|
|
|
Klik op het BZK nummer voor meer details over de zaak.
24-01-2012
In artikel 42, eerste lid, van de WIJ is niet in algemene zin bepaald dat geen recht op een inkomensvoorziening bestaat indien de jongere geen recht heeft op een werkleeraanbod. De weigering een inkomensvoorziening toe te kennen is ten onrechte gebaseerd op de algemene grond dat degene die geen recht heeft op een werkleeraanbod dientengevolge ook geen recht heeft op een inkomensvoorziening (gemeente Bergen op Zoom) De studiefinanciering van deze student is beëindigd. De Raad stelt voorop dat de Wsf 2000 voor degenen die op die wet een beroep kunnen doen een naar zijn aard en doel als passend en toereikend aan te merken voorziening is als bedoeld in artikel 42, eerste lid onder b, van de WIJ. Ten tijde hier van belang kon betrokkene echter geen beroep meer doen op de Wsf 2000 omdat hij gedurende de maximale periode studiefinanciering had ontvangen. Met de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat artikel 42, eerste lid, aanhef en onder b, van de WIJ er niet aan in de weg staat dat betrokkene recht heeft op een inkomensvoorziening. De omstandigheid dat de wetgever een bewuste keuze heeft gemaakt om de studiefinanciering in duur te beperken maakt dat niet anders.
Anders dan het college ziet de Raad niet in dat de hier gevolgde uitleg van artikel 42, eerste lid, aanhef en onder b, van de WIJ meebrengt dat een inkomensvoorziening van de WIJ een verlengstuk wordt van de Wsf 2000 of verwordt tot een verkapte vorm van studiefinanciering. De Raad merkt in dit verband op dat ingevolge artikel 45 van de WIJ op de jongere onder meer verplichtingen tot arbeidsinschakeling rusten. Ingevolge artikel 42, eerste lid, aanhef en onder c, van de WIJ bestaat geen recht op een inkomensvoorziening voor zover uit de houding of het gedrag van de jongere ondubbelzinnig blijkt dat deze de verplichtingen tot arbeidsinschakeling niet wil nakomen. Blijkt daarvan niet ondubbelzinnig, maar is wel sprake van het niet of onvoldoende nakomen van de in artikel 45 genoemde verplichtingen, dan dient dit op grond van artikel 41, eerste lid, van de WIJ te leiden tot verlaging van het bedrag van de aan de jongere toegekende inkomensvoorziening overeenkomstig de verordening bedoeld in artikel 12, eerste lid onder b, van de WIJ. BZK 2012/01
|
29-11-2011
Deze bijzondere bijstand in de vorm van een witgoedregeling is in strijd met de wet (gemeente Nijmegen) Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de WWB buiten artikel 57, aanhef en onder b, van de WWB geen wettelijke grondslag biedt om de bijzondere bijstand die aan betrokkene voor deze goederen is toegekend niet in een bedrag om niet aan hemzelf te betalen, maar deze in natura te verlenen door de goederen door een door het college bepaalde leverancier te laten verstrekken. Het beleid dat aan de besluitvorming van het college ten grondslag ligt is in strijd met de wet.
De beschikbare gegevens bieden geen steun voor de stelling van het college dat het beleid, voor zover het om de wijze van bijstandsverlening gaat, in dit geval moet worden gekwalificeerd als buitenwettelijk begunstigend beleid.
BZK 2011/28
|
08-11-2011
Door de aanvraag om bijzondere bijstand af te wijzen heeft het college zijn buitenwettelijk begunstigend beleid voor de kosten van budgetbeheer niet op consistente wijze toegepast (gemeente Venlo). De afdeling Sociale Zaken van de gemeente Venlo heeft in een (beleids)notitie van 27 augustus 2008 vier criteria opgesteld die door betrokkene worden gehanteerd bij de beoordeling van aanvragen om bijzondere bijstand voor de kosten van vrijwillig budgetbeheer. Hieraan is in dit geval voldaan hetgeen de gemeente niet heeft erkend.
Daarbij is niet relevant of, en zo ja, in hoeverre, betrokkene kan worden verweten niet eerst te hebben aangeklopt bij de afdeling schuldhulpverlening alvorens zich tot het Centraal Loket te wenden. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen - zie CRvB 2 maart 2010, LJN BL7308 -, biedt artikel 35, eerste lid, van de WWB immers geen ruimte voor de beoordeling of een belanghebbende zich verwijtbaar heeft gedragen en of dit verwijtbaar gedrag ertoe heeft geleid dat hij een beroep op de bijzondere bijstand moet doen. Die beoordeling moet plaats vinden in het kader van de toepassing van artikel 18, tweede lid, van de WWB en de in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de WWB bedoelde verordening dan wel in het kader van de vaststelling in welke vorm de bijstand wordt verleend. Dat geldt ook voor het hier van belang zijnde buitenwettelijke beleid.
BZK 2011/27
|
27-09-2011
Hoogte bijstand schattenderwijs vaststellen bij schending van inlichtingenplicht (gemeente Utrecht) Betrokkene vervoerde met een bus kinderen van en naar school zonder dit aan het college te melden. Het college stelt zich op het standpunt dat het recht op bijstand niet is vast te stellen.
Naar vaste rechtspraak van de Raad levert schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond op voor beëindiging of intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond. Daarbij wijst de Raad op zijn vaste rechtspraak (CRvB 20 september 2007, LJN BB6243), dat indien ondanks de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand toch kan worden vastgesteld, het bijstandsverlenend orgaan daartoe dient over te gaan.
Indien na een schending van de inlichtingenverplichting door de betrokkene het onderzoek naar de door hem achteraf gestelde en aannemelijk gemaakte feiten geen grondslag biedt voor een precieze vaststelling van het recht op bijstand, dan is het bijstandsverlenend orgaan, indien mogelijk, gehouden schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag de betrokkene in ieder geval wel recht op bijstand zou hebben, op basis van de vaststaande feiten en omstandigheden, waarbij het eventuele nadeel voor betrokkene, voortvloeiende uit de resterende onzekerheden, wegens de schending van de inlichtingenverplichting voor diens rekening gelaten mag worden. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraken van 24 februari 2004, LJN AO4705, 7 maart 2006, LJN AV5880, 24 april 2007, LJN BA3854, 3 mei 2011, LJN BQ4873 en 21 september 2011, LJN BT2933.
Dit vervoer van kinderen moet worden gekwalificeerd als op geld waardeerbare arbeid gedurende vier uren per dag waarvoor betrokkene, gelet op de aard van de arbeid, het evenredig deel van het minimumloon had kunnen bedingen. Ook deze mogelijke beloning is hoger dan betrokkene aan vergoedingen van ouders in handen had kunnen krijgen (naar uit de gedingstukken blijkt maximaal 11x € 50,- per maand). Het college had de bijstand dus kunnen en moeten vaststellen op de voor betrokkene geldende norm minus de helft van het netto minimumloon.
BZK 2011/25
|
27-09-2011
Een neutraal opgestelde brief met verzoek om contact op te nemen (variant op buurtonderzoek) is geen ongeoorloofde onderzoeksmethode (gemeente Amstelveen) Betrokkene betwist dat hij een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd. Het is goed mogelijk dat tijdens de verrichte waarnemingen een persoonswisseling heeft plaatsgevonden. Door het college is gebruik gemaakt van een ongeoorloofde onderzoeksmethode door middel van het sturen van brieven aan omwonenden omdat nu alleen personen hebben gereageerd die iets wilden melden terwijl bij een gebruikelijk buurtonderzoek ook anderen worden gehoord.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is geweest van een ongeoorloofde onderzoeksmethode door bij de omwonenden een brief in de brievenbus te deponeren waarbij de geadresseerde, in verband met een onderzoek door de Afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Amstelveen, wordt verzocht telefonisch contact op te nemen, omdat men wellicht over informatie beschikt die voor het onderzoek, waarbij men zelf niet betrokken is, van belang is.
Ter zitting heeft het college toegelicht, dat het college kiest voor deze praktische benadering om in contact te komen met personen die een verklaring willen afleggen, omdat bij een buurtonderzoek bewoners vaak niet thuis zijn en opnieuw bezocht moeten worden. Nu in deze neutraal opgestelde brief niet wordt aangegeven wat dit onderzoek inhoudt en op wie het onderzoek betrekking heeft, ziet de Raad niet in dat deze methode, anders dan de meer gebruikelijke methode waarbij bij alle omwonenden aan de deur wordt gebeld, ontoelaatbaar is omdat deze er toe zou leiden dat alleen degenen die een belastende verklaring wensen af te leggen naar aanleiding van deze brief contact opnemen. De naar aanleiding van deze brief vervolgens afgelegde verklaringen kunnen dan ook mede aan het bestreden besluit ten grondslag worden gelegd.
BZK 2011/26
|
26-08-2011
Intrekking van de WIJ-uitkering wegens ontbrekende medewerking aan een huisbezoek (gemeente Haarlem) Wegens ontbrekende medewerking aan een huisbezoek is de WIJ-uitkering ingetrokken volgens artikel 40, derde lid, aanhef onder a, WIJ. Ter zitting heeft het college het standpunt verlaten dat de intrekking kan worden gebaseerd op deze bepaling. De rechtbank acht de conclusie van het college, dat het genoemde artikellid de intrekking niet kan dragen, juist, nu daarin slechts een grondslag wordt gegeven voor intrekking of herziening van de inkomensvoorziening wegens schending van de inlichtingenplicht jegens het UWV en niet jegens het college. De rechtbank voegt daar aan toe dat de systematiek van de WIJ een andere is dan die van de Wet werk en bijstand (WWB).
Het college heeft vervolgens gesteld dat de intrekking van de inkomensvoorziening evenwel kan worden gebaseerd op artikel 40, derde lid, onder b, WIJ. Naar het oordeel van de rechtbank biedt genoemde bepaling in dit geval echter geen bevoegdheidsgrondslag voor de intrekking van de inkomensvoorziening.
BZK 2011/23
|
16-08-2011
De kosten van de contra-expertise taalanalyse vreemdeling moeten als noodzakelijk worden aangemerkt (gemeente Amsterdam) Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling mag de Staatssecretaris van Justitie van de uitkomst van een taalanalyse uitgaan indien de vreemdeling geen contra-expertise laat verrichten. De vreemdeling kan niet enkel door het plaatsen van kritische kanttekeningen bij de uitgevoerde taalanalyse teweegbrengen dat de Staatssecretaris van Justitie een nieuwe taalanalyse moet verrichten dan wel van een van de taalanalyse afwijkende conclusie dient uit te gaan (RvS. Afdeling Bestuursrechtspraak 11 juli 2008, LJN BD8591).
De Raad geeft de vaste rechtspraak inzake contra-expertise weer. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat in dit geval sprake is van een wezenlijk andere situatie dan in de gevallen waarop de vaste rechtspraak ziet.
Anders dan in gevallen waarop die rechtspraak betrekking heeft, heeft betrokkene in dit geval geen mogelijkheid om reeds voorhanden zijnde gegevens te verstrekken en kan betrokkene de resultaten van de taalanalyse slechts bestrijden door het laten verrichten van een contra-expertise. Voorts dient de vreemdeling de resultaten van de contra-expertise volgens vaste rechtspraak van de Afdeling in beginsel reeds in het kader van de (primaire) besluitvorming over te leggen. In dit geval derhalve bij het indienen van de zienswijze naar aanleiding van het voornemen de verblijfsvergunning asiel in te trekken.
Artikel 8:75 van de Awb voorziet weliswaar in een vergoeding voor in bezwaar, administratief beroep, beroep en hoger beroep gemaakte kosten, maar niet voor vergoeding van kosten die in de fase van de (primaire) besluitvorming worden gemaakt.
Daaraan voegt de Raad nog toe dat de gevolgen van de onmogelijkheid om de kosten van een contra-expertise te dragen volgens vaste rechtspraak van de Afdeling voor risico van de vreemdeling worden gelaten (RvS. Afdeling Bestuursrechtspraak 4 april 2007, LJN BA2832).
Niet kan worden gezegd dat betrokkene over ruimte beschikt voor de afweging of hij de kosten van een contra-expertise al dan niet wenst te maken. De kosten van de contra-expertise moeten als noodzakelijk worden aangemerkt.
BZK 2011/24
|
28-07-2011
De gemeente moet bijzondere bijstand verlenen in de kosten van medicinale cannabis (zelfteelt) tot een bedrag van € 6.000 per jaar (gemeente Amsterdam). Voor de kosten van geneesmiddelen is de Zorgverzekeringswet (Zvw) in beginsel als een aan de WWB voorliggende, toereikende en passende voorziening te beschouwen. Indien de voorgeschreven geneesmiddelen niet tot de geneesmiddelen behoren die op grond van het bij of krachtens de Zvw bepaalde als noodzakelijk te vergoeden kosten worden beschouwd, staat het bepaalde in artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de WWB in beginsel aan bijstandsverlening in de weg. Dat onder bepaalde voorwaarden wel aanspraak gemaakt kan worden op een (gedeeltelijke) vergoeding op grond van een aanvullende ziektekostenverzekering of uit overwegingen van coulance een vergoeding wordt verstrekt, maakt dit niet anders. Deze bepaling staat in beginsel ook in de weg aan bijstandsverlening voor de kosten van medicinale cannabis.
Artikel 16, eerste lid, van de WWB biedt de mogelijkheid om, in afwijking van onder meer artikel 15, bijstand te verlenen indien, gelet op alle omstandigheden, zeer dringende redenen daartoe noodzaken.
Over de wetenschappelijke basis van het effect van medicinale cannabis volgt de Raad de visie van een aantal deskundigen. Het college heeft geen medisch onderbouwde argumenten naar voren gebracht die tot een ander oordeel kunnen leiden. Niet staat zonder meer vast dat het zelf kweken van cannabis in de zeer bijzondere omstandigheden waarin betrokkene verkeert tot strafvervolging en -oplegging zal leiden, vgl. HR 16 september 2008, LJN BC7938 en BC7923.
In dit specifieke uitzonderlijke geval (ziekte van Crohn) is sprake van zeer dringende redenen op grond waarvan betrokkene in aanmerking komt voor bijzondere bijstand in de kosten van door haar zelf gekweekte en voor geneeskundige doeleinden benodigde cannabis voor eigen gebruik (15 gram per dag).
BZK 2011/22
|
19-07-2011
Het bezwaarschrift is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de gronden van het bezwaar (gemeente Rotterdam) Deze motivering van de maatregel in het primaire besluit is zo algemeen, dat begrijpelijk is dat betrokkene zich heeft beroepen op schending van de motiveringsverplichting. Anders dan in CRvB 27 december 2001, LJN AD8574 en CRvB 31 oktober 2007, LJN BB7463 ziet de Raad in dit geval geen grond om aan te nemen dat betrokkene geen duidelijkheid heeft verschaft omtrent hetgeen partijen verdeeld houdt.
Duidelijk is immers dat het bezwaar is gericht tegen een specifiek onderdeel van het besluit, te weten de opgelegde maatregel. Nu betrokkene in zijn bezwaarschrift strijd met de motiveringsplicht heeft aangevoerd kon hij, in het licht van de algemene bewoordingen van de motivering van de maatregel, niet worden verplicht om aanvullende gronden in te dienen.
BZK 2011/20
|
28-06-2011
De inkomensvoorziening kan worden ingetrokken terwijl het werkleeraanbod doorloopt (gemeente Arnhem) Nu het college ingevolge artikel 24 van de WIJ bevoegd is een inkomensvoorziening te verlenen aan de jongere die een werkleeraanbod heeft aangevraagd, moet het college eveneens bevoegd worden geacht over te gaan tot intrekking van deze inkomensvoorziening wanneer de jongere niet of niet langer recht heeft op die voorziening. Naar het oordeel van de rechtbank staat daaraan niet in de weg dat in de WIJ geen specifieke bepaling is opgenomen op grond waarvan de inkomensvoorziening in gevallen als deze kan worden ingetrokken.
Anders dan door betrokkene is betoogd is de rechtbank van oordeel, dat uit artikel 42, eerste lid, van de WIJ volgt dat de inkomensvoorziening kan worden ingetrokken terwijl het werkleeraanbod doorloopt. Immers, in de hiervoor genoemde bepaling staan de gevallen vermeld waarin de jongere niet langer recht heeft op inkomensvoorziening zonder dat daaraan gevolgen worden verbonden voor het werkleeraanbod.
De vraag die voorts moet worden beantwoord is of uit houding en gedragingen van betrokkene ondubbelzinnig is gebleken dat hij de verplichtingen verbonden aan het werkleeraanbod niet wil nakomen (artikel 42, eerste lid, onder c, gelezen in samenhang met artikel 45, aanhef en onder d, van de WIJ). De rechtbank is van oordeel dat hiervan sprake is. Gelet op deze bepalingen heeft betrokkene geen recht op een inkomensvoorziening en behoefde de gemeente, voorafgaand aan de beëindiging, niet eerst een maatregel op te leggen.
BZK 2011/21
|
21-06-2011
Binnen het stelsel van de Faillissementswet - waarin gedurende de looptijd van de schuldsanering ruimte in de boedel is geweest voor betaling van het salaris van de bewindvoerder en aan het eind van de schuldsanering is vastgesteld dat de saniet aan zijn verplichtingen heeft voldaan- is geen plaats voor bijzondere bijstand (gemeente Venlo) Het college heeft er terecht op gewezen dat de saniet gedurende de loop van de schuldsanering niet over de boedel kan beschikken. Aan de saniet staat ter beschikking een inkomen ter hoogte van de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 295, tweede lid, van de Fw of het met toepassing van het derde lid van dat artikel verhoogde bedrag. Zolang de boedel toereikend actief vertoont zal de bewindvoerder zijn salaris bij wijze van voorschotten uit de boedel mogen opnemen.
Per saldo betekent de verlening van bijzondere bijstand in gevallen als hier aan de orde dat daarmee de ruimte voor de slotbetaling aan de schuldeisers wordt vergroot. Het achterwege blijven van bijzondere bijstand heeft, met andere woorden, geen gevolgen ten aanzien van de voor de saniet zelf gedurende de looptijd van de schuldsanering beschikbare middelen voor de dagelijkse, noodzakelijke kosten voor levensonderhoud.
Binnen het uit de Fw voortvloeiende stelsel - althans voor zover het betreft het geval waarin gedurende de looptijd van de schuldsanering voldoende ruimte in de boedel is geweest voor betaling van het salaris van de bewindvoerder en aan het eind van de schuldsanering is vastgesteld dat de saniet aan zijn verplichtingen heeft voldaan, inclusief de salarisbetaling - ziet de Raad geen plaats voor bijzondere bijstand.
BZK 2011/19
|
31-05-2011
De bewijsproblematiek van artikel 3 WWB kan als regel door de gemeente niet worden omzeild met een beroep op artikel 17 jo. 11 WWB (gemeente Amsterdam) Het college is van opvatting is dat het hoofdverblijf van de man in de woning van betrokkene vaststaat, maar dat kan niet worden vastgesteld of zij en de man een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd in de zin van artikel 3, derde lid, van de WWB, omdat niet kan worden beoordeeld of voldaan is aan het criterium van wederzijdse zorg. Het college heeft hieruit de conclusie getrokken dat in het geval van betrokkene sprake is van een onduidelijke woonsituatie, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
Gelet op CRvB 28 januari 2003, LJN AF6274, CRvB 24 april 2007, LJN BA6868, en CRvB 30 januari 2007, LJN AZ8157, acht de Raad deze conclusie onjuist. Uit deze uitspraken volgt immers dat in het geval van betrokkene, waarin het college twijfels heeft over haar woon- en leefsituatie vanwege het hoofdverblijf van de man op haar adres, maar op basis van de beschikbare gegevens niet kan vaststellen dat sprake is van een gezamenlijke huishouding, het niet aanvaardbaar is dat het college ‘uitwijkt’ naar de grond dat als gevolg van het niet of onvoldoende verstrekken van inlichtingen over de woon- en leefsituatie het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
De Raad acht hierbij van betekenis dat het hier gaat om voor betrokkene belastende besluiten, zodat de bewijslast ter zake op het college rust. In dit verband wijst de Raad er voorts nog op dat in het geheel niet is onderzocht of er sprake is van wederzijdse zorg tussen betrokkene en de man.
BZK 2011/18
|
17-05-2011
Herleving arbeidsverplichtingen na tijdelijke ontheffing, zonder dat ambtshalve een nieuw vervolgbesluit is vereist (gemeente Rotterdam) Bevestigd wordt dat de in artikel 9 WWB genoemde verplichtingen van rechtswege aan de bijstand zijn verbonden (CRvB 6 maart 2007, LJN BA0024). Vaste rechtspraak van de Raad is dat een besluit om verplichtingen voorgoed niet aan een belanghebbende op te leggen of om zonder tijdsbepaling ontheffing te verlenen van verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling in strijd is met de doelstelling en uitgangspunten van de WWB (CRvB 12 oktober 2010, LJN BO0490). Dit brengt naar het oordeel van de Raad mee dat na afloop van een periode, waarover aan een bijstandsgerechtigde tijdelijk ontheffing is verleend van een of meer van deze verplichtingen, die verplichtingen van rechtswege herleven. Een afzonderlijk daartoe strekkend besluit is derhalve niet vereist.
De Raad kan betrokkene dan ook niet volgen in haar standpunt dat het college gehouden was ambtshalve een nieuw besluit te nemen ten aanzien van de (voortzetting van de) ontheffing van verplichtingen per 1 juni 2006. De Raad ziet in het licht van het voorgaande evenmin grond voor het oordeel dat betrokkene aan de in het besluit van 25 oktober 2004 opgenomen mededeling, dat de situatie na 1 juni 2006 opnieuw zal worden beoordeeld, een in rechte te honoreren verwachting kon ontlenen dat het college ter zake een zogenoemd vervolgbesluit zou nemen.
De Raad merkt daarbij op dat van betrokkene, indien bij haar onduidelijkheid bestond over de voor haar rechtens geldende situatie per 1 juni 2006, had mogen worden verlangd dat zij zich tijdig - en niet pas na ruim twee jaar - tot het college had gewend om de gewenste duidelijkheid alsnog te verkrijgen. Dat zij daartoe pas is overgegaan nadat haar geruime tijd later in een schuldsaneringsprocedure is tegengeworpen dat zij niet actief naar werk heeft gezocht, moet voor haar rekening en risico blijven.
BZK 2011/17
|
26-04-2011
De inburgeringsvoorziening wordt afgestemd op de voorziening op grond van artikel 9 WWB. Het college had dit voornemen en te hanteren tijdspad tijdig kenbaar moeten maken (gemeente Borne). De Raad stelt voorop dat het niet aan de belanghebbende maar aan het college is om te bepalen welke re-integratievoorziening voor de belanghebbende is aangewezen om het uiteindelijk beoogde doel (arbeidsinschakeling) te bereiken. Wel is vereist dat het college maatwerk levert en de voorziening het resultaat is van een zorgvuldige, op de persoon toegesneden, afweging. Het college dient voorts aan de belanghebbende kenbaar te maken waaruit de voorziening concreet bestaat, waarom deze voorziening, gelet op de individuele feiten en omstandigheden, is aangewezen en welk tijdspad wordt gevolgd.
In dit geval is kenbaar gemaakt een voorgenomen arbeidstoeleidingstraject, terwijl een trajectplan ontbreekt. Betrokkene is inburgeringsplichtig volgens de Wet inburgering (Wi). Het is steeds de bedoeling is geweest om betrokkene een duaal traject te laten volgen, waarbij gestart zou worden met de arbeidsinschakeling en vervolgens de inburgering ter hand zou worden genomen.
Nu het college kennelijk voornemens was een inburgeringsvoorziening aan betrokkene aan te bieden, en artikel 20, eerste lid, van de WI vereist dat de inburgeringsvoorziening wordt afgestemd op de voorziening op grond van artikel 9 WWB, had het college dit voornemen alsmede het ter zake te hanteren tijdspad aan betrokkene kenbaar moeten maken. Volgt vernietiging van de opgelegde maatregel.
BZK 2011/16
|
19-04-2011
Het college heeft terecht besloten dat de bijstandsuitkering is ingetrokken overeenkomstig het verzoek van betrokkene (gemeente Groningen) De strekking van artikel 3:44, vierde lid BW wordt verduidelijkt. Anders dan een besluit (van het college) kan een verzoek om bijstand in te trekken niet als een rechtshandeling worden beschouwd. Betrokkene kon immers door zijn verzoek het beoogde rechtsgevolg, het einde van het recht op bijstand, niet tot stand brengen. Daartoe was immers een besluit van het college noodzakelijk. Artikel 3:44, eerste en vierde lid, van het BW is dan ook niet overeenkomstig van toepassing op het verzoek tot intrekking van bijstand. Dat verzoek komt dan ook niet op grond van die bepaling voor vernietiging in aanmerking.
Voor zover de rechtbank bedoeld heeft dat aan artikel 3:44, vierde lid, van het BW een rechtsbeginsel ten grondslag ligt, inhoudende dat degene die, bewogen door zijn kwetsbare omstandigheden, een handeling verricht door het recht beschermd moet worden tegen degene die misbruik maakt van die kwetsbaarheid, en dat dit rechtsbeginsel ook toepasbaar is in het bestuursrecht, heeft zij artikel 3:59 van het BW te ruim uitgelegd. Deze zogenoemde schakelbepaling ziet immers op bepalingen, niet op rechtsbeginselen.
De Raad stelt voorop, overeenkomstig zijn vaste rechtspraak, dat een besluit tot intrekking van bijstand een voor de betrokkene belastend besluit is, waarbij het aan het bestuursorgaan is om bij de voorbereiding van dat besluit de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Dat geldt in beginsel ook in een situatie waarin een bijstandsgerechtigde zelf om intrekking van zijn bijstandsuitkering verzoekt.
Het college is niet tekort is geschoten in zijn verplichting om zorgvuldig onderzoek te doen. Het college is niet afgegaan op het herhaalde mondelinge verzoek van betrokkene, maar heeft hem verzocht dit verzoek schriftelijk te doen. Daarmee heeft het college in dit geval aan betrokkene zowel in vorm als in tijd voldoende bezinningsmogelijkheden gegeven. Verder is van belang dat de medewerker het eerste mondelinge verzoek niet geaccepteerd heeft, maar gezocht heeft naar een mogelijkheid om bijstandsverlening voort te zetten uitgaande van de nieuwe verblijfsplaats van betrokkene. De Raad overweegt hierover ten slotte dat het college onder de hiervoor besproken omstandigheden niet gehouden was om, zoals betrokkene aanvoert, een (verdere) afkoelingsperiode in te lassen dan wel nader onderzoek te doen naar de intenties van betrokkene.
BZK 2011/13
|
19-04-2011
De weigering van een briefadres door deze adresloze vormt geen zelfstandige grond voor afwijzing van de aanvraag (gemeente Groningen) Gelet op de tekst van artikel 40, tweede lid, van de WWB levert een weigering om het door de gemeente aangegeven briefadres te gebruiken geen zelfstandige grond op voor afwijzing van de aanvragen om bijstand. De bewoordingen van de wet wijzen op de keuze van de wetgever dat, uiteraard indien zich overigens geen weigeringsgronden voordoen, aan de betrokkene bijstand wordt verleend in zijn hoedanigheid van adresloze in de betrokken gemeente, zodra die hoedanigheid is komen vast te staan. Het doen van aangifte van een briefadres is geen voorwaarde vooraf voor de verlening van de bijstand. In de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling ziet de Raad geen aanknopingspunten voor een ander oordeel.
Aan de verlening van de bijstand wordt - en daarin heeft het college geen keuzevrijheid - de verplichting verbonden dat de adresloze aangifte doet van een door het college aangegeven briefadres in de zin van de Wet GBA. De wetgever heeft in artikel 40, tweede lid, van de WWB - anders dan voor de in het derde lid van dit artikel bedoelde situatie is geschied - geen regeling gegeven met betrekking tot de situatie waarin de betrokkene deze verplichting niet nakomt. Het is dus aan het college om binnen het kader van de bijstandsrelatie met betrokkene, te bezien welke gevolgen dienen te worden verbonden aan de niet-nakoming van deze verplichting.
