer door de gemeente Venlo. BZK 2007/13
|
06-12-2007
Geen inkomsten op Zwarte Markt Beverwijk aangetoond (gemeente Haarlem) Deze klantmanager heeft betrokkene wel op de Beverwijkse Bazaar achter een kraam zien staan. Maar de feiten zijn onvoldoende duidelijk voor een herziening en terugvordering. De gemeente Haarlem had een aanvullend onderzoek moeten doen. Niet verklaarde kasstortingen doen hieraan niet af. Bestreden besluit vernietigd wegens ontbrekende draagkrachtige motivering. BZK 2007/12
|
04-12-2007
Na toekenning van een Bbz-uitkering met maximumtermijn van 12 maanden heeft de gemeente geen spontane informatieplicht over een aansluitende WWB-uitkering (gemeente Midden-Drenthe) Partijen hebben geprobeerd om hun Bbz-uitkering te laten verlengen. Nu het hier om een wezenlijk andere uitkering gaat dan bijstand op grond van de WWB en bijstand in beginsel slechts op aanvraag wordt toegekend, kan niet worden gezegd dat de acties die appellanten vóór de datum van melding bij het CWI hebben ondernomen, tot het innemen van een aanvraag om algemene bijstand volgens de WWB hadden moeten leiden. BZK 2007/11
|
03-12-2007
Heen en weer ketsen van aanvraag bij CWI maakt voorlopige voorziening noodzakelijk (gemeente Haarlem) Wegens niet tijdige verstrekking van gegevens is een eerste aanvraag buiten behandeling gelaten. De tweede aanvraag is door het CWI wel doorgezonden naar de gemeente Haarlem. Maar over de volledigheid van de aanvraag ontbreken gegevens. Nu zich een financiële noodsituatie voordoet wordt een voorlopige voorziening getroffen. BZK 2007/10
|
30-11-2007
Deze gewetensbezwaren tegen de functie van krattenwasser bij een pluimveeslachterij staan de verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden niet in de weg (gemeente Wervershoof) Weliswaar heeft betrokkene aangegeven vroeger vegetariër te zijn geweest. Uiteindelijk is hij tot de conclusie gekomen dat hij dat nog steeds is. De bezwaren van betrokkene tegen de hem aangeboden functie zijn echter niet van dien aard dat hij deze niet opzij had kunnen zetten zonder in conflict te komen met normen van cultureel-maatschappelijke of religieuze aard met een meer algemene strekking. Er is voldoende aanleiding voor afstemming van de bijstand. BZK 2007/09
|
13-11-2007
Tijdens de ontvangst van bijstand gespaard vermogen blijft buiten beschouwing (gemeente Utrecht) Over het algemeen dienen spaargelden slechts dan bij de vermogensvaststelling buiten aanmerking te blijven wanneer genoegzaam aannemelijk is gemaakt dat zij door besparingen op de verleende bijstand zijn gerealiseerd. Appellante heeft genoegzaam aannemelijk gemaakt dat haar vermogen is gevormd door langdurig sparen uit haar bijstandsuitkering. Zij heeft aan de gemeente Utrecht gedetailleerde overzichten verstrekt die voldoende inzicht geven met betrekking tot haar kasopnames en andere uitgaven en zij heeft een niet ongeloofwaardige verklaring afgelegd over de wijze waarop zij haar leven inricht. BZK 2007/08
|
08-11-2007
De terugvordering van bijstand aan zelfstandigen is wegens een fout van de wetgever niet goed geregeld (gemeente Ede) In artikel 54 WWB is voldoende grondslag te vinden voor de intrekking van dit voorbereidingskrediet. De wetgever heeft echter beoogd om de terugvordering van aan zelfstandigen verleende bijstand exclusief te regelen in het Bbz 2004. De gemeente Ede heeft zich dus voor de terugvordering ten onrechte gebaseerd op artikel 58 WWB. Bij gebreke van een verwijzing naar bijstand die als gevolg van een intrekkingsbesluit ten onrechte is verleend, kan niet anders worden geconcludeerd dan dat artikel 45, eerste lid, van het Bbz 2004 geen grondslag biedt voor deze terugvordering. Hier is sprake van een fout van de wetgever. Het is niet aan de rechter maar aan de wetgever om deze fout te herstellen. BZK 2007/07
|
08-11-2007
Het is in strijd met het discriminatieverbod (artikel 14 EVRM) om de uitzondering op de gelijkstelling met gehuwden in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, WWB niet ook toe te passen in het geval van andere ongehuwd samenwonenden, waarvan één een zorgbehoefte heeft (gemeente Amsterdam) De gemeente had partijen gelijk moeten behandelen als bloedverwanten in de tweede graad. De in artikel 3, tweede lid, onder a WWB neergelegde beperking had de gemeente wegens strijd met artikel 14 van het EVRM buiten toepassing moeten laten.