In dat kader kan van een ander briefadres dan oorspronkelijk door het college was aangegeven worden uitgegaan. Het gaat er met name om dat het college bij de beoordeling van het recht op (voortzetting van de) bijstand de verblijfssituatie van de adresloze moet kunnen beoordelen, waartoe hij ook voor het college bereikbaar moet zijn. Zonodig kan de bijstand worden ingetrokken, vindt ambtshalve in de GBA inschrijving plaats op een puntadres en kan de bijstand worden afgestemd op niet-nakoming van verplichtingen.
BZK 2011/14
|
12-04-2011
Uitbreiding van onderzoek tijdens rechtmatig aangevangen huisbezoek (gemeente
‘s-Gravenhage)
Anders dan betrokkene ziet de Raad in de omstandigheid, dat tijdens het rechtmatig aangevangen huisbezoek het onderzoek niet beperkt is gebleven tot het onderwerp medebewoning door de zoon van betrokkene maar zich mede heeft uitgestrekt tot de vraag of sprake was van een gezamenlijke huishouding van betrokkene met [M.], niet een beletsel om de onderzoeksbevindingen (waaronder de verklaring van betrokkene) buiten beschouwing te laten.
De Raad neemt hierbij in aanmerking dat het huisbezoek van meet af aan erop gericht was duidelijkheid te verkrijgen over de feitelijke woon- en leefsituatie van betrokkene en dat tijdens het huisbezoek [M.] en diens persoonlijke bezittingen in de woning werden aangetroffen. Die aanwezigheid vormde, in het licht van betrokkenes opgave alleenstaand te zijn, voor het college terecht een aanknopingspunt voor nader onderzoek naar de juistheid van die opgave.
BZK 2011/15
|
15-03-2011
Niet aannemelijk is dat de kosten van vrijwillig budgetbeheer door derden in dit geval noodzakelijk zijn (gemeente Venlo) Betrokkene is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de kosten van budgetbeheer door Brekelmans Bewindvoering ten tijde van belang noodzakelijk waren. Betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat de hulp door de afdeling Schuldhulpverlening (van de gemeente) niet toereikend had kunnen zijn.
Een door de rechter ingesteld beschermingsbewind is niet op één lijn te stellen met een door private partijen gesloten overeenkomst tot budgetbeheer. Dit andere rechtsregime rechtvaardigt naar het oordeel van de Raad dat het college bij de beoordeling van een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van beschermingsbewind in beginsel uitgaat van de noodzaak van die kosten en dat het college bij de beoordeling van een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van budgetbeheer verlangt dat de aanvrager de noodzaak van die kosten aannemelijk maakt. Geen strijd met gelijkheidsbeginsel.
BZK 2011/11
|
14-03-2011
Een verlaging van driemaal 100% als eerste standaardmaatregel, wegens weigering van Work First-traject, past niet binnen de uitgangspunten van de bijstandswetgeving, zoals de inkomenswaarborg. Verordening buiten toepassing gelaten wegens strijd met artikel 18, tweede lid WWB (gemeente Haarlem) Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de WWB kent de wet een aantal uitgangspunten. Het uitgangspunt dat een ieder in beginsel verantwoordelijk is voor zijn bestaan kan alleen worden geëffectueerd als aan het ontvangen van bijstand ook verplichtingen zijn verbonden. De wetgeving sluit niet uit dat in de Afstemmingsverordening wordt opgenomen dat de uitkering, waar het gaat om zeer ernstige gedragingen, tijdelijk op nihil wordt gesteld. Het specifieke vangnetkarakter van de WWB dwingt daarbij wel tot extra zorgvuldigheid en terughoudendheid. Samenvattend is de verlaging van de bijstand gericht op het bewerkstelligen van de legale situatie en dientengevolge te kwalificeren als een reparatoire sanctie.
Uit de aard van dit middel vloeit voort dat het bestuursorgaan dit met een zekere fasering in omvang en duur van de maatregel dient toe te passen teneinde, bij het al dan niet optreden van de gewenste gedragsverandering, nader sturend te kunnen optreden. Daarbij zal echter steeds in aanmerking moeten worden genomen dat één van de kernfuncties van de WWB is om aan de bijstandbehoevende een inkomenswaarborg te bieden.
Artikel 18, derde lid, WWB biedt in dit verband onvoldoende rechtszekerheid, omdat het binnen een zekere marge aan het bestuursorgaan is om de termijn vast te stellen waarbinnen de maatregel wordt heroverwogen en van tevoren onzeker is hoe die heroverweging zal uitvallen.
De gemeenteraad van Haarlem heeft in de Afstemmingsverordening in redelijkheid niet kunnen komen tot deze eerste standaardmaatregel (driemaal 100%). Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat weliswaar sprake is van een ernstige gedraging die de inschakeling op de arbeidsmarkt belemmert, maar dat de balans tussen rechten en verplichtingen op grond van de WWB en tussen de eigen verantwoordelijkheid van de betrokkene voor de bestaansvoorziening en de gehoudenheid van het bestuurorgaan om arbeidsinschakeling belemmerend gedrag te corrigeren, door daaraan zo’n zware standaardmaatregel te verbinden, ernstig is verstoord. In situaties als deze, waar geen sprake is van recidive noch van bijkomende bijzondere omstandigheden, volstaat als regel immers een minder vergaande maatregel om een adequate prikkel bij betrokkene teweeg te brengen.
Met name de aan deze verlaging van 100% van de bijstandsnorm verbonden duur doet hier te zeer afbreuk aan het karakter van de WWB als inkomenswaarborg. Dit betekent dat deze bepaling buiten toepassing moet worden gelaten wegens strijd met artikel 18, tweede lid, van de WWB. Aangezien de op de bijstand van betrokkene toegepaste verlaging is gebaseerd op een buiten toepassing te laten bepaling kan het besluit, waarbij die verlaging is gehandhaafd, in rechte geen standhouden. De Raad zal het beroep gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met de wet.
De Raad voorziet in een verlaging van éénmaal 100%. De Raad onderschrijft niet het betoog van betrokkene, inhoudende dat de verlaging van haar bijstandsuitkering met 100% van de bijstandsnorm voor de duur van één maand een door artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (EP) verboden ontneming van eigendom oplevert.
BZK 2011/10
|
01-03-2011
De onderhavige notariskosten vloeien niet voort uit bijzondere omstandigheden, als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB, nu de kosten reeds geruime tijd voorzienbaar waren (gemeente Amsterdam) De aanvraag heeft betrekking op notariskosten ad € 358 i.v.m. herroeping van eerder gemaakt testament. Voor zover het gaat om noodzakelijke kosten dienen deze in beginsel te worden bestreden uit het inkomen, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Mede wordt in aanmerking genomen dat het eerder opgemaakte testament moest worden gewijzigd, omdat daarin legatarissen waren opgenomen die reeds waren overleden of met wie betrokkene geen contact meer had. Op grond hiervan gaat de Raad er van uit dat de notariskosten ten tijde in geding reeds geruime tijd voorzienbaar waren, zodat de aanvraag moet worden afgewezen. BZK 2011/09
|
07-02-2011
Ingevolge het zesde lid van artikel 35 van de WWB kan, in afwijking van het eerste lid, bijzondere bijstand ook aan een persoon worden verleend in de vorm van een collectieve aanvullende verzekering, zonder dat wordt nagegaan of ten aanzien van die persoon de kosten van die verzekering ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn of gemaakt zijn (gemeente Roerdalen) Gelet op CRvB 9 juni 2009 nr. 07/4552 WWB, LJN BJ0815, is het standpunt van het college, dat buiten de toepassing van artikel 35, zesde lid, van de WWB het verlenen van bijzondere bijstand voor de kosten van een aanvullende ziektekostenverzekering in geen geval mogelijk is, in rechte niet houdbaar.
Aan de hand van de omstandigheden van het geval zal moeten worden beoordeeld of de kosten van een aanvullende ziektekostenverzekering noodzakelijk zijn als bedoeld in artikel 35, eerste lid WWB en, indien gebruik kan worden gemaakt van een door de gemeente afgesloten collectieve aanvullende verzekering, of die omstandigheden grond vormen om niettemin bijzondere bijstand te verlenen in de kosten van een andere aanvullende verzekering.
Het verlenen van zodanige bijzondere bijstand is met name op zijn plaats is in geval aannemelijk is dat substantiële ziektekosten zijn te verwachten welke op grond van een individuele aanvullende verzekering kunnen worden vergoed, terwijl die kosten niet, of in beduidend mindere mate, worden gedekt door de collectieve verzekering die het bevoegde college aanbiedt. De beleidsregels van het college berusten in zoverre dan ook op een onjuiste uitleg van artikel 35, eerste lid, in samenhang met artikel 35, zesde lid, van de WWB.
BZK 2011/07
|
07-02-2011
Het opleggen van een traject Vroegtijdige Interventie Gezinnen (VIG) met een beroep op artikel 55 WWB is in dit geval gerechtvaardigd. Ontbrekende medewerking rechtvaardigt tevens een maatregel (gemeente Nijmegen) Gelet op de tekst van en toelichting bij artikel 55 van de WWB moet deze bepaling aldus worden uitgelegd, dat er mede gelet op de specifieke omstandigheden van de bijstandsgerechtigde een voldoende rechtstreeks verband aanwezig is tussen de aard en inhoud van de op te leggen verplichting enerzijds en de arbeidsinschakeling, alsmede de mogelijke vermindering of beëindiging van de bijstand, anderzijds. In dit kader komt aan het college een zekere mate van beoordelingsvrijheid toe terwijl het opleggen van de nadere verplichting een discretionaire bevoegdheid van het college is welke door de bestuursrechter terughoudend dient te worden getoetst.
Vast staat dat betrokkene, gezien haar medische beperkingen, tijdelijk is ontheven van de verplichtingen bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB. Het ontbreken van een perspectief op arbeidsinschakeling dan wel re-integratie op de arbeidsmarkt behoeft niet in de weg te staan aan het opleggen van een nadere verplichting die is gericht op (toekomstige) arbeidsinschakeling en daardoor op voorbereiding op bijstandsonafhankelijkheid van betrokkene in de toekomst. Voorwaarde hierbij is dat het vorenbedoelde rechtstreeks verband aanwezig is. Dit is hier het geval.
Uit de Analyse- en Plan van Aanpak blijkt dat de gezinscoach betrokkene op de gebieden van financiën, wonen, relaties, gezondheid, opvoeding, werk-scholing en veiligheid wil begeleiden en hiertoe concrete doelen heeft gesteld die per gebied zijn uitgewerkt. Bij betrokkene is er sprake van in de persoon gelegen problemen. Niet gebleken is dat betrokkene in staat is haar leven zelfstandig in goede banen te leiden. Met de opgelegde verplichting kan worden gewerkt aan het wegnemen van deze belemmerende factoren. Het Plan van Aanpak is een geëigend middel. Door middel van de oplegging van het VIG-traject aan betrokkene kunnen structurele wijzigingen op meerdere leefgebieden onder begeleiding van een gezinscoach worden bijgebracht. Daardoor kan betrokkene structuur in haar leven brengen en in dat van haar nog jonge kinderen, zodat zij voorbereid wordt op een uiteindelijk (meer) zelfstandig en bijstandsonafhankelijk bestaan.
Inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (artikel 8 EVRM) is gerechtvaardigd indien deze bij wet is voorzien, vgl. CRvB 29 juni 2010 nr. 09/170 WWB, LJN BM9795. De inbreuk is in dit geval met een beroep op artikel 55 WWB voldoende gerechtvaardigd. De opgelegde maatregel past binnen het wettelijk kader.
BZK 2011/08
|
07-02-2011
Uit de tekst van artikel 42 WIJ blijkt niet dat het geen recht hebben op een werkleeraanbod als weigeringsgrond is opgenomen voor een inkomensvoorziening. Wegens ontbrekende studiefinanciering heeft deze student recht op een inkomensvoorziening (gemeente Bergen op Zoom) De gemeente wijst op de wetsgeschiedenis van de WIJ. De rechtbank kan echter uit de tekst van de WIJ niet afleiden dat een jongere, om aanspraak te kunnen maken op een inkomensvoorziening, recht moet hebben op een werkleeraanbod. De omstandigheden waaronder een jongere geen recht heeft op een inkomensvoorziening zijn limitatief opgesomd in artikel 42, eerste lid, van de WIJ. De rechtbank stelt vast dat in dit artikellid het geen recht hebben op een werkleeraanbod niet als weigeringsgrond is opgenomen. Gelet hierop kan een inkomensvoorziening niet worden geweigerd op de grond dat er geen recht is op een werkleeraanbod.
Voorts heeft het college het standpunt ingenomen dat het bepaalde in artikel 42, eerste lid, aanhef en onder b, WIJ zich tegen toekenning van een inkomensvoorziening verzet, omdat de Wet studiefinanciering 2000 voor betrokkene als een voorliggende voorziening is aan te merken. Het college heeft erkend dat betrokkene, in verband met de duur van zijn studie, geen beroep meer kan doen op de Wet studiefinanciering 2000. Daarom is naar het oordeel van de rechtbank die wet niet aan te merken als een naar zijn aard en doel als passend en toereikend aan te merken voorziening als bedoeld in artikel 42, eerste lid, aanhef en onder b, van de WIJ.
De rechtbank concludeert dat noch het bepaalde in artikel 42 van de WIJ, noch een andere wettelijke bepaling zich verzet tegen toekenning van een inkomensvoorziening krachtens de WIJ aan een jongere in de positie van betrokkene. Dit betekent dat het bestreden besluit, voor zover daarbij de weigering van een inkomensvoorziening is gehandhaafd, berust op een ondeugdelijke motivering en wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb moet worden vernietigd. Het beroep is in zoverre gegrond.
BZK 2011/12
|
25-01-2011
Bij deze draagkrachtberekening wordt het volledige vermogen beneden de vermogensgrens ingezet, met uitzondering van het bedrag van de maandelijkse bijstandsnorm (gemeente Roerdalen) Verzocht is om bijzondere bijstand in de kosten van een bewindvoerder.
Het college heeft in het beleid met betrekking tot de uitoefening van in artikel 35, eerste lid, WWB toegekende bevoegdheid bepaald, dat het aanwezige vermogen volledig dient te worden aangewend voor de betaling van de kosten waarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd. Bij de vermogensvaststelling wordt slechts een bedrag, gelijk aan de van toepassing zijnde bijstandsnorm, buiten beschouwing wordt gelaten.
Gelet op de aan het college ingevolge artikel 35, eerste lid, WWB toekomende beoordelingsruimte inzake het in aanmerking te nemen vermogen, gaat dit beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. De omstandigheid, zoals betrokkene heeft aangevoerd, dat ernstige rechtsongelijkheid bestaat omdat andere gemeenten een minder stringente vermogenstoets hanteren, kan niet tot een ander oordeel leiden. De WWB voorziet immers in een gedecentraliseerde uitvoering. De mogelijkheid van een verschillende uitvoering per gemeente is daarmee gegeven. Aangezien een wezenlijk verschil bestaat tussen personen die niet over spaargeld beschikken en personen, zoals betrokkene, die wel over spaargeld beschikken, kan het beroep op het gelijkheidsbeginsel ook in dat opzicht niet slagen.
BZK 2011/06
|
04-01-2011
Omdat de bijstand een bodemvoorziening is heeft het college heeft zich terecht op het standpunt kunnen stellen dat de goedkoopste passende voorziening (tweedehands aanschaf) toereikend is. Daarbij behoeft niet steeds van dezelfde norm te worden uitgegaan (gemeente Groningen)
Het college mag uitgaan van tweedehands aanschaf. Naar het oordeel van de Raad heeft het college echter onvoldoende onderbouwd dat betrokkene met het toegekende bedrag aan bijzondere bijstand van € 75,-- destijds een deugdelijke duowagen heeft kunnen aanschaffen. Zo blijkt uit het rapport van de gemeente niet of de zoektocht op Marktplaats zich heeft beperkt tot de woonomgeving van betrokkene of dat er ook in een (veel) wijdere omgeving is gezocht. In het laatste geval zou sprake kunnen zijn van praktische problemen bij het bezichtigen en ophalen van de koopwaar en van (bijkomende) vervoerskosten. Ook is niet duidelijk wat de kwaliteit is van de op Marktplaats aangeboden duowagens.
Naar het oordeel van de Raad mag verlangd worden dat de zoekresultaten waarnaar wordt verwezen en waarop het college besluitvorming baseert controleerbaar zijn. Het had daarom in de rede gelegen de gegevens van de op Marktplaats aangeboden duowagens uit te printen en in het dossier op te nemen.
Het college dient alsnog aannemelijk te maken (tussenvoorziening) dat betrokkene met een bedrag van € 75,-- aan bijzondere bijstand ten tijde hier van belang een kwalitatief toereikende en passende duowagen heeft kunnen aanschaffen.
BZK 2011/05
|
14-12-2010
Geen bijzondere bijstand voor verplicht eigen risico zorgverzekering (gemeente Maastricht) Uit de aangehaalde brieven, het weergegeven wettelijk stelsel en het opgenomen citaat uit de memorie van toelichting blijkt dat de wetgever bij de wijziging van de Zorgverzekeringswet (2008) heeft gemeend (met de uitkering van € 47,- op grond van artikel 118a Zvw voor de specifieke doelgroep van verzekerden met meerjarige onvermijdbare zorgkosten en voor het overige door premieverlaging en compensatie via de zorgtoeslag op basis van een gemiddeld zorgbeslag van € 103,--) voldoende compensatie te hebben geboden voor het verplicht eigen risico.
Hieraan ligt een keuze ten grondslag, die ertoe leidt dat in beginsel sprake is van een uitputtende bewuste - passende en toereikende - regeling, die een voorliggende voorziening oplevert in de zin van artikel 15, eerste lid, van de WWB.
De Raad is niet gebleken dat dit in de situatie van betrokkene anders ligt. Haar stelling dat artikel 118a van de Zvw niet passend en toereikend is omdat zij niet voldoet aan de voorwaarden om voor de daar geregelde uitkering van € 47,-- in aanmerking te komen, kan gelet op het bepaalde in artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de WWB geen doel treffen. In het kader van de Zvw heeft de regelgever het immers niet noodzakelijk geoordeeld om de uitkering ook in gevallen zoals dat van betrokkene te verstrekken.
Het beroep op diverse verdragsbepalingen leidt niet tot de conclusie dat sprake is geweest van zeer dringende redenen volgens artikel 16 eerste lid WWB.
BZK 2011/02
|
14-12-2010
Niet is aannemelijk gemaakt dat niet langer sprake is van een samenlevingscontract. I.v.m. gezamenlijk hoofdverblijf mag het college dus uitgaan van het wettelijke rechtsvermoeden dat nog steeds sprake is van een gezamenlijke huishouding (gemeente Breukelen) Ten tijde van de aanvraag om bijstand was volgens betrokkene geen sprake meer van een geldend samenlevingscontract, aangezien de relatie tussen betrokkene en zijn partner is verbroken.
In de notariële samenlevingsovereenkomst zijn o.a. bepalingen opgenomen over de (gevolgen van de) beëindiging van de samenleving door overlijden dan wel anderszins. Over de wijze waarop de overeenkomst door partijen wordt ontbonden, anders dan in geval van overlijden van een van beiden, houdt de overeenkomst geen bepalingen in.
Onder de gedingstukken bevindt zich geen document waaruit blijkt dat betrokkene en zijn partner de samenlevingsovereenkomst hebben ontbonden en/of hebben afgewikkeld. Vaststaat voorts dat zij na de gestelde verbreking van hun relatie in de gemeenschappelijke woning zijn blijven wonen, dat niet is gebleken dat zij (andere) afspraken hebben gemaakt over de kosten van de huishouding of dat zij uitvoering hebben gegeven aan de bepalingen omtrent de verdeling van de gemeenschappelijke boedel, het huurrecht en het gebruik van de woning.
Op basis van het huisbezoek kan niet zonder meer worden vastgesteld dat de samenleving van partijen, in de zin van de samenlevingsovereenkomst, feitelijk is verbroken. Nu het hier gaat om een aanvraag om bijstand, waarbij betrokkene heeft aangegeven dat hij alleenstaand is, lag het op zijn weg om met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken dat niet langer sprake was van een geldend samenlevingscontract. Betrokkene is daarin niet geslaagd.
Onder deze omstandigheden heeft het college ervan mogen uitgaan dat er, gezien het in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, WWB genoemde rechtsvermoeden, nog steeds sprake was van een gezamenlijke huishouding, zodat betrokkene geen recht had op bijstand.
BZK 2011/03
|
14-12-2010
Deze afkoopsom van een pensioenfonds heeft betrekking op een pensioen, bestemd voor de periode die aanvangt met het bereiken van de 65-jarige leeftijd (gemeente Maastricht) In dit geding staat vast -en ook de Raad gaat overeenkomstig CRvB 13 mei 2003, LJN AF8845, daarvan uit- dat middelen die zijn verkregen als gevolg van afkoop ineens van pensioen naar hun aard overeenkomen met inkomen in verband met arbeid. Het pensioen moet in dit geval (betrokkene is 35 jaar) worden toegerekend aan een in de toekomst gelegen periode en heeft dus geen betrekking op een periode waarover een beroep op de bijstand is gedaan. Deze afkoopsom (Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid) ad € 757,70 netto is ten onrechte als inkomen gekort op de lopende bijstandsuitkering. De Raad bevestigt het standpunt van de rechtbank, die de afkoopsom in dit geval aanmerkt als vermogen.
BZK 2011/04
|
18-11-2010
Gelet op BZK 2010/57 (PGB wordt niet gezien als inkomsten van de budgethouder) is er in dit geval geen grond voor herziening en terugvordering. Ten overvloede: mogelijk is de Toeslagenverordening onverbindend i.v.m. beperkingen die voortvloeien uit artikel 25 jo. 30 WWB (gemeente Amsterdam) Anders dan het college is de rechtbank van oordeel dat betrokkene voldoet aan de voorwaarden van artikel 3, negende lid, van de Toeslagenverordening. Betrokkene is immers hulpbehoevend. De ontvangst van het PGB is niet van invloed op het recht op bijstand, omdat het PGB niet wordt gezien als inkomsten. Een aanleiding voor herziening en terugvordering ontbreekt.
Tevens merkt de rechtbank op dat het gegeven dat betrokkene voldoet aan de criteria van artikel 3, negende lid, van de Toeslagenverordening niet hoeft te betekenen dat zij op grond van dat artikellid recht heeft op een toeslag van 20%.
Uit de bewoordingen van artikel 25, in samenhang met artikel 30, derde lid, WWB vloeit immers voort dat het college voor de toeslagverlening geen andere overwegingen kan laten gelden dan de aan- of afwezigheid van bepaalde algemeen noodzakelijke bestaanskosten ten gevolge van het kunnen delen daarvan met een ander. De toekenning van een toeslag van 20% is in het negende lid van artikel 3 van de Toeslagenverordening daarentegen afhankelijk gesteld van de vraag of de betrokkene hulpbehoevend is.
Dit doet de vraag rijzen of artikel 3, negende lid, van de Toeslagenverordening wegens strijd met de WWB onverbindend is.
BZK 2010/70
|
09-11-2010
De bekostiging van drugsgebruik leidt in dit geval tot de conclusie dat wegens schending van de inlichtingenplicht het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld (gemeente Heerlen). De besteding van ongeveer Euro 1.600 per maand aan verdovende middelen, afgezet tegen de hoogte van hun bijstandsuitkeringen en van de vaste (woon)lasten, rechtvaardigt de vooronderstelling dat partijen destijds beschikten of redelijkerwijs hebben kunnen beschikken over middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de WWB om hun gebruik van verdovende middelen te financieren. Het is dan aan partijen om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Zij zijn hierin niet in geslaagd.
Nu zij niet hebben voldaan aan de op hen rustende bewijslast, moet het ervoor worden gehouden dat zij beschikten of redelijkerwijs hebben kunnen beschikken over middelen om hun drugsgebruik te kunnen bekostigen. Zij hebben hiervan in strijd met de op hen rustende inlichtingenverplichting geen mededeling gedaan. Nu verder niets bekend is over de aard en omvang van die middelen, kan als gevolg van die schending het recht op bijstand over de in geding zijnde periode niet meer worden vastgesteld. De gemeente was bevoegd de bijstand in te trekken.
BZK 2010/69
|
09-11-2010
In de kosten van de bewindvoerder wegens onderbewindstelling dient bijzondere bijstand te worden verleend (gemeente Overbetuwe) Op 1 juni 2004 zijn de door het LOK vastgestelde Aanbevelingen gepubliceerd. De Aanbevelingen hebben onder meer betrekking op de beloning van de bewindvoerder en bevatten, voor zover hier in het bijzonder van belang, de forfaitaire jaarlijkse beloningen voor bewindvoerders, voor het geval de norm van 5% als bedoeld in artikel 1:447, eerste lid, van het BW niet voldoet. In het geval dat een kantonrechter oordeelt over de vraag of er grond is de beloning anders te regelen als bedoeld in artikel 1:447, eerste lid, tweede volzin, van het BW, neemt hij de in de Aanbevelingen vastgestelde forfaitaire jaarlijkse beloningen als uitgangspunt.
De algemene goedkeuring van de tarieven (2007) van deze bewindvoerder door de kantonrechter dient te worden aangemerkt als het anders regelen van de beloning als bedoeld in artikel 1:447, eerste lid, tweede volzin, van het BW. Dat de goedkeuring ziet op alle cliënten van de bewindvoerder en niet op een individuele cliënt (zoals betrokkene), maakt dit niet anders.
Dit brengt mee dat de bewindvoerder ten tijde van belang jegens betrokkene aanspraak op beloning voor de bewindvoering kon maken. Gelet op de onderbewindstelling zijn de kosten van deze beloning noodzakelijk en vloeien deze voort uit de bijzondere individuele omstandigheden van betrokkene.
BZK 2011/01
|
02-11-2010
Beleidsregel bij kwijtscheldingsverzoek in geval van opvolgende bijstandsfraude (gemeente Amsterdam) Volgens de Beleidsregels WWB ziet het college niet af van (verdere) invordering indien de terugvordering meer dan één keer het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de wettelijke inlichtingenverplichting.
De Raad is van oordeel dat deze beleidsregel niet in strijd komt met enig algemeen verbindend voorschrift en past binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling.
De Raad stelt voorts vast dat het college in overeenstemming met deze beleidsregel heeft gehandeld door het verzoek om kwijtschelding van het restant van de destijds door de kantonrechter vastgestelde vordering, die (mede) zijn grondslag vond in schending van de inlichtingenverplichting, af te wijzen. Bijzondere omstandigheden ontbreken.
BZK 2010/67
|
02-11-2010
Bij tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, i.v.m. ontslag uit WSW-arbeid, kan een maatregel volgens artikel 18 WWB volgen, tenzij elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt (gemeente Alphen aan de Rijn). Betrokkene heeft ontslag in proeftijd gekregen wegens ongeoorloofd verzuim.
Het standpunt van het college dat betrokkene artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB heeft geschonden, kan de Raad niet volgen, nu arbeid in een dienstverband krachtens de WSW niet valt aan te merken als algemeen geaccepteerde arbeid. Nu betrokkene de in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB neergelegde verplichting niet heeft geschonden, was het college niet bevoegd om op deze grond met toepassing van artikel 18, tweede lid, van de WWB de bijstand te verlagen.
De Raad overweegt daartoe dat het college de bijstand van betrokkenen met toepassing van artikel 18, tweede lid, van de WWB dient te verlagen overeenkomstig de Afstemmingsverordening, indien betrokkene tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan, behoudens indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Bij de beoordeling of de bijstand van betrokkenen op die grond moet worden verlaagd, en zo ja, in welke mate, dient de vraag te worden beantwoord of, en zo ja, in hoeverre het ontslag betrokkene kan worden verweten. Achteraf kan dit i.c. niet meer voldoende worden onderzocht.
BZK 2010/68
|
12-10-2010
Afstemming wegens ontbrekende ziekmelding in het kader van Work First (gemeente Utrecht) Een verplichting zich iedere dag af te melden wegens ziekte is niet opgenomen in de polis en is volgens betrokkene naar algemene verkeersopvattingen in de relatie tussen werkgever en werknemer ook niet gebruikelijk.
De Raad stelt vast dat de verplichting om zich elke werkdag opnieuw ziek te melden niet expliciet is opgenomen in de polis. Dit neemt echter niet weg dat in redelijkheid van een betrokkene mag worden verwacht dat, indien de betrokkene gaat deelnemen aan een andere activiteit binnen het traject, hij zich in geval van ziekte afmeldt.
Nu eerder een maatregel in de vorm van een waarschuwing is opgelegd, is in dit geval sprake van recidive die medebepalend is voor de omvang van de maatregel.
BZK 2010/64
|
12-10-2010
Deze beleidsregel inzake langdurigheidstoeslag is in strijd met de wet (gemeente Rotterdam) Volgens de beleidsregel in het Handboek SoZaWe Rotterdam voldoet betrokkene volgens het college niet aan de in artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB gestelde voorwaarde. Zij heeft namelijk verzuimd juiste inlichtingen -over de verblijfsstatus van haar partner- te verstrekken, waardoor zij gedurende een periode van ongeveer vijf maanden in de referteperiode bijstand heeft ontvangen naar de norm voor gehuwden. Zij had slechts recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande-ouder. Dat betrokkene inmiddels heeft terugbetaald, doet hier niet aan af, aldus het college.
Artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevat volgens de Raad een feitelijke norm voor de beoordeling van het recht op langdurigheidstoeslag, te weten de hoogte van het gedurende een bepaalde periode - feitelijk - genoten inkomen. De tekst van artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB noch de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling biedt aanknopingspunten dat eventuele verwijtbaarheid van de betrokkene ten aanzien van het tijdelijk ontvangen van een inkomen boven de toepasselijke bijstandsnorm bij die - feitelijke - beoordeling een rol speelt.
Het weergegeven beleid is in zoverre in strijd met de wet, zodat het hierop berustende besluit geen stand kan houden.
BZK 2010/66
|
20-09-2010
Deze beleidsregel inzake adres volgens de GBA gaat voorbij aan het feitelijke woonplaatsbegrip volgens de WWB (gemeente Rotterdam) Volgens de in het Handboek SoZaWe Rotterdam opgenomen beleidsregel bestaat geen recht op bijstand, als het door belanghebbende opgegeven adres niet overeenkomt met de adresgegevens in de GBA. Als uitzonderingen op deze regel worden onder meer aanvaard de situatie dat de afwijking de belanghebbende niet kan worden verweten of indien de afwijking zijn oorzaak vindt in een dringende reden.
De Raad begrijpt het college aldus dat hij deze veronderstelde leemte in de wetgeving hiermee heeft willen opvullen. Voor een dergelijke verstrekkende beleidsregel is echter geen toereikende grondslag in de WWB aanwezig.
Door het recht op bijstand, behoudens de situatie van het ontbreken van verwijtbaarheid of het bestaan van een dringende reden, afhankelijk te stellen van de (vervulde) voorwaarde dat het feitelijk woonadres overeenstemt met het GBA-adres wordt bovendien een criterium geïntroduceerd dat voorbijgaat aan en verder strekt dan het feitelijke woonplaatsbegrip als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de WWB.
Het een en ander brengt met zich mee dat het college in situaties als de onderhavige, waarin op zichzelf niet wordt betwist dat betrokkene zijn feitelijke woonadres niet heeft op het GBA-adres en betrokkene gemotiveerd stelt dat de hoofdbewoner van het feitelijk bewoonde adres niet wil meewerken aan een wijziging van de GBA-inschrijving, bij de afwijzing van de aanvraag niet kan volstaan met de blote vaststelling dat het feitelijke woonadres niet in overeenstemming is met het GBA-adres.
Niet valt in te zien dat niet op andere wijze, zoals bijvoorbeeld door het afleggen van een huisbezoek of anderszins, zou kunnen worden vastgesteld of betrokkene daadwerkelijk op het door hem aangegeven feitelijke woonadres woonachtig is en of, voor het geval de hoofdbewoner niet instemt met een inschrijving op zijn adres en voor een huisbezoek geen toestemming zou verlenen, betrokkene het een en ander valt aan te rekenen.
BZK 2010/65
|
14-09-2010
De referteperiode voor de langdurigheidstoeslag kan eerst aanvangen op de dag waarop belanghebbende de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt (gemeente Nijmegen) Volgens het college kan de referteperiode van vijf jaar eerst aanvangen op het moment waarop betrokkene de leeftijd van 18 jaar had bereikt, zodat op het moment van de aanvraag niet kan worden gesproken van een langdurig laag inkomen. Betrokkene heeft dit standpunt betwist en stelt dat zij in de vijf jaar voorafgaande aan het moment dat zij 21 jaar werd een laag (Wajong)inkomen had als bedoeld in de verordening, zodat zij op grond van de WWB in aanmerking komt voor een langdurigheidstoeslag.
De rechtbank acht de uitleg van artikel 36, eerste lid, WWB in samenhang met de verordening zoals het college die voorstaat in de bestreden beslissing niet onjuist. De uitleg van betrokkene acht de rechtbank niet verenigbaar met het systeem van de WWB.
De wetgever heeft er voor gekozen een ondergrens voor een recht op een langdurigheidstoeslag vast te stellen op 21 jaar. Met de keuze voor deze ondergrens, tezamen met de keuze om de duur van de referteperiode aan de gemeenten over te laten, moet de wetgever voor ogen hebben gehad het geval, zoals het onderhavige, dat gemeenten een referteperiode langer dan drie jaar hanteren, zodat betrokkenen in die gemeenten op een leeftijd ouder dan 21 jaar eerst in aanmerking kunnen komen voor een langdurigheidstoeslag.
BZK 2010/63
|
02-09-2010
De op de kinderspaarrekening gestorte bedragen zijn in dit geval aan te merken als vrij te laten giften, zodat de bijstand ten onrechte is teruggevorderd (gemeente Terneuzen) Getoetst aan het beleid volgens het Handboek WWB heeft het college niet in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat de overgemaakte bedragen niet kunnen worden beschouwd als giften in de zin van art. 31, 2e lid, sub m van de WWB.
Het college heeft ten onrechte de giften gerekend tot de middelen van betrokkene die in aanmerking moesten worden genomen bij het inkomen. Derhalve hadden de giften buiten beschouwing moeten blijven bij de vaststelling van de hoogte van de bijstand en ontbreekt een rechtsgrond voor de terugvordering.
BZK 2010/62
|
30-08-2010
Artikel 27 WWB geeft geen limitatieve opsomming van de gevallen waarin de bijstandsnorm kan worden verlaagd wegens de woonsituatie (gemeente Geldrop-Mierlo) Anders dan in Rechtbank Breda 10 juni 2008, BZK 2008/57, is in de verordening niet de in artikel 27 van de WWB toegekende bevoegdheid overschreden, door een verlaging van de bijstandsnorm voor te schrijven in de situatie waarin huurkosten en hypotheeklasten ontbreken, zonder daarbij rekening te houden met het wel aanwezig zijn van overige woonlasten, zoals zakelijke lasten en onderhoudskosten.
Wel dient het college te onderzoeken of er aanleiding bestaat voor een individuele afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de WWB, gelet op de aangegeven woonkosten.
BZK 2010/61
|
27-08-2010
De bewuste keuze, dat de GGZ-instelling geacht wordt het programma van de ouder gedurende drie maanden kan aanpassen aan de behoefte aan opvang van het kind, kan in dit geval in redelijkheid niet leiden tot een afwijzing van bijzondere bijstand (Sociale Dienst Drechtsteden) Betrokkene stelt onweersproken dat de voortzetting van haar therapie van zes dagdelen per week ook na het verstrijken van de in de Verordening kinderopvang genoemde periode van drie maanden medisch gezien noodzakelijk was.
Uit de toelichting op de verordening blijkt niet dat de Drechtraad bij het opstellen van de verordening onder ogen heeft gezien dat het voor een GGZ-instelling (zoals in dit geval De Hoop) niet altijd mogelijk is om de therapie binnen drie maanden zo in te richten dat kinderopvang na deze periode niet langer noodzakelijk is.
Nu de gemeente geen enkel inhoudelijk argument heeft gegeven waarom het voor betrokkene tijdens het verblijf in De Hoop niet langer noodzakelijk (en onvermijdelijk) zou zijn om kosten van kinderopvang te maken, heeft de gemeente de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand in de kosten van kinderopvang niet in redelijkheid kunnen baseren op de in artikel 2.3, derde lid, van de verordening door de Drechtraad gemaakte keuze.
BZK 2010/60
|
17-08-2010
Wegens de toekenning van een PGB aan haar moeder heeft het college de ontheffing van de arbeidsverplichtingen van de dochter als zorgverlener in zoverre beëindigd, dat aan haar de verplichting is opgelegd mee te werken aan een onderzoek naar haar mogelijkheden voor deelname aan scholing of opleiding en zich beschikbaar te stellen voor voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, inclusief sociale activering. Wegens ontbrekende medewerking zijn terecht maatregelen opgelegd (gemeente Hattem) Betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat het aangeboden traject voor haar niet een passende voorziening is.
Niet is gebleken dat het aan de moeder van betrokkene toegekende PGB ontoereikend is en niet zodanig kan worden ingezet, dat betrokkene niet in staat is om op verantwoorde wijze het traject te volgen. Dat zij niet wil dat bepaalde zorgtaken voor haar moeder, zoals helpen met toiletbezoek en eten en drinken geven, door een derde worden uitgevoerd is een voorkeur van betrokkene en kan niet bepalend zijn of van haar in redelijkheid niet kan worden gevergd aan het traject deel te nemen.
Anders dan betrokkene is de Raad van oordeel dat geen sprake is van één voortgezette gedraging, maar van het bij herhaling weigeren gevolg te geven aan de op haar rustende verplichting waarmee bij de afstemming rekening wordt gehouden.
BZK 2010/58
|
28-07-2010
De beperkte herbeoordeling van eerder toegekende bijzondere bijstand op grond van gewijzigde beleidsregels (2009) is in strijd met de wet (gemeente Amsterdam) Na de invoering van de Wtcg (2009) en de wijziging van beleidsregels bijzondere bijstand voor chronisch zieken en gehandicapten heeft het college zich bij de ambtshalve herbeoordelingen in alle zaken beperkt tot de kostensoorten, die vallen onder de modules in de nieuwe beleidsregels aanvullende tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Atcg). Kostensoorten waarvoor partijen onder de oude Regeling chronisch zieken en gehandicapten wel bijzondere bijstand ontvingen, maar die niet vallen onder één van de acht modules van de Atcg, heeft het college reeds om die reden (impliciet) afgewezen en niet in zijn herbeoordeling betrokken.
Voorts is het college bij de bepaling van de hoogte van de bijzondere bijstand uitgegaan van een vast bedrag van € 20,- per module, zonder dat daarnaast is nagegaan of deze forfaitaire vergoedingen in de individuele gevallen toereikend zijn gelet op de daadwerkelijke noodzakelijke kosten van eisers. Het college heeft aldus nagelaten om (aanvullend) maatwerk te leveren. Dit betekent dan ook dat alle in geding zijnde toekenningen in strijd zijn met artikel 35, eerste lid, van de WWB.
Gelet op het bepaalde in artikel 15, eerste lid, van de WWB, gelezen in samenhang met artikel 35, eerste lid, van de WWB, bestaat pas dan geen recht op bijstand als de voorliggende voorziening naar haar aard en doel voor de belanghebbende toereikend en passend wordt geacht te zijn. Een toekenning op grond van de Wtcg betreft een tegemoetkoming en kan reeds daarom niet als een toereikende en passende voorziening worden beschouwd. Blijkens de SZW-Verzamelbrief van 9 februari 2009 hebben betrokkenen een keuzemogelijkheid om zorgkosten ofwel via fiscale aftrek ofwel via bijzondere bijstand gecompenseerd te krijgen. Ook het bestaan van deze keuzemogelijkheid duidt erop dat belastingaftrek niet als een voorliggende voorziening kan worden beschouwd.
Anders dan het college ter zitting heeft gesteld, kan betrokkene dus niet worden verplicht de kosten (eerst) via de belastingdienst te verhalen alvorens bijzondere bijstand aan te vragen.
De mogelijkheid die het college in de beleidsregels heeft gecreëerd om achteraf, nadat de noodzakelijke kosten zijn gemaakt, bijzondere bijstand aan te vragen voor kosten die niet of onvoldoende worden vergoed door de Wtcg, de fiscale aftrek en de tegemoetkoming op grond van de Atcg, heft de strijdigheid met artikel 35, eerste lid, van de WWB niet op. Als achteraf bijzondere bijstand wordt toegekend dan is die toekenning in feite te laat. De WWB is immers een sociaal vangnet voor diegenen die niet over middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Door van betrokkenen te verlangen dat zij achteraf bijzondere bijstand aanvragen, handelt het college in strijd met de wet.
Nu het college niet bereid is de beoordeling van de periodieke kostensoorten aan de GGD voor te leggen en maatwerk achterwege blijft, voorziet de bestuursrechter in herleving van eerder toegekende bijzondere bijstandsuitkeringen, met een schadevergoeding.
BZK 2010/52
|
27-07-2010
Bij de verrekening van het PGB moet rekening worden gehouden met de door derden verstrekte zorg en hun (gedeeltelijke) aanspraken op het PGB (gemeente Bergen op Zoom) Het PGB dat aan de man als budgethouder is toegekend, kan als zodanig niet worden beschouwd als in aanmerking te nemen middelen van de man (artikel 31, eerste lid, WWB). Nu er naast de vrouw -die de zorg aan de met haar gehuwde man verleende- geen andere zorgverlener was aangewezen, had zij volledig aanspraak op het PGB en de beschikbare middelen (artikel 32 WWB).
Over een latere periode is de zorg mede door derden uitgevoerd. Het college is er aan voorbijgegaan dat de broer van de man in deze periode de bij het zorgkantoor bekende zorgverlener was. Aangenomen moet worden dat hij feitelijk in elk geval een deel van de geïndiceerde ondersteunende begeleiding op zich nam. Daarom had hij aanspraak op betalingen uit het PGB. Slechts een deel van het PGB als fictief inkomen van de vrouw kan in aanmerking worden genomen.
BZK 2010/57
|
20-07-2010
Specifieke verplichtingen (artikel 9 WWB) behoren te leiden tot afstemming (artikel 18 WWB) en niet tot intrekking (artikel 54 WWB). Handhaving van beperkte uitleg artikel 54 WWB (gemeente Tilburg) Van ‘het verlenen van onvoldoende medewerking’ in de zin van artikel 54, eerste lid, WWB is slechts dan sprake is indien de belanghebbende onvoldoende medewerking verleent in het kader van een onderzoek naar het recht op bijstand.
Daarvan is geen sprake indien hij onvoldoende medewerking verleent in het kader van een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat in artikel 9, eerste lid, WWB een specifieke regeling is opgenomen van de verplichtingen van de belanghebbende gericht op zijn arbeidsinschakeling. Het bestuursorgaan is op grond van artikel 18, tweede lid, WWB gehouden de bijstand te verlagen indien de belanghebbende die verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, behoudens in geval elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
BZK 2010/59
|
19-07-2010
Gelet op de feitelijke omstandigheden kan vanaf de huwelijksdatum worden gesproken van duurzaam gescheiden leven (SVB) Partijen (65+) beschikken ieder over een eigen woning. Er is geen sprake van enige vorm van financiële verstrengeling. Zij zijn gehuwd.
De rechtbank neemt als vertrekpunt de jurisprudentie van de Raad inzake duurzaam gescheiden leven. De rechtbank heeft er nota van genomen dat de SVB (bij de toepassing van artikel 1 onder 3 AOW en) bij zijn uitleg van de rechtspraak van de Raad op het punt van het participeren in elkaars huishouding een onderscheid maakt tussen zakelijke en niet zakelijke contacten. Doorslag geeft dat de betrokkenen in slechts zeer geringe mate in het huishouden van elkaar participeren: zo wordt er of niet of slechts sporadisch overnacht in elkaars woningen en de overige contacten kunnen ofwel frequent zijn maar een hoog zakelijk karakter hebben, ofwel minder zakelijk zijn maar dan tevens minder frequent.
De rechtbank acht deze benadering adequaat en goed bruikbaar om de feitelijke situatie te waarderen. In afwijking van de SVB meent de rechtbank in dit geval dat aan de sociale contacten niet de intentie van echtelijke samenleving kan worden ontleend, nu partijen duurzaam gescheiden leven. Een gezamenlijke huishouding doet zich hier niet voor, zodat partijen niet in aanmerking komen voor een uitkering naar de norm voor een gehuwde pensioengerechtigde.
BZK 2010/51
|
13-07-2010
Rechtbank: :”een redelijke wetsuitleg brengt met zich mee dat, wanneer één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op langdurigheidstoeslag, bijvoorbeeld wanneer één van de echtgenoten ouder is dan 65 jaar en de ander tussen de 23 en 65 jaar, aan die ander naar analogie van artikel 24 van de WWB een langdurigheidstoeslag kan worden toegekend naar de norm voor een alleenstaande (ouder), mits aan alle overige voorwaarden is voldaan.” Standpunt door Raad verworpen (gemeente Vlaardingen) Zoals de Raad in CRvB 6 november 2007 nr. 06/6351 WWB, LJN BB8448, heeft overwogen, kan aan personen die op de datum waarop de periode van 60 maanden als bedoeld in artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is bereikt als gehuwd in de zin van artikel 3 van de WWB moeten worden aangemerkt, jaarlijks op aanvraag eenmalig de toeslag voor gehuwden worden toegekend, en is een voorwaarde voor deze toekenning dat beide personen op de peildatum ook hebben voldaan aan de overige in artikel 36 van de WWB gestelde voorwaarden. De Raad is van oordeel dat dit ook geldt ten aanzien van het leeftijdsvereiste in de aanhef van artikel 36 van de WWB.
BZK 2010/56
|
06-07-2010
Op deze ernstige agressie is geen maatregel volgens de WWB van toepassing (gemeente Groningen) Aangezien ten tijde van de incidenten (2007) geen sprake was van het niet nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB was voor het toepassen van een verlaging van de bijstand geen grond aanwezig.
Uit de vaste rechtspraak (2007-2010) volgt, dat een zeer ernstige misdraging in de zin van artikel 18, tweede lid, van de WWB op zichzelf niet tot een verlaging van de bijstand kan leiden, doch slechts in samenhang met en in het kader van het niet nakomen van een uit de WWB voortvloeiende verplichting.
Dit betekent dat de vraag of tijdens het incident sprake was van het zich zeer ernstig misdragen jegens een bij de uitvoering van de WWB betrokken medewerker - hetgeen op zichzelf enkel als verzwarende omstandigheid tot een hogere of langduriger verlaging van de bijstand zou kunnen leiden - hier verder buiten bespreking kan blijven.
BZK 2010/49
|
06-07-2010
De Staatssecretaris SZW heeft ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 70 WWB met de terugvordering van de jaaroverschrijdende verplichtingen, als onderdeel van het Werkdeel 2004 (gemeente Leeuwarden) Het wettelijk stelsel van toekenning en verantwoording van de uitkering voor het Werkdeel WWB ondersteunt op zich het standpunt van de Staatssecretaris SZW.
Dit neemt niet weg dat er bij het college blijkbaar sprake was van een jarenlang daarvan afwijkende uitvoeringspraktijk, die tot het hier aan de orde zijnde geschil werd geaccepteerd door de Inspectie Werk en Inkomen (IWI), die van rijkswege is belast met het toezicht op de rechtmatigheid en de doelmatigheid van de uitvoering van de WWB. Dit blijkt immers uit het feit dat het college naar aanleiding van de eerder ingediende verslagen over de uitvoering nimmer opmerkingen of aanwijzingen heeft gekregen, terwijl hierbij steeds de door de accountant weergegeven werkwijze werd gehanteerd.
Verder blijkt dit uit de review die de IWI samen met de Auditdienst van het ministerie SZW over het jaar 2004 heeft uitgevoerd. De stelling van de staatssecretaris dat het hierbij slechts ging om een (oppervlakkige) systeemcontrole kan niet als juist worden aanvaard. Het verslag van deze review laat zien dat volgens de IWI en de Auditdienst de uitvoering van de WWB door het college op een deugdelijke grondslag was gebaseerd en ook overigens voldeed aan de gestelde eisen volgens de van toepassing zijnde regelgeving.
Gelet op deze omstandigheden, een geaccepteerde uitvoeringspraktijk en de onmogelijkheid voor het college om deze uitvoeringspraktijk voor de verleende voorschotten over 2004 nog tijdig aan te passen, had het op de weg van de staatssecretaris gelegen de onzekerheid over de rechtmatige besteding ervan nog te accepteren en had hij aldus niet tot de conclusie kunnen komen dat er ten aanzien van de jaaroverschrijdende verplichting ter hoogte van € 486.127,-- reeds sprake was van onrechtmatige besteding.
Dit betekent dat de staatssecretaris uit hoofde van het verslag over de uitvoering WWB 2005 niet bevoegd was om op grond van artikel 70, eerste lid, WWB tot terugvordering van het bedrag van € 486.127,-- over te gaan.
BZK 2010/50
|
06-07-2010
Nu deze dakloze vooraf onvoldoende is ingelicht over de uitkeringstechnische gevolgen van een tijdelijke inwoning bij zijn zus doet zich hier geen schending van de inlichtingenplicht voor. Daarmee ontbreekt een grondslag voor intrekking van de uitkering (gemeente Amsterdam)
Anders dan het college en met de voorzieningenrechter van de rechtbank is de Raad van oordeel dat betrokkene in dit bijzondere geval vooraf onvoldoende is ingelicht over de uitkeringstechnische gevolgen van een tijdelijke inwoning bij zijn zus. Tot het expliciet geven van die inlichtingen was het college in dit geval gehouden in verband met zijn betrokkenheid bij het verwerven van toestemming van de hoofdbewoonster voor inschrijving op haar adres en de wetenschap dat een nauwe familierelatie bestond tussen betrokkene en de hoofdbewoonster.
Daar komt bij dat betrokkene als dakloze en alcoholverslaafde voor zorg, hulp en bijstand niet alleen afhankelijk was van het college maar ook van de hoofdbewoonster.
Toereikende informatie was voor betrokkene derhalve van belang om (a) zijn keuze te kunnen bepalen om al dan niet bij zijn zus in te trekken en (b) om te kunnen overzien welke - voor de voortzetting van de bijstand van belang zijnde - aanvullende gegevens hij nog aan het college diende te verstrekken nadat hij eenmaal bij zijn zus was gaan inwonen.
Gelet hierop behoefde het voor betrokkene redelijkerwijs niet duidelijk te zijn dat het feit dat hij gaandeweg wat zorgtaken voor zijn zuster is gaan verrichten - als uitvloeisel van de familierelatie en/of als wederdienst voor de door de zuster verleende hulp - van invloed kon zijn op zijn recht op bijstand en dat hij hiervan onverwijld en ongevraagd melding had moeten maken bij het college. Van schending van de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB was in dit geval dan ook geen sprake.
Dit betekent dat artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB geen grondslag biedt voor intrekking van de bijstand van betrokkene.
BZK 2010/55
|
29-06-2010
Overwegingen ten aanzien van levensvatbaarheid en het begrip zelfstandige in de IMK-rapportage zijn ondeugdelijk en kunnen niet worden gebruikt voor de besluitvorming (gemeente Leidschendam-Voorburg) Het is vaste rechtspraak van de Raad dat een bijstandverlenend orgaan gerechtigd is om zich bij zijn besluitvorming inzake vragen met betrekking tot de levensvatbaarheid van een bedrijf te baseren op in concreto verkregen adviezen van deskundige instanties, zoals het IMK. Het is eveneens vaste rechtspraak dat een dergelijk advies op zorgvuldige wijze tot stand moet zijn gekomen, geen feitelijke onjuistheden mag bevatten en deugdelijk moet zijn gemotiveerd.
Gelet op feitelijke onjuistheden, onduidelijkheden en onvoldoende volledige gegevens –mede i.v.m. opheffing van het bedrijf na de aanvraag- voldoen de adviezen van het IMK niet aan de daaraan te stellen eisen. Het college had de adviezen van het IMK derhalve niet ten grondslag mogen leggen aan zijn besluitvorming.
BZK 2010/46
|
29-06-2010
Een uitvoeringspraktijk waarbij van de betrokken schuldenaar wordt verlangd het salaris van de bewindvoerder steeds te betalen, ook al zakt zijn inkomen daardoor onder de beslagvrije voet, is in strijd met de Fw en met het in dit geval uitgesproken schuldsaneringsvonnis. Het college verzet zich er terecht tegen dat deze strijd wordt “opgelost” door de verlening van bijzondere bijstand (gemeente Venlo)
Van een schuld in de zin van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB is geen sprake, nu het hier gaat om een aanvraag om bijzondere bijstand voor nog te betalen (voorschotten op) salaris voor de bewindvoerder. De Raad volgt het college niet in zijn standpunt dat verlening van bijzondere bijstand hier afstuit op het bepaalde in artikel 15, eerste lid, van de WWB.
Voor de toepassing van de WWB dient bij het wettelijk traject de noodzaak van de schuldsaneringsregeling uitgangspunt voor het college te zijn. Dat betekent evenwel nog niet dat in alle gevallen zonder meer tot verlening van bijstand in de salariskosten van de bewindvoerder moet worden overgegaan.
Het college heeft terecht, gelet ook op het beoordelingskader van artikel 35 WWB, naar voren gebracht dat steeds zal moeten worden beoordeeld of de kosten van de bewindvoerder zich voor de betrokkene ook daadwerkelijk voordoen. Namens betrokkene is naar voren gebracht dat de boedel geen ruimte bood voor de betaling van het voorschot op het salaris van de bewindvoerder, zoals door de rechtbank vastgesteld.
Dit betekent dat de kosten waarvoor bijzondere bijstand is gevraagd zich niet voordeden en dat deze, indien deze zijn voldaan, zonder noodzaak zijn betaald. Immers, uit het vonnis van de rechtbank kan niet anders worden afgeleid dan dat gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling alleen een voorschot op het salaris mocht worden genomen bij toereikend actief. De kosten waarvoor bijzondere bijstand werd gevraagd kunnen in dit geval niet worden aangemerkt als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB.
BZK 2010/47
|
29-06-2010
Nu bijzondere omstandigheden ontbreken blijven de kosten van tuinonderhoud voor eigen rekening (gemeente Amsterdam) Voor de toepassing van de Abw heeft de Raad destijds geoordeeld dat de kosten van tuinonderhoud behoren tot de algemeen voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan, die behoudens bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 6, aanhef en onder b, van de Algemene bijstandswet (Abw) in verbinding met artikel 39, eerste lid, van de Abw, uit het reguliere inkomen dienen te worden voldaan. Kiest men ervoor zijn tuin niet regelmatig te (laten) onderhouden, zodat op den duur sprake is van achterstallig onderhoud met eventuele meerkosten, dan geldt in beginsel hetzelfde, zij het dat in dat geval reservering vooraf of gespreide betaling achteraf is aangewezen.
De Raad ziet geen aanleiding hierover anders te oordelen binnen het kader van artikel 35, eerste lid, van de WWB.
BZK 2010/48
|
23-06-2010
Dit reïntegratietraject (sollicitatietraining) bij een werkgever, die loonkostensusbidie ontvangt, is niet gericht op het verrichten van arbeid zodat de betrokkene geen recht heeft op een WW-uitkering (gemeente Bergen op Zoom) Voor de beoordeling of tussen partijen een arbeidsovereenkomst of uitzendovereenkomst tot stand is gekomen is niet de tekst van de schriftelijke overeenkomst bepalend. Van belang is hetgeen partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond en ook de wijze waarop zij feitelijk aan de overeenkomst uitvoering hebben gegeven en aldus daaraan inhoud hebben gegeven.