Voor de invulling van het begrip zorgbehoefte dient aansluiting te worden gezocht bij de jurisprudentie van de Raad ten aanzien van het begrip hulpbehoevendheid als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder k, Anw. Van zorgbehoefte wordt gesproken als betrokkene een aantal essentiële en steeds terugkerende levensverrichtingen niet zelfstandig kan uitvoeren.
Belanghebbenden hebben niet aangetoond dat zich hier een zorgbehoefte voordoet.
BZK 2007/22
|
06-11-2007
Uitsluiting van bepaalde deelnemers aan een penitentiair programma is in strijd met artikel 26 IVBPR (gemeente Utrecht) Het Besluit extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid kent slechts bepaalde uitzonderingen op de uitsluiting van bijstand volgens artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a WWB. Gevolg is dat deze zelfstandig wonende elektronisch gedetineerde voor thuisdetentie slechts een vergoeding voor levensonderhoud ontvangt van € 7,50 per dag. De gemeente Utrecht heeft aanvullende bijstand afgewezen. In dit geval moet artikel 13 WWB wegens strijd met artikel 26 IVBPR volgens de Raad buiten toepassing worden gelaten.
BZK 2007/05
|
06-11-2007
Na aanpassing van de bijstand wegens een gezamenlijke huishouding is de gemeente niet verplicht om een gewenningsperiode toe te kennen (gemeente Rotterdam) Na drie jaar tweemaal norm alleenstaande wordt de bijstand herzien naar de gezinsnorm wegens een gezamenlijke huishouding. De rechtbank verplicht de gemeente een gewenningsperiode te hanteren. Er zijn volgens de Raad echter geen rechtsregels die de gemeente verplichten een dergelijke gewenningsperiode toe te kennen. BZK 2007/06
|
30-10-2007
Een permanente ontheffing van arbeidsverplichtingen is in strijd met de wet (gemeente Venlo) Gelet op het karakter van de Abw (en ook de WWB) moet bij heronderzoeken periodiek bezien moeten worden of, en zo ja in hoeverre, er aanleiding is om arbeidsverplichtingen (opnieuw) aan de bijstand te verbinden. Of om voor een bepaalde periode verleende ontheffingen voort te zetten, in te trekken of te wijzigen. Een besluit van de gemeente Venlo om deze verplichtingen voorgoed niet op te leggen of om zonder tijdsbepaling ontheffing te verlenen van arbeidsverplichtingen zou daarmee in strijd zijn. BZK 2007/04
|
23-10-2007
Naast beleidsregels voor langdurigheidstoeslag is een individuele beoordeling van bijzondere omstandigheden noodzakelijk (gemeente Den Haag)
Volgens de beleidsregels van de gemeente Den Haag wordt bij een bepaalde maatregel gedurende de referteperiode geen langdurigheidstoeslag verleend. In dit geval is hieraan uitvoering gegeven. De gemeente had echter wegens bijzondere omstandigheden van haar beleid moeten afwijken (inherente afwijkingsbevoegdheid). BZK 2007/03
|
16-10-2007
Bezwaar tegen subsidiebesluit heeft geen direct gevolg voor de arbeidsovereenkomst. Tegen wijziging of beëindiging van een voorziening staan rechtsmiddelen open (gemeente Rotterdam) Het College van Rotterdam heeft bij verschillende besluiten aan de werkgevers van betrokkenen medegedeeld dat de loonkostensubsidie ten behoeve van betrokkenen op grond van het (vervallen) Besluit in- en doorstroombanen maximaal een of twee jaar wordt voortgezet met een verlengingsmogelijkheid van maximaal een jaar. Aan betrokkenen is hiervan mededeling gedaan.
Deze aan betrokkenen geadresseerde brieven bevatten naar het oordeel van de Raad slechts mededelingen van informatieve aard over subsidieverlening aan hun werkgevers. Voor betrokkenen hebben deze brieven geen rechtsgevolg. Voor zover betrokkenen beoogd hebben bezwaar te maken tegen de subsidiebesluiten, gericht aan hun werkgevers, oordeelt de Raad dat er geen directe gevolgen zijn voor (de arbeidsovereenkomsten van) betrokkenen. Over beëindiging van de subsidie volgen nog besluiten en beëindiging van de arbeidsovereenkomsten bleek van meer omstandigheden afhankelijk. De belangen van betrokkenen zijn niet rechtstreeks betrokken bij de subsidiebesluiten, gericht aan hun werkgevers.