De onderhavige overeenkomst (arbeidsovereenkomst voor 20 uur per week gedurende een jaar) strekt niet tot het verrichten van werk, maar is in wezen gericht op het aanbieden van en het deelnemen aan re-integratieactiviteiten, met als oogmerk de uitstroom van betrokkene naar betaalde arbeid. Het deelnemen aan een sollicitatietraining kan niet worden aangemerkt als het verrichten van arbeid, hetgeen eveneens geldt voor het zoeken naar geschikte vacatures en het schrijven van sollicitatiebrieven. Dat de overeenkomst betrokkene verplicht tot het uitvoeren van werkzaamheden voor en onder leiding en toezicht van een van de opdrachtgevers doet hieraan niet af. In de context van de overeenkomst zijn dergelijke werkzaamheden – voor zover zij al zullen worden aangeboden – geen doel op zichzelf, maar enkel een middel om de re-integratie van betrokkene in het arbeidsproces te bevorderen. De omstandigheid dat in andere gevallen de samenwerking met de opdrachtgever succesvol heeft geleid tot de uitstroom van bijstandsgerechtigden naar betaalde arbeid laat onverlet dat de overeenkomst niet op die arbeid – maar uitsluitend op die uitstroom – was gericht.
De Raad is derhalve met het UWV van oordeel dat betrokkene tot de opdrachtgever niet in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan, zodat hij niet kan worden aangemerkt als werknemer in de zin van de WW. Daaruit volgt dat Het UWV terecht tot de conclusie is gekomen dat betrokkene niet als werknemer in de zin van de WW kan worden aangemerkt. De WW-uitkering is terecht ingetrokken.
BZK 2010/54
|
16-06-2010
Nu betrokkene verwijtbaar heeft geweigerd zijn medewerking te verlenen aan een diagnostisch onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling is terecht een maatregel opgelegd conform de Maatregelenverordening (gemeente -) Vast staat dat betrokkene niet is verschenen bij het medisch onderzoek waartoe hij was opgeroepen. Zodoende heeft hij geen gebruik gemaakt van een aangeboden voorziening. Betrokkene heeft hierdoor niet voldaan aan de in artikel 9, eerste lid, WWB jo. artikel 55 tweede volzin WWB geldende verplichtingen. Het betoog dat hij hiervan geen gebruik hoefde te maken omdat hij dit zelf niet nodig achtte slaagt niet, nu het aan het college is om te beoordelen of medisch onderzoek noodzakelijk is.
Het betoog van betrokkene dat hij niet aan het medisch onderzoek hoefde mee te werken omdat het college onvoldoende heeft gemotiveerd wat met het medisch onderzoek wordt beoogd, gaat in dit geval evenmin op.
Anders dan betrokkene verder stelt, valt uit de artikelen 9 en 17 van de WWB niet af te leiden dat hij gerechtigd zou zijn om een medische keuring te weigeren. In deze artikelen staan immers een aantal verplichtingen van de belanghebbende opgesomd en geen gronden op basis waarvan een medisch onderzoek geweigerd zou kunnen worden. Op deze bepalingen kan hij zijn weigering dus niet baseren.
BZK 2010/53
|
16-06-2010
Nu betrokkene verwijtbaar heeft geweigerd zijn medewerking te verlenen aan een diagnostisch onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling is terecht een maatregel opgelegd conform de Maatregelenverordening (gemeente -) Vast staat dat betrokkene niet is verschenen bij het medisch onderzoek waartoe hij was opgeroepen. Zodoende heeft hij geen gebruik gemaakt van een aangeboden voorziening. Betrokkene heeft hierdoor niet voldaan aan de in artikel 9, eerste lid, WWB jo. artikel 55 tweede volzin WWB geldende verplichtingen. Het betoog dat hij hiervan geen gebruik hoefde te maken omdat hij dit zelf niet nodig achtte slaagt niet, nu het aan het college is om te beoordelen of medisch onderzoek noodzakelijk is.
Het betoog van betrokkene dat hij niet aan het medisch onderzoek hoefde mee te werken omdat het college onvoldoende heeft gemotiveerd wat met het medisch onderzoek wordt beoogd, gaat in dit geval evenmin op.
Anders dan betrokkene verder stelt, valt uit de artikelen 9 en 17 van de WWB niet af te leiden dat hij gerechtigd zou zijn om een medische keuring te weigeren. In deze artikelen staan immers een aantal verplichtingen van de belanghebbende opgesomd en geen gronden op basis waarvan een medisch onderzoek geweigerd zou kunnen worden. Op deze bepalingen kan hij zijn weigering dus niet baseren.
BZK 2010/53
|
08-06-2010
Volgens de verordening wordt alleen een langdurigheidstoeslag verstrekt bij een inkomen dat niet hoger is dan 100 % van de toepasselijke bijstandsnorm. Wegens een geringe overschrijding van de bijstandsnorm vernietigt de rechtbank een afwijzing en kent de rechtbank, gelet op de bedoeling van de wetgever, alsnog een langdurigheidstoeslag toe over 2009 (gemeente Nijmegen) Uit de geschiedenis van totstandkoming van artikel 36 WWB leidt de rechtbank af dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest om de mogelijkheid open te laten, dat personen die onder de regeling, zoals die van kracht was tot en met 31 december 2008, recht hadden op langdurigheidstoeslag, daarvan onder de nieuwe (lokale) regeling worden uitgesloten.
De rechtbank stelt vast dat zulks i.c. wel is geschied door de klaarblijkelijke en niet nader gemotiveerde keuze van de gemeenteraad van Nijmegen om personen als betrokkene, die gedurende een reeks van jaren van een minimaal inkomen hebben moeten rondkomen maar bij de aanvraag van de langdurigheidstoeslag een marginaal hoger inkomen genoten dan de toepasselijke bijstandsnorm, buiten de reikwijdte van de langdurigheidstoeslag te houden.
In het geval van betrokkene leidt dat ertoe dat overschrijding van de bijstandsnorm met ongeveer € 180 per jaar een verlies van € 350 aan langdurigheidstoeslag tot gevolg heeft. Betrokkene gaat er dus per saldo fors op achteruit zonder dat er sprake is van enig zicht op inkomensverbetering. De rechtbank is om die reden van oordeel dat toepassing van artikel 1, eerste lid aanhef en onder c, van de Verordening in het onderhavige geval strijdig is met de bedoeling van de wetgever.
Over 2009 wordt door de rechtbank een langdurigheidstoeslag toegekend van € 350.
BZK 2010/41
|
08-06-2010
Toekenning van immateriële schade na een onrechtmatig huisbezoek, wegens een ernstige inbreuk op artikel 8 EVRM (gemeente Nijmegen) De Raad stelt voorop dat de grondslag voor het nemen van de primaire besluiten uitsluitend is gelegen in de resultaten van een huisbezoek, dat onrechtmatig is, in de zin zoals door de rechtbank vastgesteld. Appellanten hebben in strijd met het huisrecht een huisbezoek in hun eigen woning moeten dulden, waarbij ook persoonlijke zaken als een portemonnee zijn doorzocht. Voor dat huisbezoek bestond geen redelijke grond. Dit huisbezoek moet dan ook worden aangemerkt als een ernstige inbreuk op artikel 8 van het EVRM, nu het hier gaat om een schending van de integriteit en het zelfbeschikkingsrecht van betrokkenen in de beslotenheid van hun eigen woning.
Een dergelijke inbreuk op een fundamenteel recht moet worden aangemerkt als een aantasting van de persoon in de zin van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW. De vraag of sprake is van feitelijk letsel is daarbij niet van belang (vergelijk de arresten van de Hoge Raad van 9 juli 2004, LJN AO7721 en 18 maart 2005, LJN AR5213). Deze inbreuk en de eventueel daaruit voortvloeiende schade moeten bij de toepassing van artikel 8:73 van de Awb, mede in aanmerking genomen het in artikel 13 van het EVRM opgenomen beginsel van een “effective remedy”, als een gevolg van die besluiten aan het college worden toegerekend.
Resteert de vraag wat een billijke vergoeding van de immateriële schade is, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval. De Raad is, anders dan betrokkenen, van oordeel dat uit de door de man in hoger beroep overgelegde verklaring van zijn huisarts niet is op te maken dat hij door het onrechtmatige huisbezoek psychische schade heeft geleden. Anderzijds acht de Raad voldoende aannemelijk dat het zonder redelijke grond afgelegde huisbezoek een behoorlijke impact heeft gehad en wel zodanig dat dit bij betrokkenen de nodige onrust, spanning en frustratie heeft teweeggebracht.
De Raad ziet, in lijn met het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 12 januari 2010 (LJN BL0984), daarin voldoende grond tot toekenning van een vergoeding van schade van € 200,-- aan elk van beide betrokkenen.
BZK 2010/44
|
08-06-2010
Verkoop van goederen op internet en de gevolgen daarvan voor het recht op bijstand (gemeente Dongeradeel) Voor zover sprake zou zijn van de verkoop van privé-goederen van de familie van betrokkene blijkt niet uit de administratie of anderszins, dat betrokkene de opbrengst van die goederen aan zijn familie (terug)gaf. Dit betekent dat het college de met deze verkoopactiviteiten verworven middelen terecht als inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de WWB heeft aangemerkt, die op de bijstand in mindering moeten worden gebracht.
Voor de hoogte van de in aanmerking te nemen inkomsten heeft de gemeente kunnen aansluiten bij de in de eigen administratie als winst benoemde bedragen. Eventuele onvolkomenheden hierin moeten voor rekening en risico van betrokkene blijven.
Voor de toepassing van de WWB is het niet verboden om goederen via internet te verkopen, mits daarvan melding wordt gemaakt aan het bijstandverlenend orgaan indien daarmee inkomsten worden gegenereerd. De opbrengst van het incidenteel verkopen van privé-goederen, al dan niet via internet, behoeft in het algemeen niet als inkomen te worden aangemerkt, zodat daarvan in beginsel geen mededeling behoeft te worden gedaan.
Achteraf moet worden vastgesteld dat betrokkene destijds onjuiste, althans onvolledige, informatie heeft verstrekt. Toen het vermoeden rees dat betrokkene wel degelijk inkomsten had uit de verkopen op internet en handelde in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting, heeft het college terecht een nader onderzoek ingesteld naar zijn recht op bijstand. Het college was op dat moment geenszins gehouden om betrokkene te attenderen op de mogelijke gevolgen van deze schending van zijn inlichtingenverplichting. Men heeft een redelijke terugvordering vastgesteld.
BZK 2010/45
|
07-06-2010
Artikel 13 eerste lid onder f WWB vormt een beletsel voor bijzondere bijstand in schulden terwijl zeer dringende redenen om in afwijking van deze bepaling volgens artikel 49, aanhef en onder b, WWB bijstand te verlenen ontbreken (gemeente Amsterdam) Deze schuldenlast (KPN Mobile) is mede ontstaan als gevolg van het feit dat de bijstand over de periode van 23 april 2004 tot en met 13 juni 2004 pas bij het besluit van 14 april 2005 is toegekend. Dat is evenwel op zichzelf nog niet voldoende voor toepassing van artikel 49, aanhef en onder b WWB, evenmin als het bestaan van een grote schuldenlast als zodanig.
Er moet, gelet op het uitzonderingskarakter van deze bepaling en mede gelet op de bewoordingen ervan, tevens sprake zijn van een situatie waarin de behoeftige omstandigheden van de betrokkenen op geen andere wijze zijn te verhelpen en bijstandsverlening dus onvermijdelijk is. Van dergelijke omstandigheden is de Raad niet gebleken.
Met name is niet gebleken dat sprake is van schulden die betrokkene in haar bestaansvoorziening bedreigden. Het voorgaande betekent dat van zeer dringende redenen in de zin van artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB ten tijde hier van belang geen sprake was, zodat het College niet bevoegd was over te gaan tot verlening van bijzondere bijstand voor de schulden van appellante.
Verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn (artikel 6 EVRM) afgewezen.
BZK 2010/43
|
01-06-2010
Nu geen inzage is verleend in de laden van een dressoir –van belang om woon- en leefsituatie te controleren en te verifiëren- kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld (gemeente Amsterdam) De bevindingen van het huisbezoek en de tijdens dat bezoek door betrokkene afgelegde verklaring, die een vermoeden van samenwoning rechtvaardigden, vormden een redelijke grond om van betrokkene te verlangen inzage te verlenen in de drie laden van het dressoir in de woning, teneinde verdere duidelijkheid te verkrijgen over zijn woon- en leefsituatie. De door betrokkene tijdens het huisbezoek gegeven redenen om te weigeren inzage te verlenen in de laden van het dressoir acht de Raad - in aanmerking genomen het onmiskenbare verificatiebelang om tijdens het huisbezoek die inzage te verkrijgen - niet van zodanig zwaarwegende aard, dat daarvan zou moeten worden afgezien.
Gelet op de bevindingen van het huisbezoek en de eigen verklaring moet het niet uitgesloten worden geacht dat de persoonlijke papieren, de administratie en de post van de medebewoner in de laden van het dressoir waren opgeborgen.
Betrokkene heeft niet voldaan aan de op hem rustende medewerkingsverplichting, door geen inzage te verschaffen in de laden van het dressoir, hetgeen in zijn geval noodzakelijk was om zijn woon- en leefsituatie te controleren en te verifiëren. Met zijn weigering heeft hij tevens het stellen van vragen en het verstrekken van nadere informatie over de bij de voorgenomen inzage aan te treffen inhoud van die laden onmogelijk gemaakt en daarmee zijn verplichting om ter zake inlichtingen te verstrekken geschonden met als gevolg dat zijn recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
BZK 2010/42
|
12-05-2010
Bij de beoordeling van de woonplaats volgens artikel 40 WWB kunnen anonieme getuigenverklaringen niet dienen als bewijs, terwijl overigens voldoende feitelijke grondslag in het proces-verbaal ontbreekt (gemeente Noardwest Fryslân) De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de WWB moet worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.
In CRvB 8 oktober 1996 nr. 95/8278A ABW, JWWB 1996/239 heeft de Raad overwogen dat anonieme verklaringen weliswaar grond kunnen zijn voor een onderzoek naar de rechtmatigheid van een uitkering, maar dat dergelijke verklaringen niet kunnen dienen als bewijs van de onrechtmatigheid van een uitkering, reeds omdat dergelijke verklaringen niet controleerbaar zijn. De rechtbank oordeelt daarom dat de anonieme verklaringen niet kunnen dienen als bewijs voor de stelling van de dienst dat betrokkene ten tijde in geschil geen woonplaats had in een bepaalde gemeente.
Vervolgens is aan de orde of het overige in het rapport gepresenteerde materiaal het standpunt van de dienst, dat betrokkene ten tijde in geschil geen woonplaats had in bedoelde gemeente, kan dragen. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend.
BZK 2010/40
|
11-05-2010
Voor reiskosten wegens verplichte deelname aan een participatietraject wordt geen bijzondere bijstand verleend (gemeente Den Haag) Kosten van vervoer voor de deelname aan het maatschappelijk verkeer en aan het leven van alledag zijn kosten die - behoudens bijzondere omstandigheden - dienen te worden bestreden uit de ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan verstrekte normuitkering. Hiertoe behoren ook de kosten van vervoer om te kunnen deelnemen aan een participatietraject.
De vraag of er in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden beantwoordt de Raad ontkennend. Hij neemt daarbij in aanmerking dat betrokkene om de plaats waar het participatietraject plaatsvindt te bereiken een afstand dient af te leggen van vier kilometer en dat een 2-zone abonnement van het openbaar vervoer volstaat om die afstand te overbruggen. De omstandigheid dat het college aan betrokkene de plicht heeft opgelegd aan het participatietraject deel te nemen leidt niet tot een ander oordeel.
BZK 2010/36
|
11-05-2010
Deze gemeente dient nader te bezien tot welk bedrag de gift van de inwonende zoon uit oogpunt van bijstandsverlening onverantwoord is (gemeente Pijnacker-Nootdorp) In het geval van betrokkene kan niet zonder meer gesteld kan worden dat, gelet op het doel van de gift, namelijk aanschaf van een nieuwe keuken en een televisie, deze niet in zijn geheel uit het oogpunt van bijstandsverlening onverantwoord is. Immers een keuken en een TV zijn naar hun aard algemeen gebruikelijk.
Verder weegt mee de omstandigheid dat de zoon van wie de gift afkomstig is bij betrokkene in huis woonde en mede gebruik maakte van de keuken en de TV. Ook is van belang dat betrokkene een aangepaste keuken wenste in verband met het gemis van het gebruik van één hand.
Het college dient nader te bezien tot welk bedrag in dit geval sprake is van een gift die uit het oogpunt van bijstandsverlening onverantwoord is.
BZK 2010/37
|
11-05-2010
Een van overheidswege verstrekt Belgisch pensioen wordt voor de toepassing van de WWB niet vrijgelaten (gemeente Maastricht) De Raad stelt vast dat het onderscheid tussen een particuliere oudedagsvoorziening en een pensioen van overheidswege rechtstreeks voortvloeit uit artikel 33, vijfde lid, van de WWB. Uit de geschiedenis van totstandkoming blijkt dat vrijlatingsregeling is opgenomen om een gelijke behandeling mogelijk te maken tussen degenen met alleen een als periodieke uitkering ontvangen (particuliere) oudedagsvoorziening en degenen waarvan de aanvulling op het AOW-pensioen bestaat uit de vrijgelaten rente over het bescheiden vermogen.
Onder deze omstandigheden kan niet worden staande gehouden dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld door in dit geval de in artikel 33, vijfde lid, van de WWB neergelegde vrijlatingsregeling niet toe te passen op het Belgisch pensioen.
In aanmerking genomen dat het Belgisch pensioen moet worden gerekend tot de middelen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, WWB en dat dit pensioen niet valt onder de vrijlatingsregeling van artikel 33, vijfde lid, van de WWB, is de Raad van oordeel dat het college bevoegd was om de bijstand in die zin te herzien, dat de eerdere vrijlating voor het Belgisch pensioen niet meer geldt met ingang van datum kennisgeving primair besluit.
Het gegeven dat er geen sprake was van nieuwe of nieuw gebleken feiten of omstandigheden doet hier niet aan af. Herstel van een eerder gemaakte fout is toegestaan.
BZK 2010/38
|
11-05-2010
Wegens een onrechtmatige daad is de gemeente schadeplichtig, omdat geen sprake is van eigen schuld van de benadeelde belanghebbende (gemeente Haarlemmermeer) Betrokkene heeft niets met twee bankrekeningen te maken wegens een fout in het gegevenstraject tussen de bank, de Belastingdienst, het Inlichtingenbureau en de gemeente.
Overeenkomstig vaste rechtspraak is de toerekening van de onrechtmatige daad aan de gemeente, in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW), een gegeven.
De Raad begrijpt het betoog van de gemeente aldus, dat de schade tot vergoeding waarvan de gemeente door de rechtbank is veroordeeld een gevolg is van omstandigheden die aan betrokkene kunnen worden toegerekend in de zin van artikel 6:101 van het BW (eigen schuld van de benadeelde) en dat de vergoedingsplicht om die reden geheel komt te vervallen.
Met de via het Inlichtingenbureau verkregen gegevens van de Belastingdienst heeft de gemeente voorshands aan de op hem rustende bewijslast voldaan. Het was vervolgens aan betrokkene om feiten en omstandigheden naar voren te brengen die twijfel doen rijzen omtrent de juistheid van de bedoelde gegevens. Anders dan de gemeente is de Raad van oordeel dat betrokkene daarin reeds ten tijde van het nemen van het besluit (hoorzitting bezwaarschrift) was geslaagd. De beschikbare gegevens hadden aanleiding moeten geven tot het instellen van een nader onderzoek.
De gemeente heeft dit onderzoek ten onrechte achterwege gelaten. Evenzeer ten onrechte is ook iedere hulp van gemeentewege aan betrokkene geweigerd, onder verwijzing naar een beweerdelijk op betrokkene rustende inlichtingenverplichting en/of bewijslast. Van eigen schuld van betrokkene kan onder deze omstandigheden niet worden gesproken.
BZK 2010/39
|
04-05-2010
Ook het delen van voedselpakketten voor een inwonend illegaal gezin kan leiden tot beperking van de toeslag tot 10% (gemeente Hoogezand-Sappemeer) Vaststaat dat deze alleenstaande onderdak heeft geboden aan een illegaal hier te lande verblijvend gezin, zodat de toeslag op grond van artikel 3, tweede lid, van de verordening 10% bedraagt.
Dat gezin ontving onder andere gratis voedselpakketten en huishoudelijke artikelen. Betrokkene heeft in deze pakketten en artikelen heeft gedeeld.
De wekelijkse verstrekking van huishoudelijke artikelen en het mee-eten van de aan het gezin verstrekte voedselpakketten levert voor betrokkene een op geld waardeerbaar voordeel opl dat voor de vaststelling van het recht op en de hoogte van de uitkering van belang kan zijn. Daarbij heeft het college voor de berekening van dat voordeel in redelijkheid van de Nibud-normen kunnen uitgaan. De schaalvoordelen worden vervolgens forfaitair vastgesteld op 10% van de gehuwdennorm in het kader van de WWB, hetgeen ten tijde hier van belang neerkomt op een toeslag van € 123,69. Met inachtneming van de Nibud-normen is de besparing ten tijde hier van belang met € 4,75 per dag (alleen) aan voedingskosten reeds zodanig substantieel te noemen dat daarmee voor de berekening van de toeslag ingevolge artikel 3, tweede lid, van de verordening rekening gehouden dient te worden.
BZK 2010/35
|
29-04-2010
Bij het uitoefenen van de bevoegdheid volgens artikel 55 WWB moet het in beginsel gaan om in de persoon gelegen problemen die aan de arbeidsinschakeling in de weg staan. Het opleggen van het VIG-traject is in dit geval niet verantwoord (gemeente Amsterdam) Het Vroegtijdige Interventie Gezinnen (VIG)-traject is een aanpak van meervoudige probleemgezinnen die een WWB-uitkering hebben en kinderen onder de leeftijd van zestien hebben waarbij pedagogische problemen/crimineel gedrag wordt vertoond.
De rechtbank is op basis van de MvT in relatie tot de tekst van artikel 55 WWB van oordeel dat het bij uitoefening van de bevoegdheid van artikel 55 WWB in beginsel moet gaan om in de persoon gelegen problemen die aan de arbeidsinschakeling in de weg staan.
Gelet op de omschrijving van het VIG-traject en het daarin vervatte algemene doel (orde en rust in het gezinssysteem) en de doelen in het Plan van Aanpak (zoals onder meer het bijwerken en beheren van de administratie, het herstellen van technische gebreken aan de woning, het voorkomen dat de oudste twee dochters met de politie in aanraking komen, het verkrijgen van inzicht in de schoolresultaten en het bewerkstelligen van een vrijetijdsbesteding voor deze dochters), is geen sprake van het wegnemen van in de persoon van de moeder gelegen problemen.
Voor zover artikel 55 WWB al de bevoegdheid geeft ook een verplichting als het VIG-traject op te leggen, heeft het college in dit geval van die bevoegdheid zonder nader onderzoek en nadere motivering –die ontbreekt– redelijkerwijs geen gebruik mogen maken.
BZK 2010/34
|
27-04-2010
Ondanks ontbrekend bezwaar tegen een primair besluit tot bijstandverlening –met daarin opgenomen de vaststelling van het vermogen als deelbesluit- heeft de betrokkene nadien het recht de vermogensvaststelling ten volle aan de orde te stellen (gemeente Leudal) Degene die, na een eerste vaststelling van het vermogen op een bedrag beneden de vermogensgrens, voor bijstand in aanmerking wordt gebracht - en op dat moment dus slechts een relatief belang heeft bij het aanvechten van de precieze vaststelling van dat vermogen -, en die geen bezwaar heeft gemaakt tegen het toekenningsbesluit waarin de vermogensvaststelling is neergelegd, kan niet het recht worden ontzegd op een later tijdstip wanneer het vermogen toeneemt en het belang van de vermogensvaststelling manifest wordt, in bezwaar en beroep de nieuwe vermogensvaststelling ten volle aan de orde te laten stellen, zonder tegengeworpen te krijgen dat hij niet eerder tegen de vermogensvaststelling bezwaar heeft gemaakt.
In aanmerking genomen het relatieve belang van de bijstandsgerechtigde om op te komen tegen de eerdere vermogensvaststelling tegenover het belang van de rechtszekerheid van het bestuursorgaan, is het niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar dat aan degene de omstandigheid dat hij voor kortere of langere tijd erin heeft berust dat de vermogensvaststelling niet of niet geheel juist was ook voor de toekomst blijvend zou kunnen worden tegengeworpen.
Het ligt wel in de rede de oorspronkelijke vaststelling van de vermogenspositie van de betrokkene als uitgangspunt te nemen. Het ligt dus in beginsel op de weg van betrokkene aannemelijk te maken dat deze vaststelling onjuist is.
Toepassing van deze rechtsregel leidt in dit geval overigens niet tot een gewijzigde vermogensvaststelling nu gestelde schulden niet aannemelijk zijn gemaakt.
BZK 2010/31
|
27-04-2010
Volgens vaste rechtspraak mag op een medisch advies worden afgegaan als het zowel naar wijze van totstandkoming als naar inhoud deugdelijk is (gemeente Wassenaar) Op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB is de rechthebbende op een WWB-uitkering verplicht mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot inschakeling in de arbeid. Tot een dergelijk onderzoek kan volgens vaste rechtspraak behoren een medisch en/of arbeidskundig onderzoek, zeker in de situatie waarin - zoals in dit geval - de betrokkene zelf van mening is dat de mogelijkheden om arbeid te verrichten ontbreken en voor dat standpunt nog geen objectieve onderbouwing voorhanden is. Het college zal immers de toepassing van de in artikel 9, tweede lid, van de WWB neergelegde bevoegdheid om wegens dringende redenen tijdelijk ontheffing te verlenen van de wettelijke arbeidsverplichtingen moeten kunnen baseren op objectieve gegevens betreffende de betrokkene.
Wat de inhoud van het advies betreft ziet de Raad evenmin gronden voor het oordeel dat het niet mag worden gevolgd. Het is niet (steeds) de taak van de adviserend arts om zelf een diagnose te stellen. Vaak is dat ook niet mogelijk. De adviserend arts zal veelal, naast zijn bevindingen bij de anamnese en het bij de betrokkene uitgevoerde lichamelijk onderzoek, kunnen (en ook moeten) uitgaan van daarover ontvangen inlichtingen van de behandelende sector om te komen tot een oordeel over de arbeidsmogelijkheden van de betrokkene.
Het in dit geval gegeven eindoordeel over de arbeidsmogelijkheden van betrokkene kan worden gedragen door de overwegingen die de betrokken arts tot dat eindoordeel hebben geleid. De Raad acht deze voldoende inzichtelijk.
BZK 2010/32
|
27-04-2010
In dit geval is er voldoende rechtvaardiging voor de gemaakte inbreuk op het recht op respect voor het privéleven, zodat niet kan worden gezegd dat de gegevensuitwisseling tegenover betrokkene onrechtmatig is en dat de bevindingen daarvan niet mogen worden gebruikt bij de beoordeling van het recht op bijstand (gemeente Hoogeveen) Anders dan het College bescherming persoonsgegevens (Cbp) (volgens het onderzoek ”Waterproof” 29 mei 2007) is de Raad van oordeel dat de gegevens van adressen van uitkeringsgerechtigden met een zeer hoog of een zeer laag waterverbruik, welke door het waterbedrijf door middel van een bestandskoppeling zijn verstrekt, kunnen worden aangemerkt als inlichtingen welke noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de WWB in de zin van artikel 64, eerste lid, aanhef en onder m, van de WWB.
De Raad stelt voorts vast dat het college met de onderhavige gegevensuitwisseling met het waterbedrijf als oogmerk heeft te bezien of nader onderzoek naar de rechtmatigheid van de te verlenen of verleende bijstand is aangewezen. Gelet op het gegeven dat de omvang van het waterverbruik op een adres van belang is voor de beantwoording van de vraag of - en zo ja hoeveel - personen op dat adres woonachtig zijn, merkt de Raad dit doel aan als het behartigen van het belang van het economisch welzijn van Nederland als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM, nu daaronder mede begrepen moet worden geacht het tegengaan en bestrijden van misbruik en fraude van sociale uitkeringen.
BZK 2010/33
|
20-04-2010
De Raad bevestigt de vaste rechtspraak inzake inkomsten uit autohandel (gemeente Delft) Uit de gegevens van de RDW blijkt dat in bepaalde tijdvakken meerdere kentekens, telkens voor korte tijd en soms tegelijkertijd, op naam van betrokkene hebben gestaan. In bijna alle gevallen eindigde de tenaamstelling, gezien de door de RDW opgegeven statuscode, met export of sloop van de betreffende auto, hetgeen gelijkgesteld kan worden met overdracht aan derden. In een enkel geval ging het om een reguliere transactie met derden.
Naar inmiddels vaste rechtspraak van de Raad moet onder dergelijke omstandigheden worden aangenomen dat sprake is van op geld waardeerbare activiteiten en dat de datum met ingang waarvan een kenteken niet langer op naam van betrokkene staat geregistreerd de datum is waarop de desbetreffende transactie heeft plaatsgevonden.
Betrokkenen hebben geen concrete, verifieerbare gegevens overgelegd waaruit kan worden afgeleid voor welke bedragen de betreffende auto’s zijn gekocht en verkocht. Zij hebben hiervan geen afdoende administratie bijgehouden. Het college heeft dan ook terecht geconcludeerd dat het recht op (aanvullende) bijstand over de transactiemaanden niet is vast te stellen.
BZK 2010/30
|
19-04-2010
Het recht op bescherming van gezins- en privéleven volgens artikel 8 EVRM brengt in dit geval mee dat door de Staat in adequate opvang moet worden voorzien, maar verplicht de gemeente niet tot het verlenen van bijstand (gemeente Apeldoorn) De (psychiatrische) omstandigheden van betrokkene hebben tot gevolg dat de normale ontwikkeling van het privé- en gezinsleven van betrokkene –tijdens de feitelijk beschikbare opvang buiten de WWB om- onmogelijk wordt gemaakt. Vgl. het arrest van het EHRM van 3 mei 2001, in de zaak Domenech Pardo versus Spanje, nr. 55996/00. Er is sprake van een zodanige aantasting van de “very essence” van artikel 8 van het EVRM dat er een positieve verplichting op de Staat berust om te voorzien in een voor betrokkene adequate opvang. Hierin ligt echter niet besloten dat aan betrokkene, met voorbijgaan aan het in artikel 16, tweede lid, WWB neergelegde koppelingsbeginsel, op grond van artikel 16, eerste lid, van de WWB bijstand behoort te worden toegekend.
De positieve verplichting van de Staat in de gegeven omstandigheden recht te doen aan artikel 8 van het EVRM dient met inachtneming van de “margin of appreciation” en het primaat van de wetgever, met op de situatie van betrokkene toegesneden voorzieningen gestalte te worden gegeven. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de wetgever de categorieën vreemdelingen die door de werking van artikel 11 van de WWB geen recht op bijstand hebben, met het bepaalde in artikel 16, tweede lid, van de WWB, uitdrukkelijk ook buiten het bereik van de in artikel 16, eerste lid, van de WWB opgenomen hardheidsclausule heeft gebracht. Bij de wijze waarop aan artikel 8 van het EVRM recht moet worden gedaan dient de beperkte doelstelling van de WWB dan ook voorop te staan. De Raad somt voorbeelden van voorliggende voorzieningen op die in het geval van zeer bijzondere omstandigheden opvang bieden.
De Raad ziet geen aanleiding artikel 16, tweede lid, WWB wegens strijd met artikel 8 EVRM buiten toepassing te laten.
BZK 2010/29
|
06-04-2010
Betrokkene kan voor haar vervoerskosten een beroep doen op de WMO die naar aard en doel als passend en toereikend is aan te merken, ondanks de keuze van betrokkene voor een eigen auto (gemeente Smallingerland) De WMO-voorziening is volgens betrokkene niet toereikend, omdat € 34 per maand ontoereikend is om te voorzien in de kosten van het gebruik en het onderhoud van de auto. Voor de resterende kosten vraagt zij bijzondere bijstand.
Op grond van de WMO moeten de meerkosten vanwege een handicap of chronische ziekte worden gecompenseerd. De compensatie ziet niet op een algehele kostenvergoeding.
Bij haar WMO-aanvraag had betrokkene de keuze uit een vergoeding voor taxivervoer, een vergoeding voor vervoer door derden of haar eigen auto of een combinatie van deze voorzieningen. Niet is gebleken volgens de rechtbank dat het gebruik van haar eigen auto medisch gezien noodzakelijk is. De verstrekte gehandicaptenparkeerkaart of de verleende parkeervergunning geven hierover in ieder geval geen uitsluitsel.
Bezien vanuit een oogpunt van toepassing van de WWB behoren de eventuele extra kosten die voortkomen uit de eigen keuze van betrokkene voor een voorziening in de kosten voor het gebruik van haar eigen auto voor haar rekening te blijven.
De WMO kan voor de kosten van vervoer in het onderhavige geval als een aan de WWB voorliggende, toereikende en passende voorziening worden aangemerkt. Artikel 15, eerste lid, WWB staat in de weg aan toekenning van bijzondere bijstand.
Evenmin doen zich dringende redenen voor (artikel 16 WWB) die aanleiding geven hiervan af te wijken.
BZK 2010/24
|
01-04-2010
Deze Verordening langdurigheidstoeslag (2009) valt binnen de grenzen van de wet (gemeente Ede) Nu uit de aanvraag op geen enkele wijze blijkt dat betrokkene heeft beoogd een aanvraag in te dienen over eerdere jaren dan 2009, was er voor het college geen aanleiding om ook de jaren voorafgaand aan 2009 in zijn besluit te betrekken.
De gemeenteraad heeft op grond van artikel 8, eerste en tweede lid, WWB de opdracht om een verordening te maken over het verlenen van de langdurigheidstoeslag en daarbij invulling te geven aan de begrippen langdurig, laag inkomen en uitzicht op inkomensverbetering. De wijze waarop de gemeenteraad van Ede dit – voor zover thans in geding – in de Verordening heeft gedaan, is binnen de grenzen die de wet stelt.
De rechtbank kent in dit verband betekenis toe aan het feit dat in het vierde lid van artikel 5 van de Verordening is bepaald dat eveneens een langdurigheidstoeslag wordt toegekend aan een inwoner van de gemeente die over de referteperiode een hoger inkomen heeft dan € 2.500, die – kort gezegd – niet in staat is meer dan de bijstandsnorm te verdienen. Aldus wordt voldoende gegarandeerd dat het college in de gevallen die daarvoor in aanmerking komen, maatwerk kan leveren.
BZK 2010/28
|
30-03-2010
Deze bepaling van de Toeslagenverordening inzake dak- en thuislozen valt binnen de grenzen die de WWB, in het bijzonder de artikelen 25 en 27 van de WWB, aan de verordenende bevoegdheid van de gemeenteraad heeft gesteld. De bepaling is niet kennelijk onredelijk, zodat er geen aanleiding is deze bepaling bij de beoordeling van de beëindiging van de toeslag buiten toepassing te laten (gemeente Hoorn) De raad van de gemeente Hoorn heeft voor de Toeslagenverordening tot uitgangspunt genomen dat een dak- en thuisloze in het algemeen geen woonkosten heeft hetgeen past binnen de grenzen van de wet.
Los van de Toeslagenverordening heeft het college, gelet op artikel 30, vierde lid, van de WWB, op grond van artikel 18, eerste lid, van de WWB, de verplichting om de bijstand in het individuele geval af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn omstandigheden zodanig bijzonder zijn dat het college op grond van artikel 18, eerste lid, van de WWB gehouden is (ondanks ontbrekende woonkosten) een individuele toeslag te verlenen. Dat betrokkene de door hem gestelde extra kosten niet aannemelijk kan maken, dient voor zijn risico te komen.
BZK 2010/23
|
30-03-2010
Geschil over terugvordering van bijstand in bedrijfskapitaal volgens Bbz 2004. Artikel 58 en 59 WWB missen bij de medeterugvordering toepassing (gemeente Amsterdam) Ingevolge het destijds geldende artikel 7 van de Invoeringswet WWB en artikel 44 Bbz kan een geldlening voor bedrijfskapitaal alleen van de zelfstandige worden teruggevorderd. Betrokkene, gehuwd met de zelfstandige, is niet aan te merken als zelfstandige. In het Bbz 2004 ontbreekt een bepaling die de bevoegdheid schept om de lening voor bedrijfskapitaal terug te vorderen van de echtgenoot van de zelfstandige. De stelling van de gemeente dat zulks op grond van artikel 59 van de WWB mogelijk is, kan de rechtbank niet volgen.
Uit artikel 44 Bbz leidt de rechtbank af dat artikel 58 WWB niet van toepassing is op de terugvordering van een geldlening aan een zelfstandige. Dit betekent dat ook artikel 59 van de WWB niet op de geldlening voor bedrijfskapitaal van toepassing is, te meer waar artikel 59 WWB betrekking heeft op de terugvordering van gezinsbijstand, en daar bij de terugvordering van bedrijfskapitaal geen sprake van is.
BZK 2010/27
|
23-03-2010
De vraag doet zich voor welk gevolg voor de bijstandsverlening moet worden verbonden aan de aftrek vanwege buitengewone kosten, die niet leidt tot teruggave, maar - zoals in dit geval - tot vermindering van de aanslag inkomstenbelasting (gemeente Slochteren).
Uit de tekst van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de WWB, in het bijzonder het gedeelte daarvan over vermindering van belasting, en uit de toelichting van de Staatssecretaris SZW op dit artikel in relatie tot het doel en de strekking van het Tijdelijk besluit tegemoetkoming buitengewone uitgaven, volgt dat het equivalent van de vermindering van inkomstenbelasting dat bereikt wordt door aftrek van buitengewone (ziekte-)kosten niet behoort tot de voor bijstandsverlening in aanmerking te nemen middelen. Zie de SZW Verzamelbrief 22 juni 2005.
Bij de verlening van algemene bijstand over 2004 diende het college deze vermindering dan ook buiten beschouwing te laten en de algemene bijstand aan te vullen met het bedrag dat betrokkene op de aanslag inkomstenbelasting 2004 zonder deze aftrekpost zou hebben moeten betalen.
BZK 2010/17
|
23-03-2010
Ingangsdatum bijstandsuitkering vanaf datum eerste melding bij CWI en te volgen procedure (gemeente Stede Broec) Vaststaat dat betrokkene zich bij het CWI heeft vervoegd voor het doen van een aanvraag om bijstand ingevolge de WWB en dat het CWI op die datum de naam, het adres en de woonplaats van betrokkene heeft geregistreerd. Daarmee heeft betrokkene genoegzaam blijk gegeven van de intentie zich te melden in de zin van artikel 44, tweede lid, van de WWB. De meegegeven brief met ”zoektijd” wordt niet als een aanvraag aan gemerkt.
Nu betrokkene het oogmerk had een bijstandsaanvraag in te dienen en hij daar niet kenbaar van heeft afgezien had het CWI hem daartoe ook daadwerkelijk in de gelegenheid moeten stellen.
Daarbij lag het in de rede betrokkene op de datum van eerste melding bij de CWI een aanvraagformulier uit te reiken en met hem -onvoorwaardelijk- een afspraak te maken voor een gesprek, waarin zijn aanvraag om bijstand kon worden toegelicht, zonodig kon worden aangevuld en voorts in ontvangst kon worden genomen.
Daartoe bestond nog meer reden nu uit de Sonar-uitdraai van het CWI kan worden afgeleid dat betrokkene bij zijn bezoeken aan het CWI een enigszins verwarde indruk had achtergelaten.
De Raad moet vaststellen dat de CWI een en ander heeft nagelaten. Dit verzuim moet, gelet op het samenstel van de wettelijke bepalingen, aan de gemeente worden toegerekend.
BZK 2010/25
|
23-03-2010
Het kwijtscheldingsbeleid inzake fraudevorderingen heeft een te beperkte strekking (ISD Noordenkwartier) De Raad constateert dat het kwijtscheldingsbeleid niet voorziet in de mogelijkheid om van (verdere) invordering af te zien om redenen gelegen in de persoon van betrokkene en/of de omstandigheden waarin hij of zij verkeert. Vorderingen worden immers uitsluitend buiten invordering gesteld, indien dit vanuit bestuurlijk oogpunt efficiënt of wenselijk is.
De Raad moet dan ook vaststellen dat, nu slechts in het belang van het college tot kwijtschelding kan worden overgegaan, het door het college ten tijde hier van belang gevoerde kwijtscheldingsbeleid niet berust op een belangenafweging in abstracto, waarin de belangen van de debiteuren, zoals betrokkene, zijn meegewogen. Naar het oordeel van de Raad gaat een dergelijk beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten.
BZK 2010/26
|
18-03-2010
Betrokkene heeft geen beroepschrift ingediend tegen het uitblijven van een besluit op haar aanvraag. Ook heeft zij het college niet schriftelijk medegedeeld dat het in gebreke is tijdig een besluit te nemen op haar verzoek. Betrokkene heeft hiertegen wel bezwaar gemaakt. De mogelijkheid tot het maken van bezwaar is na 1 oktober 2009 echter niet meer aanwezig (gemeente Rotterdam) De voorzieningenrechter ziet aanleiding het bezwaarschrift in dit geval aan te merken als een premature schriftelijke mededeling aan het college dat het in gebreke is. Het college was ten tijde van het maken van bezwaar immers nog niet in verzuim om binnen de termijn van acht weken als bedoeld in artikel 4:13 van de Awb te beslissen.
Uit het voorafgaande volgt dat geen bezwaar en ook geen beroep aanhangig is. Gelet op artikel 8:81, eerste tot en met derde lid, van de Awb staat daarom voor verzoekster (nog) geen mogelijkheid open om te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen.
BZK 2010/22
|
16-03-2010
Dat een belanghebbende een gesubsidieerde arbeidsplaats wordt aangeboden via een detacheringsconstructie en tegen het minimumloon, zoals in het geval van betrokkene is gebeurd, is in lijn met de bedoeling van de wetgever (gemeente Heiloo) Het college heeft op goede gronden geoordeeld dat het betrokkene valt te verwijten dat hij de hem aangeboden arbeidsplaats heeft geweigerd en dat hij aldus de in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB neergelegde verplichting om mee te werken aan een voorziening gericht op arbeidsinschakeling onvoldoende is nagekomen. Hieruit vloeit voort dat het college ingevolge artikel 18, tweede lid, van de WWB terecht een maatregel heeft opgelegd. BZK 2010/21
|
15-03-2010
In beginsel wordt geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend en/of de melding bij het CWI heeft plaatsgevonden. Van dit uitgangspunt kan slechts worden afgeweken wanneer bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen (gemeente Stadskanaal) Naar vaste rechtspraak van de Raad levert het enkele feit dat een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht is verleend geen bijzondere omstandigheid op die het vervroegen van de ingangsdatum van de bijstand kan rechtvaardigen.
Nu de gemeente zich uitdrukkelijk heeft beroepen op de Verzamelbrief van de staatssecretaris SZW van 3 oktober 2007 nr. Intercom/2007/29953, moet de Verzamelbrief worden beschouwd als het beleid dan wel de bestendige bestuurspraktijk van de gemeente en dient de gemeente te beoordelen of er sprake is van dusdanige schulden dat er aanleiding is om de bijstandsuitkering met een eerdere datum te laten ingaan dan de datum waarop betrokkene zich heeft gemeld.
In de Verzamelbrief zijn geen criteria zijn opgenomen om te bepalen in welke gevallen het ontstaan van aantoonbare schulden het vervroegen van de ingangsdatum van de bijstandsuitkering kan rechtvaardigen. Nu de gemeente dergelijke criteria niet heeft ontwikkeld dient de gemeente een individuele belangenafweging te voltrekken, mede in het licht van gestelde Eneco-schulden.
BZK 2010/20
|
02-03-2010
Ondanks een stortvloed aan brieven van één aanvrager moet de gemeente blijven beslissen op aanvragen en bezwaarschriften (gemeente Winterswijk) De gemeente heeft een groot aantal aanvragen bijzondere bijstand en bezwaarschriften buiten behandeling gelaten. Volgens de rechtbank is in dit geval sprake van misbruik van procesrecht, hetgeen niet-ontvankelijkheid van het beroep rechtvaardigt.
Het wettelijke stelsel verzet zich volgens de Raad tegen het niet behandelen van een aanvraag in andere dan de in de wet genoemde gevallen. Een grond voor het niet behandelen van de aanvragen met toepassing van artikel 4:5 van de Awb was in de voorliggende gevallen niet aanwezig. Gelet hierop heeft het college de aanvragen ten onrechte niet in behandeling genomen en had het hierop een inhoudelijke beslissing dienen te nemen.
Verder volgt uit het systeem van de Awb dat een bestuursorgaan - tijdig - op een ingediend bezwaarschrift dient te beslissen. Het met toepassing van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb maken van bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing is primair te zien als een procedureel middel om een bestuursorgaan tot besluitvorming te bewegen. Nu het wettelijke stelsel niet voorziet in uitzonderingen op de verplichting om op een ingediend bezwaarschrift te beslissen, had het college op de bezwaarschriften van appellant moeten beslissen.
Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld kan niet worden gezegd dat betrokkene geen (proces)belang heeft bij een beroep, met toepassing van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb, tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar. Aangevallen uitspraak van de rechtbank vernietigd.
Voor de afhandeling op de minst belastende wijze doet de Raad enige suggesties.
BZK 2010/13
|
02-03-2010
In verband met het verwijtbaar verliezen van eerdere gebruiksgoederen wordt bij de vaststelling van de bijzondere bijstand na detentie -voor de kosten van een wasautomaat, koelkast, fornuis, eethoek, bankstel en televisie- slechts 50% verstrekt van het bedrag dat normaliter voor dat soort goederen wordt verstrekt (gemeente Den Haag). Het college heeft in het kader van artikel 35, eerste lid, van de WWB, in verband met het verwijtbaar verliezen van eerder in bezit zijnde duurzame gebruiksgoederen, voor een aantal duurzame gebruiksgoederen het bedrag van de bijzondere bijstand verlaagd. Dat is niet juist, aangezien artikel 35, eerste lid, van de WWB geen ruimte biedt voor de beoordeling of een belanghebbende zich verwijtbaar heeft gedragen en of dit verwijtbaar gedrag ertoe heeft geleid dat hij een beroep op de bijzondere bijstand moet doen.
Die beoordeling dient plaats te vinden in het kader van de toepassing van artikel 18, tweede lid, van de WWB en de in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de WWB bedoelde verordening dan wel in het kader van de vaststelling in welke vorm de bijstand wordt verleend. Zie artikel 48 lid 2 aanhef en onder b, van de WWB.
BZK 2010/15
|
12-02-2010
Het bezwaarschrift is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard, nu betrokkene de tijdige ontvangst van het primaire besluit betwist (gemeente Hilversum) In de uitspraak van de Rechtbank Utrecht van 8 januari 2009 nr. SBR 08/1034 wordt overwogen dat - indien het bestuursorgaan de verzending van het besluit aannemelijk heeft gemaakt- het op de weg van de geadresseerde ligt om de ontvangst ervan op niet ongeloofwaardige wijze te ontkennen. Als de geadresseerde de ontvangst op niet ongeloofwaardige wijze ontkent, moet het bestuursorgaan ook de ontvangst van het besluit aannemelijk maken. De rechtbank sluit zich bij deze overweging aan.
Betrokkene betwist de ontvangst van het niet-aangetekend verzonden besluit op zichzelf niet. Hij betwist slechts de tijdige ontvangst. Onduidelijk is gebleven wanneer het primaire besluit daadwerkelijk is verzonden. Met de rechtbank Utrecht meent de rechtbank dat onder deze omstandigheden echter minder hoge eisen worden gesteld aan het door de gemeente te leveren bewijs van verzending.
Nu de gemeente zijnerzijds niet door middel van een aangetekende verzending of een postregistratiesysteem kan aantonen dat het primaire besluit daadwerkelijk op 3 juli 2008 is verzonden, is de rechtbank van oordeel dat de gemeente er niet in is geslaagd aan te tonen of aannemelijk te maken dat het primaire besluit daadwerkelijk op 3 juli 2008 is verzonden.
De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat zij geen aanknopingspunten heeft gevonden om de betwisting door betrokkene van de tijdige ontvangst van het besluit als onvoldoende geloofwaardig te bestempelen. Betrokkene heeft immers verklaard dat hij de dag nadat hij het primaire besluit had ontvangen naar zijn maatschappelijk werkster is gegaan en haar in zijn bijzijn het bezwaarschrift heeft zien opstellen.
De rechtbank acht deze lezing zo niet geloofwaardig, dan toch in ieder geval niet ongeloofwaardig. Dit betekent dat niet met zekerheid is vast te stellen op welke datum de bezwaartermijn is aangevangen. Die onzekerheid mag niet ten nadele van betrokkene uitwerken, in die zin dat zijn bezwaar vanwege termijnoverschrijding niet-ontvankelijk wordt verklaard.
BZK 2010/19
|
09-02-2010
Bij de beoordeling van “laag inkomen” over de periode van 36 maanden is niet de inkomensoverschrijding gedurende één maand relevant, maar het gemiddelde inkomen over de gehele periode (gemeente Arnhem) Een grammaticale uitleg van de term ‘een aaneengesloten periode’, die door de raad in artikel 1, aanhef en onder b, van de Verordening langdurigheidstoeslag Arnhem 2009 is gebezigd ter invulling van het begrip ‘langdurig’, verhoudt zich niet met het per afzonderlijke maand toetsen van het gezamenlijk inkomen aan de norm. Een redelijke uitleg van deze term houdt in dat het gezamenlijk inkomen van partijen in de gehele periode van 36 maanden dient te voldoen aan het criterium ‘laag inkomen’. Dit betekent dat het college had moeten beoordelen hoe hoog het gemiddelde gezamenlijk inkomen is geweest in de periode van 1 januari 2006 tot 1 januari 2009.
Het per afzonderlijke maand toetsen van het inkomen doet afbreuk aan de doelstelling van de langdurigheidstoeslag.
Niet in geschil is dat het gezamenlijk inkomen in de maand juni 2008 hoger was dan 105% van de geldende bijstandsnorm. Evenwel, in de overige 35 maanden van de relevante periode lag dat inkomen onder deze norm, zodat partijen voldoen aan het criterium dat het inkomen langdurig laag is, als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de WWB. Het beroep is gegrond.
BZK 2010/12
|
08-02-2010
Dit verplicht gestelde reïntegratietraject is niet in strijd met de verdragsbepalingen op het verbod op dwangarbeid of verplichte arbeid (gemeente Amsterdam) Het verplichte disciplineringstraject (Hoyatraject), gericht op onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling e.d., wordt aangemerkt als een reïntegratietraject volgens artikel 9, eerste lid, onder b WWB. Nu geen fysieke dwang of in aanmerking te nemen psychische dwang is uitgeoefend is geen sprake van dwangarbeid als bedoeld in artikel 4 EVRM.
Bij de beoordeling van het verbod op verplichte arbeid, aan de hand van de jurisprudentie van EHRM en de uitgangspunten van de WWB, zijn diverse randvoorwaarden van belang.
Gelet op de omstandigheden en deze randvoorwaarden kon niet op voorhand worden uitgesloten dat het aanleren van arbeids- en werknemersvaardigheden zoals met het Hoyatraject beoogd, kan bijdragen aan de arbeidsinschakeling van betrokkene. Van betrokkene kon derhalve in ieder geval worden gevergd deel te nemen aan de eerste week van het Hoyatraject en in dat kader mee te werken aan een assessment. Op basis van dit assessment had vervolgens kunnen worden vastgesteld over welke vaardigheden betrokkene beschikt en of voortzetting van het Hoyatraject was aangewezen.
Mede gelet op de beperkte duur van de assessmentfase van het Hoyatraject en de in hoogte en duur beperkte sanctie wegens het niet gebruik maken van de aangeboden voorziening, kan in dit geval niet gesproken worden van een schending van het verbod op verplichte arbeid als bedoeld in artikel 4 van het EVRM.
Pas zodra van een (beoogde) deelnemer aan een voorziening als het Hoyatraject, gelet op alle omstandigheden, niet (meer) verlangd kan worden de opgedragen activiteiten of werkzaamheden te verrichten vanwege het excessief of disproportioneel belastende karakter ervan en/of het totaal ontbreken daaraan van enig perspectief richting arbeidsinschakeling, zou sprake kunnen zijn van verplichte arbeid en zal in zoverre met succes een beroep kunnen worden gedaan op artikel 4 van het EVRM. Hiervan is in dit geval echter geen sprake.
BZK 2010/09
|
26-01-2010
Nu het reïntegratietraject voor moeilijk bemiddelbare personen in dit geval is beëindigd wegens alcoholgebruik is terecht een maatregel opgelegd (gemeente Amsterdam) Niet in geschil is dat het leerwerktraject, waarop betrokkene was geplaatst, gericht is op moeilijk bemiddelbare personen zoals betrokkene. Er is geen reden om aan te nemen dat dit reïntegratietraject voor betrokkene niet passend was. De gestelde omstandigheid dat het leerwerktraject niet de achterliggende problematiek van alcohol en drugs aanpakt maakt dit niet anders.
Vaststaat dat betrokkene op de eerste dag van het door hem te volgen reïntegratietraject alcohol (bier) had meegenomen en ook heeft genuttigd op het bedrijf waar hij was geplaatst. Betrokkene had kunnen en moeten begrijpen dat dit geen algemeen geaccepteerd gedrag is. Als gevolg van het gedrag van betrokkene is het reïntegratietraject met hem direct beëindigd. Van deze handelwijze kan niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Dat betrokkene een alcoholprobleem heeft en een andere visie heeft op het gebruik van alcohol op de werkvloer is daarvoor onvoldoende.
Terecht is de maatregel volgens de Afstemmingsverordening bepaald op € 200,--.
BZK 2010/08
|
26-01-2010
Nu betrokkene (HIV-seropositief) wegens zijn behandeling in een acute noodsituatie verkeert, ontbreekt in het medisch advies de aanleiding om de eerdere verstrekking van bijzondere bijstand in de kosten van medicinale marihuana -3 gram per dag- te verlagen naar 1 gram per dag (gemeente Amsterdam) Het gebruik van medicinale cannabis voorkomt in dit geval dat er voor betrokkene een levensbedreigende situatie ontstaat (wegens bedreiging voor de therapietrouw). Ook de GGD-arts heeft zich blijkens het aanvullend advies op het standpunt gesteld dat gesproken kan worden van een levensbedreigende situatie als het gebruik van suboptimale middelen tegen misselijkheid mogelijk leidt tot minder effectief gebruik van de anti HIV-medicatie.
Over de voor betrokkene voorgeschreven dosering van 3 gram medicinale cannabis per dag heeft de GGD zich niet uitgelaten, behoudens dat op basis van een overgangsregeling voor de oude gevallen bij wijze van coulance kan worden volstaan met het verlenen van bijzondere bijstand voor de kosten van 1 gram per dag, zodat de Raad ervan uitgaat dat de dosering die betrokkene is voorgeschreven in zijn geval noodzakelijk is.
In de omstandigheden van betrokkene is sprake van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, WWB. Daaruit vloeit voort dat het college de bevoegdheid toekwam om bijzondere bijstand te verlenen voor de kosten van medicinale cannabis.
Het college had er in redelijkheid niet van kunnen afzien om van deze bevoegdheid gebruik te maken en het college had aan betrokkene bijzondere bijstand dienen te verlenen voor de kosten van 3 gram medicinale cannabis per dag.