Ten overvloede overweegt de Raad dat een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 6 van het Besluit in- en doorstroombanen op grond van artikel 14, eerste lid van de Invoeringswet WWB geldt als een voorziening in de zin van artikel 7 van de WWB. Wijziging of beëindiging van een dergelijke voorziening dient door middel van een besluit, bekend te maken aan betrokkenen, te geschieden.
BZK 2007/20
|
20-08-2007
Het beroep op Arbo-eisen is onvoldoende om van betrokkene kledingaanpassing te vergen bij deelname aan het leerwerktraject At Work, uit oogpunt van haar geloofsovertuiging (gemeente Den Haag) Nu betrokkene bij deelname aan het leerwerktraject At Work weigert haar kleding aan te passen heeft de gemeente Den Haag diverse maatregelen opgelegd.
Voldoende is vast komen te staan dat het dragen door eiseres van de hoofddoeken en de wijde traditionele kleding een uiting is van het door haar aangehangen geloof. Het dragen van deze kleding(stukken) is derhalve één van de uitdrukkingen van een geloofsovertuiging en valt daarom onder de bescherming van het begrip godsdienst, zoals bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb). Het standpunt van de gemeente levert dan ook een indirect onderscheid op naar godsdienst.
Er kunnen zich, door de gemeente aan te dragen, feiten en omstandigheden voordoen die het maken van een indirect onderscheid rechtvaardigen. De gemeente heeft evenwel onvoldoende aangetoond dat de grote hoofddoek of de (wijde) traditionele kleding van eiseres een belemmering vormden voor de deelname aan dit traject. Eiseres had immers reeds vier maanden meegewerkt aan het leertraject bij At Work, waarbij onweersproken vaststaat dat zij ook met (sorteer)machines heeft gewerkt en niet is gebleken dat de kleding van eiseres hierbij tot problemen heeft geleid. In hetgeen verweerder heeft aangedragen is de rechtbank dan ook niet gebleken van feiten en omstandigheden die het maken van een indirect onderscheid rechtvaardigen.
Onvoldoende is aangetoond dat eiseres ten aanzien van inschakeling in het arbeidsproces eisen heeft gesteld, die het aanvaarden of verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid belemmeren. De gemeente heeft dus ten onrechte deze twee maatregelen gehandhaafd.
Verder acht de rechtbank de opgelegde sollicitatie-eis, 14 sollicitaties binnen tien dagen, geen redelijke maatstaf. Van betrokkene kan in redelijkheid niet worden verlangd, mede gelet op het gebrek aan werkervaring en het lage taalniveau, een dusdanig hoog aantal sollicitaties binnen een dergelijk kort tijdsbestek te verrichten.
Wat hier evenwel van zij, de gemeente heeft terecht vastgesteld dat eiseres niet naar vermogen heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen als bedoeld in artikel 7, aanhef en vierde lid, van de Maatregelenverordening. Zij heeft immers, anders dan het aanleveren van een lijst met uitzendbureaus, geen bewijsstukken van concrete sollicitatieactiviteiten overgelegd. Deze maatregel blijft gehandhaafd.
BZK 2007/19
|
07-08-2007
Peildatum voor aanvraag om bijstand in schulden (gemeente Amsterdam) Na de ontvangst van zijn jaarrekening (NUON) verzocht betrokkene om bijzondere bijstand in gemaakte energiekosten wegens het thuis opladen van accu’s van de scootmobiel. De gemeente Amsterdam wees de bijstand af. De Raad stelt als regel vast onder welke omstandigheden sprake is van een schuld. Relevant is de peildatum van de aanvraag, namelijk indien de kosten voor de dag van de aanvraag bij de belanghebbende in rekening zijn gebracht maar nog niet zijn voldaan. In dit geval gaat het om energiekosten die voor de dag van de aanvraag in rekening zijn gebracht en nog niet waren voldaan. De schuld is terecht afgewezen. BZK 2007/02
|
13-07-2007
De aanvraag voor een langdurigheidstoeslag hoeft niet binnen een bepaalde termijn te worden ingediend (gemeente Amsterdam) Anders dan de gemeente Amsterdam meent is er geen grond om de langdurigheidstoeslag waarvoor eiseres op 1 januari 2004 in aanmerking komt, te weigeren. Er valt immers in de WWB geen enkele bepaling aan te wijzen waaruit voortvloeit dat een aanvraag om langdurigheidtoeslag binnen een bepaalde termijn moet worden ingediend, dan wel een bepaling op grond waarvan het recht op die toeslag zelf, na verloop van een zekere tijd, wordt ontzegd. Ook in artikel 36, eerste lid, aanhef en onder d, WWB valt die grond niet te vinden. De toekenning is niet afhankelijk van de datum waarop de aanvraag is gedaan. BZK 2007/01
|
|
|
|
|
|
|