BZK 2010/10
|
26-01-2010
De gemeente is niet bevoegd om naar aanleiding van de nalatigheid van betrokkene om ten kantore van de gemeente te verschijnen (inzake bewijsstukken sollicitaties) diens recht op bijstand in te trekken (gemeente Arnhem) De verplichtingen vermeld in artikel 9, eerste lid, WWB zijn niet van belang voor de vaststelling van het recht op bijstand. Dit brengt mee dat niet nakoming van deze verplichtingen niet kan leiden tot intrekking of beëindiging van de bijstand. Gelet hierop acht de rechtbank het in strijd met de systematiek van de wet wanneer niet verschijnen op een gesprek dat enkel tot doel heeft de controle van de naleving van die verplichtingen, wel reden zou kunnen zijn voor intrekking of beëindiging van de bijstand.
De rechtbank verwijst in dit verband nog naar de tekst van artikel 54, eerste en vierde lid, van de WWB waarin tot uitdrukking is gebracht dat nalatigheid bij het verstrekken van inlichtingen uitsluitend tot opschorting en intrekking van de bijstand kunnen leiden wanneer die inlichtingen van belang zijn voor de vaststelling van het recht en bedoelde nalatigheid er toe leidt dat het recht niet kan worden vastgesteld. Daarmee komt in strijd wanneer niet verschijnen op een gesprek dat enkel tot doel heeft de controle van de naleving van die verplichtingen, reden zou kunnen zijn voor intrekking of beëindiging van de bijstand. De rechtbank ziet voorts steun voor dit standpunt in de toelichting op artikel 17 van de WWB.
Het college heeft wel de bevoegdheid over te gaan tot een maatregel volgens artikel 18 WWB.
BZK 2010/11
|
26-01-2010
Vaststelling beslagvrije voet i.v.m. premie ziektekosten en zorgtoeslag (gemeente Amsterdam) Bij de berekening van de beslagvrije voet (2006) heeft de gemeente volgens betrokkene ten onrechte niet de gehele door haar betaalde premie ziektekosten in aanmerking genomen. Volgens haar is ten onrechte wel rekening gehouden met haar zorgtoeslag.
Bevestigd wordt CRvB 18 juli 2001 nr. 99/4953 AAW/WAO, USZ 2001/238. De Raad ziet geen aanleiding om daarover anders te oordelen voor de situatie vanaf de inwerkingtreding per 1 januari 2006 van de Zorgverzekeringswet.
Het gedeelte van de basispremie dat wordt gedekt door de zorgtoeslag kan niet worden beschouwd als een voor rekening van de schuldenaar komend bedrag.
Een verhoging van de beslagvrije voet met het volledige bedrag van de rechtstreeks aan de zorgverzekeraar betaalde basispremie voor de zorgverzekering zou betekenen dat bij de berekening van de draagkracht tweemaal ten gunste van de schuldenaar rekening wordt gehouden met de component premie ziektekosten en dat de speciaal voor de betaling van die premie ontvangen toeslag buiten beschouwing blijft.
Buiten bespreking kan blijven of in dit geval al dan niet mocht worden geanticipeerd op de Zorgverzekeringswet zoals die vanaf 1 januari 2008 is gaan luiden.
BZK 2010/18
|
22-01-2010
De Minister SZW heeft op goede gronden gebruik gemaakt van de bevoegdheid volgens artikel 70, eerste lid, WWB om het onrechtmatig bestede Werkdeel terug te vorderen, nu zich blijkens de verantwoording een financiële onzekerheid voordoet (gemeente Oss) Uit de bepalingen van de WWB volgt, dat de verantwoording door gemeenten van het aan hen toegekende budget jaarlijks plaatsvindt. Hieruit volgt dat, indien de rechtmatigheid van de besteding in het jaar van de betaling niet kan worden verantwoord, de besteding onrechtmatig is en de Minister SZW de gelden van de gemeente kan terugvorderen.
De grief van het college dat de door de accountant in 2006 gestelde financiële onzekerheid niet betekent dat er sprake is van onrechtmatige besteding, wordt door de rechtbank verworpen. De rechtbank is van oordeel dat, indien sprake is van financiële onzekerheid in het jaar van betaling, dit tot gevolg heeft dat de besteding niet (met zekerheid) kan worden verantwoord, zodat sprake is van een onrechtmatige besteding.
BZK 2010/06
|
19-01-2010
Voor de hoogte van bijstand in kosten van woninginrichting is de gemeente niet verplicht uit te gaan van NIBUD-normen, maar kunnen richtprijzen worden gehanteerd die zijn afgeleid van en afgestemd op het lokaal winkelaanbod (gemeente Groningen) Het college is bevoegd, indien het in het voorliggende geval heeft vastgesteld dat voor de kosten van woninginrichting in beginsel bijzondere bijstand dient te worden verleend, bij de bepaling van de hoogte van de bijstand voor de verschillende kostenposten richtprijzen te hanteren. Daarbij is het college niet verplicht om uit te gaan van de NIBUD-normen.
Het is niet onredelijk, gelet op het karakter van de bijstand als bodemvoorziening, dat het college uitgaat van de goedkoopste passende voorzieningen, en dat het college richtprijzen gebruikt die zijn afgeleid van en afgestemd op het winkelaanbod in de stad Groningen.
De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat hantering bij de onderhavige aanvraag (2006) van de met ingang van 1 januari 2005 geldende, en nadien niet geïndexeerde richtprijzen in dit geval onredelijke of anderszins onaanvaardbare consequenties heeft gehad. Daarbij betrekt de Raad dat de vorengenoemde berekening van de hoogte van de bijstand uitkomt op een bedrag van € 2.842,50 en dat een bedrag van € 3.000,00 is toegekend.
BZK 2010/04
|
19-01-2010
De gemeente is er niet in geslaagd in objectieve zin aannemelijk te maken dat sprake is geweest van agressie als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB, en daarmee van maatregelwaardig gedrag (RSD Kromme Rijn Heuvelrug) Bevestigd wordt dat een verlaging van de bijstand wegens een zeer ernstige misdraging als een punitieve (bestraffende) sanctie moet worden aangemerkt. Het is aan het college om aannemelijk te maken dat van agressie sprake is geweest.
De zeer luide stemverheffing en weigering om de spreekkamer te verlaten is verwijtbaar gedrag. De gemeente is er echter niet in geslaagd in objectieve zin aannemelijk te maken dat sprake is geweest van agressie als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB, en daarmee van maatregelwaardig gedrag.
Met name is niet aannemelijk geworden dat betrokkene verbaal geweld heeft gebezigd dat als agressief - in intimiderende of bedreigende zin - moet worden beschouwd. Betrokkene heeft tegengesproken dat van agressie in de zojuist bedoelde zin sprake is geweest en ook uit de bewoordingen van het verslag blijkt van zodanige agressie niet. Tegen die achtergrond komt onvoldoende betekenis toe aan de opmerking (in de rapportage van de beveiligingsdienst) dat het gedrag volgens de consulent intimiderend was.
BZK 2010/05
|
13-01-2010
Het dwingendrechtelijke karakter van artikel 33 WWB betekent dat het genormeerde inkomen uit studiefinanciering in mindering wordt gebracht op het relevante normbedrag (gemeente Breda) De som van de basisbeurs en aanvullende prestatiebeurs en de reisvoorziening is per 1 januari 2009 hoger dan het normbedrag van artikel 33, tweede lid, onder b, WWB. Artikel 33, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB is een bepaling van dwingendrechtelijke aard, welke bepaling met zich meebrengt dat de gemeente gehouden is het in die bepaling genoemde bedrag van € 543,73 op de bijstandsuitkering in mindering te brengen. Vgl. CRvB 27 maart 2007 nr. 06/1980 WWB, LJN BA1880.
De inkomsten die het college terecht gekort heeft op de bijstandsuitkering zijn derhalve het normbedrag van artikel 33, tweede lid, onder b (€ 543,73), de partnertoeslag (€ 543,73) en de stagevergoeding (€ 199,90), in totaal € 1.287,36. Nu de bijstandsnorm per 1 januari 2009 € 1.283,86 bedroeg heeft het college de uitkering per 1 januari 2009 kunnen intrekken.
De rechtbank merkt op dat betrokkene niet heeft onderkend dat bij de normering van artikel 33, tweede lid, onder b, van de WWB ook de tegenwaarde van de OV-studentenkaart als inkomen voor levensonderhoud in aanmerking wordt genomen. Hieruit blijkt dat de hoogte van het normbedrag van artikel 33, tweede lid, onder b, van de WWB, per 1 januari 2009 niet aansluit bij de wijze van vaststelling van dit bedrag zoals in artikel 39 van de WWB is aangegeven.
De rechtbank kan hieruit slechts concluderen dat de wetgever bij de periodieke indexering van dit normbedrag niet heeft gehandeld zoals in artikel 39 van de WWB is voorgeschreven.
BZK 2010/07
|
12-01-2010
De temporele werking van een onweerlegbaar rechtsvermoeden (artikel 3, vierde lid, WWB) en de tweejaarstermijn kan, gelet op de aard en de consequenties, niet op een willekeurig moment nogmaals aanvangen (gemeente Amsterdam) Het standpunt van het college impliceert dat voor het hanteren van het rechtsvermoeden voldoende zou zijn dat in de periode van twee jaar voorafgaand aan de bijstandsaanvraag datzelfde rechtsvermoeden al eens is toegepast. De termijn van twee jaar zou in die visie opnieuw zijn gaan lopen en zou bovendien (theoretisch) telkens opnieuw kunnen gaan lopen. Immers, door telkens binnen twee jaar een beslissing omtrent het van toepassing zijn van het rechtsvermoeden te geven zou die termijn dan ad infinitum blijven lopen.
De temporele werking van een onweerlegbaar rechtsvermoeden als hier aan de orde kan volgens de rechtbank echter gelet op de aard van dit rechtsvermoeden en de consequenties van het inroepen ervan voor de bijstandsgerechtigde niet op een willekeurig moment nogmaals aanvangen. Dit zou in strijd komen met de bedoeling van de wet, die immers gelegen is in het stellen van een in de tijd bepaalde termijn, waarbinnen het rechtsvermoeden kan en mag worden ingeroepen.
De termijn van twee jaar is dan ook in dit geval eenmalig aangevangen op de datum van beëindiging van het geregistreerd partnerschap. Nu het geregistreerd partnerschap ten tijde van de bijstandsaanvraag langer dan twee jaar geleden was beëindigd, was het college niet gerechtigd om betrokkene het rechtsvermoeden tegen te werpen.
BZK 2010/16
|
22-12-2009
Wegens ontbrekende middelen wordt het aflossingsbedrag van deze fraudevordering op nihil gesteld (gemeente Delft) Betrokkene heeft aan het college opgegeven dat hij over geen enkele bron van inkomsten beschikt en evenmin over vermogen. Het college heeft deze opgave niet bestreden, zodat ervan moet worden uitgegaan dat betrokkene niet beschikte over middelen om af te lossen op de vorderingen van het college.
Onder deze omstandigheden is de Raad van oordeel dat het college het bedrag van de aflossing niet had moeten stellen op de minimale aflossingsnorm van € 66 per maand, maar op € 0 had moeten vaststellen.
BZK 2009/72
|
18-12-2009
Deze begeleiding van een ex-gedetineerde, ter overbrugging naar een tussenfasehuis, kan niet worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding (gemeente Amsterdam) Deze ex-gedetineerde heeft haar steentje bijgedragen aan het huishouden van de hoofdbewoonster. Dit kan evenwel in deze zaak niet leiden tot het oordeel dat sprake is van wederzijdse zorg tussen betrokkene en de hoofdbewoonster.
Allereerst stelt de rechtbank vast dat betrokkene na haar ontslag uit detentie geheel zonder middelen zat. De hulp die zij heeft geboden in het huishouden moet verder worden bezien tegen de achtergrond dat zij, na het ontslag uit detentie, op de wachtlijst stond voor plaatsing in het tussenfasehuis. Het was voorzienbaar dat de begeleidende instelling (Stichting Zorgconcept te Monninckendam) haar op korte termijn in dit tussenfasehuis kon plaatsen. Zij heeft slechts ter overbrugging van de periode tussen haar ontslag uit detentie en plaatsing in het tussenfasehuis bij de hoofdbewoonster onderdak gevonden.
In dat verband acht de rechtbank ook van belang dat er tussen Stichting Zorgconcept en de gemeente een samenwerkingsverband bestaat, gericht op begeleiding van personen zoals betrokkene naar onder meer een woning en een inkomen.
Niet gesproken kan worden van wederzijdse zorg, zodat de gemeente ten onrechte een gezamenlijke huishouding heeft aangenomen en een uitkering heeft geweigerd.
BZK 2010/14
|
17-12-2009
Geschil inzake inkorting van baard resp. weigering vrouwen de hand te schudden wegens islamitische geloofsovertuiging. Betrokkene heeft in redelijkheid niet kunnen weigeren aan de verplichting als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, WWB te voldoen, omdat sprake zou zijn van schending van de Awgb (gemeente Amsterdam).
Nu betrokkene een bijstandsuitkering ontvangt en geacht moet worden de daaraan verbonden verplichtingen tevens te aanvaarden, is de eis dat de baard tot maximaal vijf cm. moet worden ingekort om aan werk als beveiliger te komen niet zodanig verstrekkend, dat dit in redelijkheid niet van betrokkene kan worden gevergd. Hetzelfde geldt voor het geven van een hand aan vrouwelijke collega’s en klanten.
De vrijheid van een ieder om zich te gedragen en eruit te zien zoals hij wil dient te worden gerespecteerd, maar vindt zijn begrenzing op het moment dat dit leidt tot grote beperkingen in de toegang tot de arbeidsmarkt.
Het belang van de gemeente bij de uitvoering van de WWB weegt zwaarder dan het belang van betrokkene. De werkvoorschriften als middel voor het bereiken van het legitieme doel zijn passend en noodzakelijk. Van strijd met de Awgb is geen sprake.
BZK 2009/69
|
15-12-2009
Bijstand in begrafeniskosten van hun vader is aangevraagd door twee broers. Afwijzing van bijzondere bijstand voor de ene broer is niet terecht, nu in een identieke beroepsprocedure van de andere broer de noodzakelijke financiële gegevens zijn ingebracht (gemeente Amsterdam) Naar vaste rechtspraak levert schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond op voor weigering van algemene bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene feiten te stellen en zonodig te bewijzen dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond. Volgens vaste rechtspraak van de Raad dienen daarbij ook de door de belanghebbende in de (hoger) beroepsfase alsnog verstrekte gegevens te worden betrokken. Deze rechtspraak is ook van toepassing indien, zoals in het onderhavige geval, bijzondere bijstand wordt geweigerd omdat het recht daarop wegens schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld.
Vaststaat dat betrokkene in de beroepsfase de gevraagde financiële gegevens van zijn vader niet zelf heeft ingebracht, maar dat zijn broer dat in die fase wel heeft gedaan. Ook staat vast dat met deze gegevens het recht op bijzondere bijstand van de broer kon worden vastgesteld. Aan hem is immers hangende de beroepsprocedure alsnog bijzondere bijstand voor (een deel van) die kosten toegekend. De gemachtigde heeft hierop uitdrukkelijk gewezen.
Onder deze omstandigheden doet het enkele feit dat betrokkene in de beroepsfase niet zelf de hiervoor bedoelde gegevens heeft ingebracht er niet aan af dat ook in zijn zaak in die fase voldoende inzicht is verkregen in de financiële situatie van zijn vader, zodat al op dat moment het recht op bijzondere bijstand kon worden vastgesteld.
BZK 2009/68
|
15-12-2009
Geen rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel verzet zich er tegen dat, na een onrechtmatig bevonden huisbezoek, een nader onderzoek volgens artikel 53a WWB wordt ingesteld naar de rechtmatigheid van verleende of nog te verlenen bijstand. De bevindingen van een dergelijk onderzoek mogen wél bij de beoordeling van het recht op bijstand worden betrokken (gemeente Roerdalen) Verzwegen gezamenlijke huishouding volgens artikel 3 WWB? In dit geval bestond geen redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek. Volgens vaste rechtspraak vormt een anonieme tip over de woon- en leefsituatie van degene die bijstand aanvraagt of ontvangt als zodanig geen redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek. De door de sociaal rechercheur verrichte observaties vormen samen met deze tip evenmin voldoende aanleiding om redelijkerwijs te twijfelen aan de juistheid van de verstrekte gegevens.
Het gaat hier om een inbreuk op het huisrecht, zodat het huisbezoek als onrechtmatig moet worden aangemerkt en de resultaten van het huisbezoek niet mogen worden gebruikt.
Geen rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel verzet zich er tegen dat na een onrechtmatig bevonden huisbezoek een nader onderzoek (volgens artikel 53a WWB) wordt ingesteld naar de rechtmatigheid van verleende of nog te verlenen bijstand en dat de bevindingen van een dergelijk onderzoek bij de beoordeling van het recht op bijstand worden betrokken.
Dat betekent dat de omstandigheid dat een huisbezoek onrechtmatig is in beginsel niet meebrengt dat de bevindingen uit een nader onderzoek niet mogen worden gebruikt bij de beoordeling van het recht op bijstand van degene jegens wie dat huisbezoek onrechtmatig is. Dit wordt eerst anders indien gezegd moet worden dat het bestuursorgaan in redelijkheid geen gebruik kon maken van de bevoegdheid tot het instellen van een nader onderzoek of van de daardoor verkregen onderzoeksresultaten, gelet op de wijze waarop dat in het concrete geval is gebeurd. De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat zich hier een dergelijke situatie voordoet.
De nadere onderzoeksgegevens bieden evenwel onvoldoende grondslag voor de conclusie dat hier een gezamenlijke huishouding is gevoerd.
BZK 2009/70
|
15-12-2009
De bijstand is terecht ingetrokken en teruggevorderd tot een bedrag van de verzwegen giften (totaal € 4.876 over 2004-2006), met oplegging van een maatregel (gemeente Nijmegen) De gemeente heeft in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat diverse overschrijvingen en stortingen uit het oogpunt van bijstandsverlening als gift niet verantwoord zijn, dit gezien enerzijds de hoogte van de bijstandsnorm en anderzijds de hoogte van de overschrijvingen en stortingen. Het gaat immers gemiddeld om circa € 180,-- per maand, terwijl betrokkene aan bijstand ontving een bedrag van circa € 800,-- netto per maand. De gemeente heeft daarbij terecht in aanmerking genomen dat de bedoelde overschrijvingen en stortingen vooral bestemd waren om daarmee te voorzien in de algemene kosten van het bestaan, in kosten dus die in het algemeen uit het inkomen moeten worden bestreden. BZK 2010/01
|
15-12-2009
De kredietaanvraag voor verhuiskosten is door de Gkb niet in behandeling genomen, omdat betrokkene geen afstand wil doen van haar auto en zij niet om medische redenen op de auto is aangewezen. In verband hiermee is de bijstand afgewezen (gemeente Den Haag) Bezien vanuit het oogpunt van de WWB had van betrokkene verwacht mogen worden dat zij ten volle een beroep had gedaan op een voorliggende voorziening in de vorm van een lening bij de Gkb en zou hebben voldaan aan de haar door de Gkb gestelde voorwaarde om haar aanvraag om een lening voor de kosten van haar verhuizing in behandeling te doen nemen.
Nu zij daarvan heeft afgezien, moet eventuele onzekerheid over de vraag of haar door de Gkb een lening zou zijn verstrekt en of de lening voldoende zou zijn geweest om de kosten van de verhuizing volledig te betalen, voor haar risico worden gelaten. Artikel 15, eerste lid, WWB staat in de weg aan het verlenen van de gevraagde bijzondere bijstand.
BZK 2010/02
|
15-12-2009
Na dwangopname in een psychiatrisch ziekenhuis (via inbewaringstelling burgemeester) bestaat geen recht op algemene bijstand (gemeente Landgraaf) In de WWB en de daarop berustende bepalingen is geen definitie of omschrijving van het begrip ‘rechtens zijn vrijheid ontnomen’ is opgenomen. Het begrip kent geen beperking ten aanzien van de aard van de juridische titel op basis waarvan de vrijheidsontneming plaatsvindt. Dat betekent dat het begrip ziet op alle vrijheidsontnemingen waarvoor een juridische titel bestaat.
Onder de zinsnede ‘rechtens zijn vrijheid ontnomen’ moet mede worden begrepen de situatie waarin de betrokkene op grond van de Wet BOPZ gedwongen is opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Daaraan doet niet af dat in artikel 13, derde lid, WWB, in samenhang met het Besluit extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid (Stb. 2000, 53) is voorzien in een aantal uitzonderingen op de uitsluiting, reeds omdat de situatie waarin sprake is van een gedwongen opname op grond van de Wet BOPZ daarin niet is opgenomen.
BZK 2010/03
|
24-11-2009
Hoewel sprake is van inbreuk op het huisrecht worden de bevindingen van het huisbezoek wel betrokken bij de beoordeling van het recht op bijstand. Bij schending inlichtingenplicht geen strafrechtelijke rechtswaarborgen (gemeente Groningen) In dit geval is een redelijke grond voor het huisbezoek aanwezig, maar is niet voldaan aan de eis van “informed consent”. Dat betekent dat ten aanzien van betrokkene sprake was van een inbreuk op het huisrecht als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM.
Niet kan worden gezegd dat het gebruik maken van hetgeen tijdens het huisbezoek is verklaard en waargenomen zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelend bestuursorgaan mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht.
Hierbij wordt door de Raad in aanmerking genomen dat, indien betrokkene naar behoren zou zijn geïnformeerd en vervolgens zou hebben geweigerd aan het huisbezoek mee te werken, die weigering zou hebben meegebracht dat zijn recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, hetgeen - gegeven de aanwezigheid van een redelijke grond - evenzeer een grond vormt voor intrekking van bijstand. Niet kan worden ingezien dat de bevindingen gedaan tijdens het huisbezoek voor de beoordeling van het recht op bijstand buiten beschouwing dienen te blijven.
Bij een redelijke grond voor huisbezoek zijn de rechtswaarborgen volgens Sv. niet van toepassing (BZK 2008/88)
BZK 2009/65
|
24-11-2009
De hier toegepaste afstemming volgens artikel 18 WWB berust op een onjuiste motivering en wordt vernietigd (gemeente Tilburg) Door familieleden werd betrokkene in staat gesteld haar uitgaven voor levensmiddelen en toiletartikelen beperkt te houden. Het gaat hier niet om een zeer bijzondere situatie die een verlaging van de bijstand tot een bedrag van € 700,-- per maand rechtvaardigt.
Artikel 18 WWB geeft inhoud aan één van de uitgangspunten van de WWB, te weten dat de bijstand wordt afgestemd op de feitelijke behoeften in het individuele geval. Deze verplichting kan meebrengen dat een verlaging van de uitkering dan wel van de toeslag is aangewezen.
De Raad neemt tevens in aanmerking dat algemene bijstand wordt verleend naar een all-in-norm, hetgeen impliceert dat degene die algemene bijstand ontvangt de vrijheid heeft de bijstand te besteden op een wijze die hem goeddunkt. Betrokkene heeft van die keuzevrijheid gebruik gemaakt om met de, niet met bijstandsverlening onverenigbaar te achten, hulp van familieleden haar uitgaven voor levensmiddelen en toiletartikelen beperkt te houden, zodat zij de daardoor bespaarde bijstand op een andere wijze kon besteden.
BZK 2009/67
|
19-11-2009
Overschrijding van de wettelijke beslistermijn leidt tot het opleggen van een dwangsom (gemeente Haarlem) In een eerdere procedure heeft de Centrale Raad van Beroep in dit geval bepaald dat de gemeente een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen. Het beroep is gericht tegen het uitblijven van een nieuw besluit op bezwaar. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn volgens artikel 7:10 Awb is overschreden. Nu het beroepschrift is ingediend na inwerkingtreding van de Wet dwangsom per 1 oktober 2009 is het beroep ontvankelijk. De gemeente wordt volgens artikel 8:55d Awb opgedragen alsnog een besluit op bezwaar te nemen binnen twee weken na verzending van deze uitspraak, op straffe van een dwangsom van Euro 100 per dag met een maximum van Euro 15.000. BZK 2009/66
|
02-11-2009
Het bestreden besluit wordt vernietigd, voor zover dit ziet op het opleggen van de verplichting voor het ondergaan van een medisch onderzoek op grond van artikel 55 WWB (RSD Kromme Rijn Heuvelrug) Het opleggen van de aangeboden voorziening is vooral gericht op sociale activering en op het onderzoeken van de arbeidsmogelijkheden van betrokkene. Weliswaar wordt in de rapportage wel gezegd dat arbeid in WSW-verband mogelijk het einddoel kan zijn, maar het accent ligt op de sociale activering en het onderzoek naar de mogelijkheden, waarbij betaalde arbeid nog ver weg is. De verplichting van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, WWB is terecht opgelegd.
Ook is de verplichting opgelegd aan betrokkene zich onder medische behandeling te stellen, zodat het traject van sociale activering doorgang kan vinden. Er is geen arts die een medische behandeling heeft geadviseerd, zodat niet is voldaan aan de eisen voor gebruikmaking van de bevoegdheid als neergelegd in de laatste volzin van artikel 55 WWB.
BZK 2009/71
|
20-10-2009
De aanwezigheid tijdens reguliere arbeidsuren op een bestaande werkplek veronderstelt dat de betreffende persoon bij geconstateerde aanwezigheid ook daadwerkelijk op geld waardeerbare arbeid verricht (gemeente Bussum) De grief dat door de gemeente in strijd met artikel 8 van het EVRM is geobserveerd bestrijkt de observaties in de perioden, welke zonder bevel van de Officier van Justitie hebben plaatsgevonden. De Raad verwerpt deze grief.
Deze observaties vinden een wettelijke grondslag in artikel 53a, tweede lid, WWB en beantwoorden in het onderhavige geval tevens aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Daarbij wordt in aanmerking genomen dat er een gegrond vermoeden van fraude met uitkeringsgelden bestond, dat het doel van de observaties uitsluitend erop was gericht om vast te stellen of betrokkene méér uren in het restaurant werkzaam was dan hij had opgegeven en dat de observaties, die met name de standplaats van zijn auto betroffen, alleen in de openbare ruimte plaatsvonden. Naar het oordeel van de Raad waren de observaties ten tijde hier van belang niet zodanig intensief dat het college daarmee in strijd met artikel 8 van het EVRM heeft gehandeld.
BZK 2009/64
|
13-10-2009
De kosten van zwemlessen behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten waarin in beginsel iedere ouder met jonge kinderen, aangewezen op een bijstandsuitkering of niet, zelf moet voorzien (gemeente Almere) Tussen partijen is niet in geschil dat de kosten van zwemlessen zich voordoen en noodzakelijk zijn. De vraag of deze kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden beantwoordt de Raad met het college en de rechtbank ontkennend. Dergelijke kosten behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten waarin in beginsel iedere ouder met jonge kinderen, aangewezen op een bijstandsuitkering of niet, moet voorzien. De omstandigheid dat appellant, zoals hij heeft aangevoerd, geen gebruik heeft kunnen maken van een gesubsidieerde faciliteit, zoals schoolzwemmen, maakt dit niet anders.
Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is de Raad van oordeel dat appellant aan artikel 16, eerste lid, van de WWB geen aanspraak op bijzondere bijstand kan ontlenen. De Raad komt tot de conclusie dat de rechtbank ten onrechte heeft beoordeeld of in de omstandigheden van betrokkene ten aanzien van de kosten van zwemlessen sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB.
BZK 2009/61
|
06-10-2009
De gemeente heeft niet in redelijkheid kunnen besluiten de terugvordering (wegens toekenning Wajong-uitkering met terugwerkende kracht) te bruteren (gemeente Leidschendam-Voorburg) Rechtsvraag: heeft de gemeente in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid tot brutering. Naar vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 24 juli 2007 nr. 06/3899 WWB, LJN BB0561 en CRvB 27 januari 2009 nr. 08/4903 WWB, LJN BH2259) is bij de beantwoording van de hiervoor gestelde vraag zowel de verwijtbaarheid van betrokkene bij het ontstaan van een vordering als die bij de brutering van een netto vordering van belang.
In onderhavig geschil staat vast dat betrokkene geen verwijt kan worden gemaakt van het ontstaan van de terugvordering, nu van schending van de inlichtingenverplichting geen sprake is. Betrokkene heeft het college van meet af aan geïnformeerd over de door hem ingestelde rechtsmiddelen tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Het college had de mogelijkheid betrokkene een machtiging te laten ondertekenen teneinde zeker te stellen dat het Uwv de Wajong-uitkering niet netto zou uitbetalen maar bruto aan het college, overeenkomstig de in de Verzamelbrief SZW van 30 augustus 2005 voorziene mogelijkheid van vereenvoudigde verrekening.
Wegens ontbrekende vereenvoudigde verrekening hebben zowel het college als het Uwv belasting en premies afgedragen. Voor betrokkene heeft dit tot gevolg dat hij ongeveer € 16.000,-- meer aan het college moet terugbetalen dan het Uwv hem destijds aan (netto) Wajong-uitkering heeft nabetaald. Bovendien houdt de Raad het ervoor dat, gelet op het maandelijkse aflossingsbedrag van € 100,-- , de eventueel langs fiscale weg voor betrokkene te verkrijgen compensatie voor de terugbetaling van de bruto terugvordering te verwaarlozen is.
Hieruit volgt dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten de vordering te bruteren.
BZK 2009/60
|
06-10-2009
Een stageovereenkomst wordt beheerst door het privaatrecht, maar het aanbieden, wijzigen of beëindigen van een stage is tevens een beslissing over een voorziening volgens artikel 7 WWB en daarom een besluit in de zin van 1:3 Awb. Bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard (gemeente Amsterdam) Gezien de doelstelling van de WWB en gelet op de tekst van artikel 7 van de WWB is de rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de gemeente in deze geen gebruik kan en mag maken van privaatrechtelijke middelen om het publiekrechtelijk doel te bereiken. In het oog moet worden gehouden dat het aanbieden van de privaatrechtelijke stageovereenkomst als het aanbieden van een voorziening in de zin van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de WWB moet worden beschouwd.
Dat betekent dat ook vervolgbeslissingen met betrekking tot de stageovereenkomst, zoals het wijzigen of beëindigen ervan alsmede het blokkeren van de stagevergoeding, weliswaar door het privaatrecht worden beheerst, maar ook als een wijziging of beëindiging van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de WWB moeten worden aangemerkt.
In die zin is iedere beslissing met betrekking tot de stageovereenkomst (tevens) een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, nu het een publiekrechtelijke rechtshandeling betreft die is gericht op rechtsgevolg. Tegen een dergelijk besluit dient bezwaar en beroep open te staan.
BZK 2009/63
|
01-10-2009
Aan een inhoudelijke beoordeling van het standpunt van de Rechtbank Arnhem, namelijk dat in dit geval geen sprake is van dwangarbeid of verplichte arbeid, komt de Raad niet toe. Betrokkene heeft geen (proces)belang nu de maatregel is ingetrokken (gemeente Arnhem) Beroep is ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank Arnhem van 8 oktober 2008 (BZK 2008/78). Hierbij werd de afstemming wegens weigering van een traject Work First vernietigd. Betrokkene heeft aangevoerd dat het hem te doen is om principiële uitspraak van de Raad. Hij heeft daarbij gewezen op mogelijke gevolgen voor - deelnemers aan - andere vergelijkbare trajecten in de gemeente Arnhem en elders.
Het is vaste rechtspraak dat slechts sprake is van voldoende procesbelang, indien het resultaat, dat de indiener met het maken van bezwaar of het instellen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben.
Van de bestuursrechter kan in een geval waarin de uitkomst van het beroep niet in concreto tot een voor de betrokkene gunstiger resultaat kan leiden, geen uitspraak worden gevraagd vanwege de principiële betekenis daarvan voor mogelijke toekomstige gevallen waarbij niet betrokkene, maar anderen betrokken zijn.
BZK 2009/58
|
29-09-2009
Voor deze terugvordering is een bestuursrechtelijke grondslag aanwezig in het Bbz 2004 (gemeente Den Haag) Deze gemeente heeft bijstand verleend ter voorziening in bedrijfskapitaal in de vorm van een geldlening, die wordt teruggevorderd. Ter zitting van de Raad is aan de orde geweest of, nu het hier gaat om een geldlening, de terugbetaling en de invordering daarvan langs bestuursrechtelijke weg kunnen worden afgewikkeld dan wel of de weg van het burgerlijk recht dient te worden gevolgd.
De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat de grondslag voor de in geding zijnde terug- en invordering is te vinden in de artikelen 40 en volgende van het Bbz 2004. Er is derhalve een uitdrukkelijke bestuursrechtelijke grondslag voorhanden. Daarbij heeft de rechtbank overigens artikel 47 van het Bbz 2004 terecht niet van toepassing geacht.
In hetgeen is aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van het Bbz 2004 om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
BZK 2009/59
|
29-09-2009
Het feitelijk bestaan van de schuld van betrokkene aan haar dochters is in voldoende mate aannemelijk is gemaakt. De vraag of sprake is van een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting moet echter ontkennend worden beantwoord. Met de schuld is terecht geen rekening gehouden, zodat de bijstand terecht als lening onder verband van hypotheek op de woning is toegekend (gemeente Haarlemmermeer) Voor het beoordelen van de schuld stelt de Raad voorop dat deze aflossing na 360 maanden niet reëel is, althans op zijn minst erg onzeker, gelet op de leeftijd van betrokkene ten tijde van het afsluiten van de lening. Voor zover de aflossing is gekoppeld aan de verkoop van de woning is er evenmin sprake is van een reële terugbetalingsverplichting, nu deze afhankelijk is gesteld van een toekomstige onzekere gebeurtenis.
In het verlengde hiervan kan niet gesproken worden van een reële verplichting tot betaling van de overeengekomen rente, nu ook deze is uitgesteld en is gekoppeld aan de aflossing. Bovendien is rentebetaling temeer onzeker, aangezien er niet zonder meer van kan worden uitgegaan dat de opbrengst van de woning bij eventuele verkoop voldoende zal zijn voor het (volledig) voldoen van de hoofdsom alsmede het verschuldigde bedrag aan rente.
Verder acht de Raad van belang dat betrokkene uitsluitend in staat is haar woonlasten uit haar inkomen op bijstandsniveau te voldoen omdat zij feitelijk, in ieder geval zo lang zij in de woning verblijft, niet hoeft af te lossen en geen rente hoeft te betalen ter zake van de schuld aan haar dochters.
BZK 2009/62
|
15-09-2009
Door niet mee te werken aan een medisch onderzoek (aangemerkt als voorziening gericht op arbeidsinschakeling) is er voldoende aanleiding voor een maatregel. Geen matiging van de afstemming wegens dringende redenen (gemeente Terneuzen) Volgens de Afstemmingsverordening ziet het college af van het opleggen van een maatregel indien hij daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Niet is in de Afstemmingsverordening nader aangegeven wat onder dringende redenen moet worden begrepen. Wel is in artikel 1, tweede lid, van de Afstemmingsverordening bepaald dat alle begrippen die in de verordening worden gebruikt dezelfde betekenis hebben als in de WWB, voor zover niet anders is bepaald.
Ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad wordt bij een beroep op dringende redenen gedacht aan onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties voor een betrokkene. Het moet gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders of uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden heeft plaatsgehad. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de stelling van betrokkene dat de aan haar toekomende heffingskorting wordt verrekend met een schuld bij de belastingdienst, niet kan worden aangemerkt als een dringende reden in vorenbedoelde zin.
BZK 2009/57
|
08-09-2009
De rechtstreekse betalingen aan de leaseorganisatie wegens zijn leasecontract voor een auto, door een zus van betrokkene, zijn terecht niet als giften buiten beschouwing gelaten (gemeente Amsterdam) De zus van betrokkene heeft € 552 per maand en later € 299 per maand betaald wegens een leasecontract van betrokkene voor een auto (Mercedes). Het verdraagt zich niet met het vangnetkarakter van de WWB als sluitstuk van de sociale zekerheid om in gevallen als hier aan de orde, waarbij betrokkene zichzelf in de positie brengt dat betalingen van door hem gemaakte kosten van levensonderhoud rechtstreeks aan derden worden gedaan, deze middelen op grond van de gekozen juridische constructie bij de vaststelling van de bijstandsuitkering buiten beschouwing te laten.
De Raad komt dan ook tot de conclusie dat de bedragen die de zus aan de leasemaatschappij betaalde zijn aan te merken als middelen waarover betrokkene beschikte of redelijkerwijs kon beschikken als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de WWB.
Het college behoefde in de gestelde schulden, die niet aannemelijk zijn gemaakt, geen aanleiding te zien om de betalingen met toepassing van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder m, van de WWB als giften buiten beschouwing te laten, nu deze, gelet op het daarmee nagestreefde bestedingsniveau, uit een oogpunt van bijstandsverlening als niet verantwoord waren aan te merken.
BZK 2009/56
|
07-09-2009
De jurisprudentie van het EHRM gaat niet zover dat de strafrechtelijke waarborgen om een advocaat te consulteren ook gelden in een situatie, waarin geen sprake is van een aangehouden verdachte op wie een vrijheidsbenemend dwangmiddel is toegepast (gemeente Maastricht) Betrokkene heeft onder verwijzing naar de arresten van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens betoogd dat hij niet aan zijn verklaring kan worden gehouden, omdat hij op dat moment niet in de gelegenheid was gesteld om zich te laten bijstaan door een raadsman.
De Raad volgt betrokkene niet in zijn betoog. Volgens CRvB 19 mei 2009 nr. 07/4236 WWB, LJN BI6036, BZK 2009/29 strekt de bescherming van artikel 6, derde lid, EVRM zich niet tot betrokkene uit, wat betreft de herziening en de terugvordering van de bijstand, omdat het daarbij niet gaat om een strafrechtelijke procedure.
Uit de rechtspraak van het EHRM en een drietal arresten van de Hoge Raad van 30 juni 2009 kan worden afgeleid dat een verdachte die door de politie is aangehouden aan artikel 6 van het EVRM een aanspraak op rechtsbijstand kan ontlenen die inhoudt, dat hem de gelegenheid wordt geboden om voorafgaand aan het verhoor door de politie aangaande zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit een advocaat te raadplegen. Uit die rechtspraak kan niet worden afgeleid dat de verdachte recht heeft op aanwezigheid van een advocaat bij een politieverhoor, tenzij bijvoorbeeld sprake is van een aangehouden jeugdige verdachte.
De jurisprudentie van het EHRM biedt geen aanknopingspunten voor het standpunt dat de strafrechtelijke waarborgen zo ver gaan, dat bedoeld recht om een advocaat te consulteren ook moet gelden in een situatie waarin geen sprake is van een aangehouden verdachte op wie een vrijheidsbenemend dwangmiddel is toegepast.
BZK 2009/54
|
28-08-2009
De vrijlatings- en kortingssystematiek van de inkomsten uit arbeid van de inwonende studerende zoon van 18 jaar kan bij de toeslag (algemene bijstand) resp. overbruggingstoeslag (bijzondere bijstand) niet worden gehandhaafd (gemeente Breda) Bij de vaststelling van de toeslag wegens inwoning hanteert de gemeente voor inwonende meerderjarige kinderen een bepaald beleid via een normaal geldend vast vrijlatingsbedrag. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat de gemeente met dit beleid miskent dat meerderjarige inwonende kinderen die studeren én werken zich ook geconfronteerd zien met hogere uitgaven in verband met studiekosten, dan meerderjarige inwonende kinderen die alleen werken. Met deze studiekosten wordt door de gemeente in het beleid geen rekening gehouden. De voorzieningenrechter is derhalve voorshands van oordeel dat het gemeentelijk beleid op dit punt onredelijk is.
In het inkomen uit studiefinanciering zijn tegemoetkomingen begrepen voor directe studiekosten. Niet verwacht kan worden dat een studerend, niet in de bijstand begrepen kind, deze tegemoetkomingen aanwendt voor het delen van andere kosten met de in dezelfde woning wonende ouder.
De gemeente heeft bij de berekening van de toeslag en de overbruggingstoeslag ten onrechte het inkomen uit studiefinanciering van de zoon betrokken. Voorlopige voorziening toegekend.
BZK 2009/51
|
18-08-2009
Manuele therapie is volgens een bewuste keuze over de noodzakelijkheid buiten de voorliggende voorziening gelaten (artikel 15 WWB). Nu zeer dringende redenen ontbreken (artikel 16 WWB) kan geen bijzondere bijstand worden verleend (gemeente Amsterdam) Naar vaste rechtspraak worden voor de kosten van (para)medische zorg tot 1 januari 2006 de Ziekenfondswet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) in beginsel als aan de WWB voorliggende, toereikende en passende voorzieningen beschouwd. De Raad stelt vervolgens vast dat in het geval van betrokkene de kosten van manuele therapie - een gespecialiseerde vorm van fysiotherapie - niet worden vergoed op basis van de Regeling nu de aandoening van betrokkene niet voorkomt op de hiervoor genoemde “chronische lijst”.
Aan het buiten de voorziening laten van de kosten van fysiotherapie voor de niet op de “chronische lijst” voorkomende aandoeningen ligt een bewuste keuze over de noodzakelijkheid van de voorziening ten grondslag. Voor dit oordeel ziet de Raad voldoende aanknopingspunten in hetgeen is vermeld in de toelichting op de Regeling, waaruit blijkt dat bij de beslissing om de aanspraak op fysio- en oefentherapie te beperken zowel gekeken is naar de omvang en de noodzaak van de voorzieningen en naar de kwaliteitseisen die daaraan gesteld moeten worden als naar de betaalbaarheid.
Dit betekent wegens het ontbreken van zeer dringende redenen dat er voor de gemeente in beginsel geen ruimte is om de gevraagde bijzondere bijstand (2005) toe te kennen.
BZK 2009/50
|
18-08-2009
De verzwegen giften (totaal € 1.100 over drie maanden) zijn terecht op de bijstandsuitkering in mindering gebracht, met afstemming nihil (gemeente Amsterdam) Het college hanteert ten aanzien van de vraag of de giften uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn (en om die reden niet tot de middelen van de betrokkene worden gerekend) het beleid, dat een gift in aanmerking wordt genomen indien deze betrekking heeft op kosten die in de algemene bijstand zijn begrepen, de gift een vrij te besteden karakter heeft en de gift leidt tot een bestedingsniveau dat onverenigbaar is met wat op bijstandsniveau gebruikelijk is.
De Raad ziet geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van dit beleid had dienen af te wijken. De bedragen waren immers onmiskenbaar bedoeld om te worden aangewend voor de directe kosten van levensonderhoud en waren substantieel te noemen in verhouding tot de toepasselijke bijstandsnorm en de periode waarop zij betrekking hadden.
BZK 2009/53
|
11-08-2009
De uitvoering van de Wet Melding Ongebruikelijke Transacties (MOT-project)
is een passend en noodzakelijk middel om het beoogde doel, bestrijding van uitkeringsfraude, te bereiken. Indien en voor zover er met betrekking tot het MOT-project al sprake zou zijn van een indirect onderscheid tussen Antillianen en niet-Antillianen, is daarvoor een objectieve rechtvaardigingsgrond aanwezig (gemeente Rotterdam)
Gedurende twee maanden in 2004 heeft betrokkene in totaal zeven money transfers heeft verricht tot een bedrag van in totaal € 35.675,--. Gelet op het aantal transacties en de daarmee gemoeide bedragen is van op geld waardeerbare arbeid. Het moet betrokkene (een money mule die haar bankrekening tegen vergoeding heeft uitgeleend) redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat deze activiteiten van invloed konden zijn op haar recht op bijstand.
De inlichtingenplicht is geschonden. Gelet op BZK 2009/09 blijven de gevolgen voor eigen rekening en is de bijstand over deze twee maanden terecht ingetrokken resp. teruggevorderd.
BZK 2009/49
|
04-08-2009
Het onrechtmatig verkregen bewijs i.v.m. onderzoek hennepkwekerij moet worden uitgesloten. In verband hiermee kan de intrekking van bijstand niet worden gehandhaafd en is voor terugvordering geen plaats (gemeente Amsterdam) Volgens de Rechtbank Amsterdam is het uit het huisbezoek verkregen bewijs onrechtmatig omdat een redelijke grond voor het afleggen van dit bezoek ontbrak en betrokkene er niet op is gewezen dat het niet meewerken aan een huisbezoek geen (directe) consequenties heeft voor de bijstandsverlening. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het huisbezoek een “beperkte impact” op betrokkene lijkt te hebben gehad omdat hij toestemming voor dit bezoek heeft gegeven en eerst ter zitting van de rechtbank heeft aangevoerd dat sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs. Gelet hierop heeft de rechtbank geoordeeld dat het uit het huisbezoek verkregen bewijs ten grondslag kan worden gelegd aan de intrekking van de bijstand en dat het college compensatie moet bieden door matiging van het bedrag van de terugvordering (BZK 2008/14).
De resultaten van het onderzoek moeten volgens de Raad worden bestempeld als onrechtmatig verkregen bewijs. Ander bewijs is niet voorhanden. Hieruit volgt dat de rechtbank volgens de Raad ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat de bijstand terecht is ingetrokken en dat de terugvordering diende te worden gematigd.
BZK 2009/47
|
04-08-2009
Ten onrechte is geen besluit genomen over de wijze van terugvordering (gemeente Beuningen) In artikel 60, eerste lid (tekst tot 1 juli 2009), WWB is dwingend voorgeschreven dat het besluit tot terugvordering van kosten van bijstand niet alleen vermeldt hetgeen teruggevorderd wordt maar ook de termijn of de termijnen waarbinnen moet worden betaald, alsmede de wijze waarop het besluit, bij gebreke van tijdige betaling, ten uitvoer wordt gelegd.
Door niet uiterlijk in het besluit op bezwaar hierover uitsluitsel te geven, heeft het college in strijd gehandeld met deze bepaling. Dit wordt niet anders door de omstandigheid dat volgens het college hangende bezwaar door betrokkenen met een ingevuld vragenformulier met bijlagen onvoldoende informatie was verstrekt om het af te lossen bedrag goed te kunnen bepalen. In een dergelijke situatie ligt het in de rede eerst aan betrokkenen kenbaar te maken welke aanvullende informatie nog nodig is en, wanneer ook die aanvullende informatie uitblijft, uitdrukkelijk in het besluit op bezwaar te vermelden welke consequenties dat heeft voor de wijze van terugvordering.
BZK 2009/48
|
28-07-2009
De extra kosten (vrijwillige ouderbijdrage) verbonden aan het volgen van tweetalig voortgezet onderwijs kunnen niet worden aangemerkt als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB (gemeente Utrechtse Heuvelrug) De Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten voorziet in een tegemoetkoming aan ouders van leerlingen in de leeftijd tot 18 jaar die voortgezet onderwijs volgen. De hoogte van de tegemoetkoming is genormeerd in ter uitvoering van die wet getroffen ministeriële regelingen. Aan het aanbieden en verzorgen van tweetalig voortgezet onderwijs zijn hogere kosten verbonden, waarvoor de school extra bijdragen heeft gevraagd. Van een noodzaak om deze specifieke vorm van voortgezet onderwijs te volgen is geen sprake.
BZK 2009/45
|
28-07-2009
Op basis van psychologisch onderzoek mag in dit geval geen verplichting sociale activering/vrijwilligerswerk worden opgelegd (gemeente Amsterdam) De aanwijzing van het project waaraan betrokkene moet deelnemen houdt in dit geval een nadere concretisering in van de in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB neergelegde reïntegratieverplichting. Hierbij acht de Raad vooral van betekenis dat betrokkene is aangemeld voor een concreet omschreven project, zoals aangeboden en ingevuld door het betrokken projectbureau. Deze mededeling moet worden gezien als een besluit met rechtsgevolg.
In de rapportage van het psychologisch onderzoek wordt zonder voorbehoud geconcludeerd dat betrokkene niet belastbaar is voor een traject sociale activering. Aangezien uit het primaire besluit duidelijk blijkt dat het project waarvoor betrokkene is aangemeld gericht is op sociale activering, ziet de Raad geen reden om aan te nemen dat zij wel belastbaar moet worden geacht voor het project. De opmerking in de rapportage dat betrokkene eventueel meer structuur in haar leven zou kunnen krijgen door een paar uur per dag vrijwilligerswerk te verrichten doet niet aan de stellige conclusie van de rapportage af. Bestreden besluit vernietigd aangezien de nadelige gevolgen voor betrokkene niet onevenredig mogen zijn.
BZK 2009/52
|
21-07-2009
Het stellen van vragen aan de deur is geen huisbezoek. De weergave van de eigen verklaring schiet tekort in duidelijkheid en betrouwbaarheid (gemeente Den Haag) Niet is gebleken dat de woning is binnengetreden. In zoverre kan geen sprake zijn van schending van het huisrecht. Het stellen van vragen aan de deur omtrent de feitelijke bewoning en het registreren van antwoorden daarop van degene die op aanbellen opendoet, is geen huisbezoek. Reeds daarom kan de aldus verkregen informatie niet gelden als verkregen door schending van artikel 8 EVRM.
Naar vaste rechtspraak van de Raad kan aan het ontbreken van de cautie slechts worden voorbijgezien indien voor het afleggen van het huisbezoek een redelijke grond aanwezig was, zoals in dit geval.
De van betrokkene opgenomen verklaring is opgenomen in de tijdens het huisbezoek ingevulde checklist huisbezoeken. Deze checklist is op geen enkele plaats door de betrokken ambtenaren ondertekend. Mede daardoor is ook niet duidelijk wie van de betrokken ambtenaren de verklaring heeft opgeschreven.
De getypte versie van de eigen verklaring wijkt af van de handgeschreven versie. De wijze van schriftelijk weergeven van de verklaring schiet tekort in duidelijkheid en betrouwbaarheid, bijvoorbeeld afgezet tegenover een verklaring die in een verhoor- of spreekkamer is opgenomen, is uitgetypt en vervolgens door betrokkene is gelezen en ondertekend. Het college heeft door de wijze waarop de verklaring van betrokkene is opgenomen en weergegeven, gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die van een bestuursorgaan verwacht mag worden bij het onderzoek naar de relevante feiten en omstandigheden. Hoger beroep gegrond verklaard.
BZK 2009/44
|
21-07-2009
Betrokkene heeft na het overlijden van haar vader berust in de feitelijke verdeling ten gunste van haar moeder. Zij verkeerde na twintig jaar niet in de positie dat zij alsnog scheiding en deling van de onverdeelde nalatenschap kon verlangen om over haar aandeel te beschikken. De bijstand is ten onrechte ingetrokken en teruggevorderd (gemeente Groningen) Betrokkene is met broer en zus wegens overlijden van haar vader erfgenaam in een nalatenschap, welke bestond uit de onverdeelde helft in een gemeenschap van goederen. Het zuiver saldo van de nalatenschap bedroeg ƒ 3.523,-- negatief. Door het overlijden werden de moeder en de kinderen van rechtswege gezamenlijk gerechtigd tot de activa van de onverdeeldheid, waaronder vier panden. De kadastrale registratie is hiermee in overeenstemming.
De moeder heeft alle activa van de onverdeeldheid tot zich genomen en alle daartoe behorende schulden en lasten voor haar rekening genomen en als de hare voldaan. De kinderen hebben hierin steeds berust omdat sprake was van een negatief saldo en ook om hun moeder in staat te stellen in haar levensonderhoud te blijven voorzien.
Nu zowel de moeder als de kinderen zich na het overlijden van de vader steeds, onderling overeenstemmend, hebben gedragen alsof alle activa en passiva aan de moeder waren toebedeeld - hetgeen alleen niet in de kadastrale registratie is geformaliseerd - kan niet gesteld worden dat betrokkene ruim twintig jaar later, toen zij bijstand aanvroeg, in de positie verkeerde dat zij scheiding en deling van de onverdeelde nalatenschap kon verlangen om zodoende over haar aandeel te kunnen beschikken.
Dit betekent dat betrokkene in dit specifieke geval ten tijde in geding niet geacht kon worden te beschikken of redelijkerwijs te kunnen beschikken over middelen gebonden in de vier panden. Hetgeen intrekking en terugvordering in de weg staat.
BZK 2009/46
|
20-07-2009
De wet biedt voldoende grondslag voor het verrichten van een buurtonderzoek in het kader van de opsporing van bijstandsfraude, voor zover door dit onderzoek een beperkte inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer. Dit ligt anders voor verdergaande inbreuken daarop (Openbaar Ministerie Amsterdam) Deze verdachte wordt beschuldigd van bijstandsfraude, omdat hij zou hebben verzwegen dat hij in werkelijkheid op een ander adres woonde dan het adres dat hij bij de Sociale Dienst had opgegeven als zijn verblijfadres. In het voorbereidend onderzoek heeft een sociaal rechercheur van de gemeente Amsterdam een buurtonderzoek uitgevoerd.
De advocaat van de verdachte heeft aangevoerd dat dit buurtonderzoek onrechtmatig zou zijn. Hij heeft verwezen naar een mondelinge uitspraak van de Politierechter Amsterdam van 22 mei 2009, waarin is bepaald dat het buurtonderzoek in strijd is met de wet. [Vgl. Persbericht Bijstandsbond: sensationele uitspraak rechter. Buurtonderzoek handhavers bij onderzoek naar fraude en bij huisbezoeken onrechtmatig]. Ook heeft hij verwezen naar het wetsvoorstel regeling huisbezoek (nr. 31929).
De meervoudige kamer van de rechtbank ziet dit anders. Feitelijk komt een buurtonderzoek neer op het horen van getuigen. De wet verleent sociaal rechercheurs wél de bevoegdheid om in het kader van het opsporen van mogelijke bijstandsfraude getuigen te horen. Ook de staatssecretaris SZW ziet volgens de beantwoording d.d. 15 juni 2009 van vragen uit de Tweede Kamer een wettelijke grondslag. Dit in afwijking van het nader rapport d.d. 14 april 2009 inzake het wetsvoorstel regeling huisbezoek (nr. 31929).
Het is vaste rechtspraak dat op basis van de algemene opsporingsbevoegdheid ook opsporingshandelingen mogen worden verricht die slechts een beperkte inbreuk maken op de privacy van de verdachte. In zoverre biedt de wet voldoende basis voor het verrichten van een buurtonderzoek, mits een niet meer dan beperkte inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer.
Dit kan anders zijn indien het buurtonderzoek een meer dan beperkte inbreuk maakt op de privacy van de verdachte. In dat geval vereist het systeem van EVRM en Sv. dat er in de wet een specifieke wettelijke basis is vastgelegd, die het uitvoeren van een buurtonderzoek mogelijk maakt. De nationale wetgeving ontbeert een specifieke wettelijke grondslag voor het uitvoeren van een buurtonderzoek.
De grens van de beperkte inbreuk wordt in elk geval overschreden indien het inwinnen van informatie in het buurtonderzoek een stelselmatig karakter draagt en/of indien daarmee anderszins een min of meer volledig beeld wordt verkregen van bepaalde aspecten van het privéleven. Bedoelde grens is in dit geval niet overschreden. De bevindingen uit het buurtonderzoek mogen worden gebruikt voor het bewijs.
Geldboete van 200 euro opgelegd wegens het plegen van bijstandsfraude.
BZK 2009/42
|
14-07-2009
Hoe betrokkene zijn leefgedrag ten aanzien van voedselvoorziening, hygiëne en vrijetijdsbesteding heeft ingericht, en wiens hulp en diensten hij daarbij inroept, is op zichzelf niet van doorslaggevend belang voor de vraag of hij op het opgegeven adres woont (gemeente Tilburg) Betrokkene heeft bij zijn aanvraag een huurovereenkomst en kwitanties van huurbetalingen overgelegd. Voorts blijkt uit zijn financiële administratie dat hij op het opgegeven adres zijn bankafschriften en de correspondentie van de UWV ontving, en dat dit adres bij zijn werkgevers als woonadres bekend was. Ook voor het College bleek hij op dit adres vrijwel onmiddellijk schriftelijk bereikbaar. Bij het gesprek voorafgaande aan het huisbezoek beschikte hij over de sleutels van voor- en kamerdeur van de woning. Met deze sleutels verschafte hij zich ook toegang. Bij het huisbezoek bleek de kamer van betrokkene gemeubileerd. Er bleek enige kleding aanwezig, scheerspullen en een tandenborstel, alsmede een fles water en sinas in de koelkast, en een pak biscuitjes boven op de koelkast.
Betrokkene heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij ten tijde in geding zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres.
BZK 2009/39
|
14-07-2009
De beleidsregel om bijzondere bijstand in natura te verstrekken via de firma Doorman (huishoudelijke apparatuur) is in strijd met de wet (gemeente Nijmegen) De beleidsregel op grond waarvan het toegekende geldbedrag in alle gevallen rechtstreeks wordt betaald aan één door de gemeente geselecteerde leverancier die betrokkene vervolgens voorziet van de toegekende duurzame gebruiksgoederen, leidt tot een situatie die op één lijn moet worden gesteld met het verstrekken van bijstand in natura, bedoeld in artikel 57, aanhef en onder b, van de WWB. In dit verband verwijst de rechtbank naar de geschiedenis van totstandkoming. Hieruit volgt dat een situatie waarbij de bijstand zelf in de vorm van een geldbedrag wordt toegekend en aan dat geldbedrag een bepaalde bestedingsverplichting wordt verbonden, een afgeleide vorm van bijstand in natura is. De rechtbank acht de handelwijze van de gemeente in strijd met de wet. BZK 2009/40
|
07-07-2009
Van geen van de drie aangeboden vacatures kan worden gezegd dat sprake is geweest van bemiddeling naar een concrete dienstbetrekking. Deze maatregel is niet terecht opgelegd (gemeente Leiden) Betrokkene is aangemerkt als arbeidsgehandicapte in de zin van de Wet op de (re-)integratie arbeidsgehandicapten, waarbij is vastgesteld dat zij is aangewezen op licht belastend werk voor maximaal 6 uur per dag en 30 uur per week. Omdat zij niet heeft meegewerkt aan bemiddeling naar drie daadwerkelijk beschikbare en voor betrokkene geschikte functies is een maatregel opgelegd.
Uit de beschikbare gegevens heeft de Raad echter niet kunnen afleiden dat er sprake is geweest van (enige) bemiddeling door het reïntegratiebedrijf Serin. Het louter aanbieden van een vacature, zonder verdere op bemiddeling gerichte activiteiten te verrichten, kan niet worden gekwalificeerd als “bemiddelen” als bedoeld in de Maatregelenverordening, zodat de verordening toepassing mist. Maatregel herroepen.
BZK 2009/38
|
07-07-2009
Uit een oogpunt van een evenwichtige bewijslastverdeling en gelet op de beschikbare onderzoeksmogelijkheden van het bestuursorgaan ligt het op de weg van de gemeente om in het kader van het onderzoek naar een belastingsignaal bij het uitzendbureau als werkgever naast de loongegevens ook de naam van de inlener op te vragen (gemeente Den Helder) De Raad stelt voorop dat het hier gaat om de herziening van een besluit tot toekenning van bijstand, een voor appellante belastend besluit. Dit brengt mee dat het aan het College van Den Helder is om de nodige kennis te vergaren over relevante feiten en omstandigheden en dat op het college de bewijslast rust ten aanzien van de vraag of is voldaan aan de voorwaarden om tot herziening over te gaan.
In recente jurisprudentie heeft de Raad tot uitdrukking gebracht dat het uit een oogpunt van een evenwichtige bewijslastverdeling en gelet op de aan het college als bestuursorgaan ter beschikking staande onderzoeksmogelijkheden op de weg van het college ligt om in het kader van het onderzoek naar een belastingsignaal bij het uitzendbureau als werkgever naast de loongegevens ook de naam van de inlener op te vragen. Op grond van een en ander is de Raad met betrokkene van oordeel dat het college te kort geschoten in de voldoening aan de op hem rustende onderzoeksplicht.
BZK 2009/43
|
07-07-2009
De zeer dringende redenen kunnen in dit geval van een vreemdeling niet volgens artikel 16, tweede lid, WWB, buiten toepassing worden gelaten wegens strijd met artikel 8 EVRM (gemeente Apeldoorn) In dit geval bestaat een redelijke mate van waarschijnlijkheid dat in de bodemzaak de Raad zal oordelen, dat betrokkene (afkomstig uit Turkije en staatloos) verkeert in een acute noodsituatie. De behoeftige omstandigheden waarin hij verkeert zijn op geen enkele ander wijze dan door verlening van bijstand te verhelpen, zodat sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB.
De weigering van bijstand heeft in de gegeven omstandigheden tot effect dat de normale ontwikkeling van het privé- en gezinsleven van betrokkene onmogelijk wordt gemaakt (vgl. het arrest van het EHRM van 3 mei 2001, in de zaak Domenech Pardo vs Spanje, nr. 55996/00). Sprake is van een zodanige aantasting van de "very essence" van artikel 8 EVRM, dat dit zou moeten leiden tot de positieve verplichting van de Staat om bijstand te verlenen. Het in stand laten van de afwijzing van bijstand zou tot gevolg hebben dat geen sprake is van een "fair balance" tussen de met het koppelingsbeginsel nagestreefde publieke belangen en de particuliere belangen van betrokkene.
Er bestaat een redelijke mate van waarschijnlijkheid dat de Raad artikel 16, tweede lid, van de WWB in de hier aan de orde zijnde bodemzaak wegens strijd met artikel 8 EVRM buiten toepassing zal moeten laten. Voorlopige voorziening getroffen.
BZK 2009/55
|
30-06-2009
Bij de afwijzing is ten onrechte rekening gehouden met het inkomen van de inwonende meerderjarige zoon (gemeente Arnhem) Volgens de gemeente moet voor de beoordeling van de vraag of het inkomen van betrokkene hoger is geweest dan de bijstandsnorm de inkomsten van zijn meerderjarige zoon mede in aanmerking worden genomen. Dit standpunt vindt echter geen steun in de wet. Tot het inkomen in de zin van artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB dient te worden gerekend het netto-inkomen zoals dat feitelijk is ontvangen, plus een eventuele vakantietoeslag ter zake van dat inkomen. Daarbij gaat het om het inkomen van de persoon van de aanvrager. Naar het oordeel van de Raad is het in strijd met artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB om de inkomsten van de meerderjarige zoon te rekenen tot het inkomen van betrokkene. Ook de verstrekking van bijzondere bijstand (als garantietoeslag) staat de langdurigheidstoeslag niet in de weg. BZK 2009/37
|
25-06-2009
In de kosten van onderbewindstelling wordt bijzondere bijstand verleend (gemeente Weststellingwerf) Vaststaat dat de bewindvoerder de onderhavige kosten van bewindvoering heeft berekend overeenkomstig de aanbevelingen van het LOK. Aangenomen moet worden dat die kosten rechtens juist en aanvaardbaar (zullen) zijn. Hieruit volgt dat deze kosten uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan zijn.
Nu het college de inkomens- en vermogenspositie van betrokkene niet heeft weersproken en ook anderszins niet is gebleken dat hij de kosten van de bewindvoering kon betalen, stelt de rechtbank vast dat betrokkene niet beschikte over middelen om deze kosten te voldoen.
Het enkele feit dat de bewindvoerder de kantonrechter had kunnen verzoeken om de beloning anders vast te stellen brengt niet mee dat de kosten van de bewindvoering niet als noodzakelijke kosten in de zin van de WWB kunnen worden beschouwd.
BZK 2009/35
|
16-06-2009
Bij de draagkrachtberekening mag rekening worden gehouden met inmiddels gevormde waardestijging op de woning wegens het actualiteitsbeginsel van de WWB (gemeente Zutphen) Anders dan betrokkene is de Raad van oordeel dat de waardevermeerdering van een woning niet op een lijn kan worden gesteld met buiten beschouwing te laten spaargeld, opgebouwd tijdens de periode waarin bijstand wordt ontvangen, als bedoeld in artikel 34, tweede lid, aanhef en onder c, van de WWB.
Anders dan betrokkene is de Raad van oordeel dat verdere bezwaring van de woning teneinde de kosten waarvoor bijzondere bijstand is gevraagd te voldoen, in redelijkheid van hem kon worden gevergd. De Raad wijst in dit verband op het uitgangspunt van de WWB dat een ieder primair zelf verantwoordelijk is voor de voorziening in het bestaan en op het complementaire karakter van de bijstand.
Aan de WWB ligt ook het zogeheten actualiteitsbeginsel ten grondslag. Dit beginsel leidt er toe dat bij de toepassing van de WWB geen rekening wordt gehouden met wat er in de toekomst zou kunnen gebeuren in geval van een eventuele waardedaling van de woning tot beneden 75% van de executiewaarde. Het betekent eveneens dat in het kader van de beoordeling of verdere bezwaring redelijkerwijs van betrokkene kon worden gevergd geen gewicht toekomt aan zijn wens de overwaarde aan te wenden als een aanvulling op zijn toekomstige oudedagsvoorziening. Of na het draagkrachtjaar kosten wegens noodzakelijk groot onderhoud van de woning moeten worden gemaakt is in het kader van deze beoordeling evenmin relevant.
Er is geen wettelijke bepaling aan te wijzen die er aan in de weg staat om ook de draagkracht uit vermogen als in artikel 35 van de WWB bedoeld van jaar tot jaar vast te stellen. De Raad wijst er op dat toetsing aan artikel 50 van de WWB niet alleen plaatsvindt bij een eerste beoordeling van de aanspraak op bijstand van een belanghebbende die eigenaar is van een door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning. Die toets kan opnieuw worden gedaan indien, zoals in dit geval, opnieuw bijzondere bijstand wordt gevraagd in aansluiting op een eerdere, in tijd beperkte, periode waarover bijzondere bijstand is verleend.
BZK 2009/33
|
09-06-2009
Omdat betrokkene zich niet heeft aangesloten bij een collectieve ziektekostenverzekering komt hij niet in aanmerking voor categoriale bijstand. In deze situatie behoren de kosten van de individuele aanvullende verzekering niet tot de algemene bestaanskosten (ISD Walcheren) Aan artikel 10, tweede lid, van de IWWB kan betrokkene geen aanspraak op categoriale bijstand ontlenen, nu hij zich niet heeft aangesloten bij een collectieve aanvullende ziektekostenverzekering. Nu hij zich individueel heeft verzekerd, voldoet hij niet aan de in artikel 10, tweede lid, van de IWWB, gestelde voorwaarde dat sprake moet zijn van een collectieve verzekering.
Ten onrechte is niet onderzocht heeft of betrokkene recht heeft op bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB in de kosten van zijn individuele aanvullende ziektekostenverzekering.
Bij het nieuwe te nemen besluit op bezwaar zal de gemeente mede aandacht moeten besteden aan de vraag of van betrokkene, gezien de polisvoorwaarden en het risico van uitsluiting, kan worden gevergd dat hij zijn eigen verzekering opzegt en zich aansluit bij de collectieve verzekering van de gemeente.
Met het feit dat in de vorm van een collectieve aanvullende ziektekostenverzekering categoriale bijstand kan worden verleend, is gegeven dat de kosten van een (individuele) aanvullende ziektekostenverzekering niet behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan.
BZK 2009/34
|
04-06-2009
Bijzondere omstandigheden. Toelating tot WSNP is mede afhankelijk van het feit of recentelijk nieuwe schulden zijn gemaakt (gemeente Amsterdam) De gemeente heeft leenbijstand verstrekt overeenkomstig www.werkvoorschriftenwwb.nl. Het enkele bestaan van een hoge schuldenlast brengt als regel niet mee dat de bijstand om niet moet worden verleend. Betrokkene heeft echter een contract schuldhulpverlening overgelegd (Stichting Doras te Amsterdam) waaruit blijkt dat zij geen nieuwe schulden mag maken in het kader van een WSNP-traject.
De gemeente heeft onvoldoende gemotiveerd waarom zich geen bijzondere omstandigheden voordoen die hadden moeten leiden tot bijstandsverlening om niet. Hierbij neemt de rechtbank nog in aanmerking dat blijkens het bestreden besluit onder meer het bestaan van de hoge schuldenlast reden is geweest om de bijzondere bijstand te verstrekken.
BZK 2009/36
|
02-06-2009
Volgens een deskundigenrapport, in afwijking van het CIZ, is aannemelijk dat betrokkene in een psychiatrisch ernstige toestand komt waar door zorg van een instelling noodzakelijk is. De zorgbehoefte volgens art. 3, tweede lid, WWB is voldoende aangetoond (gemeente Haarlemmermeer) Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit de rapportage van de deskundige en uit diens antwoorden op de gestelde vragen, dat bij betrokkene sprake is van objectief aangetoonde psychiatrische problematiek.
Anders dan de indicatiesteller van het CIZ aangeeft, is de voorzieningenrechter voorts van oordeel dat het in het specifieke geval van eiseres niet strijdig is met de wijze waarop in de regel zorgbehoefte wordt geïndiceerd, door in haar geval bij deze indicatie uit te gaan van een hypothetische situatie. Wat zal er gebeuren als betrokkene alleen komt te staan ? Uit de rapportage van de deskundige blijkt, en de indicatiesteller van het CIZ onderschrijft dit, zal vanuit het beperkte copingsmechanisme van betrokkene en haar voorgeschiedenis zich een dusdanige dynamiek gaan ontwikkelen, dat zij in een psychiatrisch ernstige toestand komt die dusdanig is, dat zorgbehoefte van een instelling noodzakelijk is. Dit duidt erop dat er ook nu sprake is van een zorgbehoefte, waarin op dit moment de zuster van betrokkene voorziet.
BZK 2009/32
|
20-05-2009
Betrokkene voldoet niet aan de werkinstructie voor een uitstroompremie. Aangezien de werkinstructie niet past in de beleidsregels van de raad is de afwijzing onvoldoende gemotiveerd (gemeente Heerlen) Deze gemeente heeft voor de vaststelling van uitstroompremie regels vastgesteld in de Reintegratieverordening, beleidsregels en een werkinstructie. De uitstroom moet wel duurzaam zijn, daarom is besloten om de premie toe te kennen als de cliënt binnen 6 maanden na werkaanvaarding geen nieuw beroep op de bijstand doet. Hieraan voldoet betrokkene niet.
Het college heeft met zijn werkinstructie de door de gemeenteraad vastgestelde beleidsregels ingeperkt. Deze werkinstructie is ook niet gepubliceerd. Hierbij merkt de rechtbank op dat ook al was de werkinstructie wel gepubliceerd, zulks niet afdoet aan het feit dat het college niet met voorbijgaan van de gemeenteraad de door de raad vastgestelde beleidsregels verder kan inperken. De afwijzing is niet toereikend gemotiveerd.
BZK 2009/30
|
20-05-2009
De gemeente heeft zijn terugvorderingsbevoegdheid (wegens een verzwegen gezamenlijke huishouding) niet op zorgvuldige wijze voorbereid en onvoldoende gemotiveerd (gemeente Oldambt)
De gemeente heeft zich niet zonder meer op het standpunt kunnen stellen, mede in het licht van de verklaring van de huisarts waaruit kan worden afgeleid dat van de medische situatie van betrokkene verslechtert onder invloed van de financiële problemen, dat er geen causaal verband bestaat tussen de medische- en de financiële situatie van betrokkene.
Bovendien acht de rechtbank het - gelet op het ziektebeeld - aannemelijk dat de medische situatie van betrokkene in de toekomst alleen maar zal verslechteren, zodat ook om die reden van een uitzichtloze situatie gesproken zou kunnen worden.
De gemeente heeft zich dan ook onvoldoende een oordeel gevormd over de vraag of, bezien in het licht van de ziekte van betrokkene en zijn financiële situatie, sprake is van een uitzichtloze situatie die dermate ingrijpend is, dat van terugvordering dient te worden afgezien. Daaraan doet niet af dat de diagnose preseniele dementie nog niet gesteld was in de periode waarover terugvordering plaatsvindt.
BZK 2009/31
|
19-05-2009
Intrekking en terugvordering (wegens een verzwegen gezamenlijke huishouding) houdt geen strafrechtelijke procedure in, zodat de beschermende werking van artikel 6 EVRM zich niet tot betrokkene uitstrekt (gemeente Stadskanaal) De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat, als uitvloeisel van de arresten van het Europees Hof, de verklaring die betrokkene ten overstaan van de sociaal rechercheurs heeft afgelegd niet als ondersteuning voor de besluitvorming van het College gebruikt zou kunnen worden omdat niet vanaf de aanvang van het onderzoek een raadsman aanwezig is geweest.
Nog daargelaten of een dergelijk recht in die vorm zonder meer voortvloeit uit de genoemde arresten, wijst de Raad erop dat het in een zaak als de onderhavige, waarin intrekking en terugvordering van bijstand aan de orde is, niet gaat om een strafrechtelijke procedure, zodat de beschermende werking van artikel 6, derde lid, van het EVRM zich niet tot appellante uitstrekt.
Voor zover het betoog erop neerkomt dat vanwege schending van artikel 6, derde lid, van het EVRM in de strafrechtelijke procedure, het mede daardoor verkregen bewijs niet door het College in de onderhavige procedure kan worden benut, wijst de Raad op zijn vaste rechtspraak inzake onrechtmatige overheidsdaad. Er is geen sprake van dat de hier gehanteerde verklaring op een dergelijke wijze is verkregen. BZK 2009/29
|
12-05-2009
Gelet op de problematische gezinssituatie had de ontheffing van de arbeidsverplichting tijdelijk moeten worden gecontinueerd (gemeente Amsterdam) Onder deze omstandigheden getuigt het van weinig realiteitszin om betrokkene een arbeidsverplichting, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, WWB, op te leggen van 16 uur per week. Het standpunt dat de arbeidsplicht van betrokkene, zolang zij de intensieve taalcursus volgt, slechts latent aanwezig is, kan de Raad niet volgen.
Het College had in dit geval de ontheffing van die verplichtingen tijdelijk moeten continueren en zich vooralsnog - hooguit - moeten beperken tot het opleggen van de verplichting om gebruik te maken van de op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB aangeboden voorziening in de vorm van het volgen van een taalcursus, voor zover de thuissituatie dit redelijkerwijs toeliet.
BZK 2009/27
|
12-05-2009
Het normbedrag aan bijstand mag als gevolg van de schoolverlaterskorting niet lager uitkomen dan het normbedrag voor de uitwonende student beroepsonderwijs op grond van de WSF 2000 (gemeente Arnhem) In de wetsgeschiedenis op artikel 28 WWB is vermeld dat de invloed van inkomsten naast de studiefinanciering van de belanghebbende in het kader van de schoolverlaterkorting geen rol speelt. Het toepassen van de schoolverlaterkorting leidt er in dit geval echter toe dat het bedrag aan bijstand, dat aan betrokkene per maand is toegekend, lager is dan de norm die hij als uitwonende student beroepsonderwijs op grond van de WSF 2000 ontving. De Raad is van oordeel dat deze situatie niet een situatie is als bedoeld in de wetsgeschiedenis.
Van een dergelijke verlaging van de norm kan niet worden gezegd dat deze nog aansluit bij noodzakelijke bestaanskosten van betrokkene. Het had dan ook op de weg van het College gelegen om in het onderhavige geval, met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de WWB, de bijstand vast te stellen naar de norm voor een uitwonende student beroepsonderwijs.
BZK 2009/28
|
29-04-2009
Bij de bevoegdheid tot intrekking (artikel 54 WWB) hoort een beoordeling om van intrekking met terugwerkende kracht af te zien op grond van een individuele afweging van feiten en omstandigheden (gemeente Sluis) De Raad heeft overwogen dat voor het ontstaan van de bevoegdheid om het toekenningsbesluit in te trekken voldoende is de feitelijke vaststelling dat betrokkene met ingang van die datum geen woonplaats meer had in de gemeente.
Voor die vaststelling zijn de achtergronden van haar vertrek niet relevant. Die achtergronden zijn echter wel degelijk relevant voor de beoordeling of er in redelijkheid ook van die bevoegdheid gebruik kan worden gemaakt of dat er sprake is van een dringende reden om af te zien van herziening of intrekking.
BZK 2009/26
|
28-04-2009
Uitsluitend voor een te lange bezwaarfase, zonder beroep op de rechter, is de gemeente volgens artikel 6 EVRM niet schadeplichtig (gemeente Sittard-Geleen) Artikel 6 EVRM heeft betrekking op de behandeling binnen een redelijke termijn door de rechter, en niet door het bestuursorgaan.
Zoals de Raad heeft overwogen in CRvB 26 januari 2009 nr. 05/1789 WAO, LJN BH1009, is daarbij van belang dat de bezwaarfase een in beginsel verplichte procedure is voor de behandeling van een tussen partijen bestaand geschil, die moet worden gevolgd alvorens de belanghebbende dit geschil aan de rechter kan voorleggen. Op deze grond wordt een bestuursorgaan in voorkomende gevallen veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens zijn aandeel (als gevolg van een te lange behandelingsduur in de bezwaarfase) in de overschrijding van de redelijke termijn in de procedure als geheel.
Aan artikel 6 van het EVRM kan geen aanspraak op schadevergoeding worden ontleend in de situatie dat sprake is van een (te) lange behandelingsduur in de bezwaarfase, zonder dat het geschil daarna aan de rechter is voorgelegd.
BZK 2009/24
|
28-04-2009
Gelet op de feitelijke omstandigheden dient het college uit te gaan van de noodzakelijkheid van de gemaakte kosten van griffierecht (gemeente Renkum) Volgens vaste rechtspraak kan de noodzaak voor het maken van kosten van griffierecht in beginsel worden aangenomen indien krachtens toevoeging rechtsbijstand is verleend. Indien - zoals in dit geval- van een toevoeging geen sprake is, dient het bijstandsverlenend orgaan zich aan de hand van de zich in concreto voordoende omstandigheden zelfstandig een oordeel te vormen over de noodzaak van de gevoerde procedure. BZK 2009/25
|
21-04-2009
Anders dan voorheen moet de gemeente bij terugvordering wegens oververmogen uit oogpunt van een redelijke beleidsbepaling rekening houden met het evenredigheidsbeginsel, hetgeen aanleiding kan zijn voor matiging (gemeente Rijswijk) Deze overleden oma heeft gespaard voor haar kleinkinderen. Betrokkene verzweeg over de bijstandsperiode 1997/2005 de en/of rekening van haar moeder met een oververmogen van Euro 578. De gemeente vorderde over de bijstandsperiode Euro 79.804 terug. Bevestigd wordt door de Raad de vaste jurisprudentie inzake tenaamstelling bankrekening volgens de vermogenstoets WWB. Aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan.
Ten aanzien van terugvordering bij vermogen boven de toepasselijke vrijlatingsgrens is door het College van de gemeente Rijswijk geen specifiek beleid ontwikkeld of geformuleerd. Dit betekent dat hantering van het terugvorderingsbeleid bij vermogen boven de vrijlatingsgrens tot uitkomsten kan leiden die voor de betrokkene(n) onevenredig zijn in verhouding tot het doel dat kennelijk met dat beleid wordt beoogd, te weten: het ongedaan maken van de financiële gevolgen van inlichtingenverzuim of van het niet of niet juist verwerken van eerder wel verstrekte gegevens. Daarvan zal in situaties van inlichtingenverzuim sprake zijn indien de betrokkene aannemelijk maakt dat over (een gedeelte van) de periode van de terugvordering wel bijstand zou zijn verleend wanneer de door hem voor het verlenen of voortzetten van de bijstand van belang zijnde inlichtingen juist en volledig waren geweest. In situaties van het niet of niet juist verwerken van wel verstrekte gegevens zal daarvan sprake zijn indien aannemelijk is dat over (een gedeelte van) de periode van de terugvordering wel bijstand zou zijn verleend wanneer die gegevens correct zouden zijn verwerkt.
Anders dan voorheen meent de Raad dat een beleid, zoals door het College gevoerd, dat - buiten de twee wel in de beleidsregels genoemde uitzonderingssituaties - niet ook voor beide laatstgenoemde situaties voorziet in een uitzondering op het uitgangspunt van volledige terugvordering van kosten van bijstand, de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten gaat.
Voor de goede orde merkt de Raad nog op dat wanneer beleidsregels ter zake van terugvordering (nog) niet voorzien in dergelijke nuanceringen dit slechts relevant is voor gevallen waarin terugvordering van bijstand is gebaseerd op overschrijding van de vermogensgrens en dat toetsing van de rechtmatigheid van dergelijke beleidsregels als zodanig zal moeten plaatsvinden indien, zoals in dit geval, de beroepsgronden daartoe aanleiding geven. Bestaat daartoe geen aanleiding en is aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB voldaan, dan kan de bestuursrechter volstaan met de toets of overeenkomstig de beleidsregels is gehandeld alsmede of in hetgeen is aangevoerd bijzondere omstandigheden zijn gelegen die het College tot afwijking daarvan ten gunste van belanghebbende hadden behoren te leiden.
BZK 2009/18
|
07-04-2009
Hoewel het in dit geval een belastingsignaal betreft waarop de gemeente in principe mag afgaan, is in deze uitzendsituatie sprake van tegenstrijdigheden die de gemeente aanvullend had moeten onderzoeken (gemeente Den Haag) Na de ontvangst van een belastingsignaal en op basis van summiere gegevens van het uitzendbureau had de gemeente meer loongegevens alsmede - nu het een uitzendsituatie betreft - de naam van de inlener(s) moeten opvragen en zo nodig een ander gegevensbestand, zoals het Suwinet, behoren te raadplegen. Door dit na te laten is de gemeente tekort geschoten in de onderzoeksplicht. BZK 2009/23
|
01-04-2009
Nu het contract is beëindigd wegens de economische crisis is er geen reden tot afstemming (gemeente Terneuzen) Aan deze maatregel heeft de gemeente ten grondslag gelegd dat betrokkene niet-verzekeringsplichtige werkzaamheden heeft aanvaard in Engeland en dat zij, door deze werkzaamheden langer dan anderhalf jaar uit te voeren, haar werknemerschap in de zin van de Werkloosheidswet (WW) heeft verloren. Hierdoor heeft betrokkene haar aanspraken op een WW-uitkering, volgens de gemeente voor de duur van dertig maanden, niet geldend kunnen maken.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het contract is beëindigd wegens omstandigheden, voortvloeiend uit de huidige economische crisis. Niet uitgesloten moet worden geacht dat betrokkene thans nog in Engeland werkzaam zou zijn indien voormelde omstandigheden zich niet zouden voordoen. Niet kan worden gezegd dat betrokkene op onverantwoorde wijze haar rechten op een voorliggende voorziening, in dit geval een WW-uitkering, heeft verspeeld. Voorlopige voorziening getroffen.
BZK 2009/41
|
24-03-2009
De onderzoeksplicht volgens de WWB draagt de gemeente op een individuele afweging te maken inzake de arbeidsinschakeling, de zorgplicht van de alleenstaande ouder en andere factoren. Deze beleidsregels geven daartoe onvoldoende ruimte (gemeente Amsterdam) Voor zover in de Beleidsregels is neergelegd dat alleenstaande ouders, los van hun zorgwens, altijd vier (bij kinderen tot 5 jaar) danwel acht (bij kinderen tussen 5 en 12 jaar) dagdelen beschikbaar dienen te zijn, is volgens de Raad sprake van strijd met het bepaalde in artikel 9, tweede en vierde lid, WWB.
Zowel de afweging die moet worden gemaakt tussen het belang van de arbeidsinschakeling en de invulling die de ouder wenst te geven aan de zorgplicht, als de aan het College opgedragen onderzoeksplicht naar de beschikbaarheid van passende kinderopvang, de toepassing van voldoende scholing en de belastbaarheid van de betrokkene vergt immers een individuele beoordeling, waar de Beleidsregels thans slechts ruimte voor laten voor zover het een beschikbaarheid van méér dan vier respectievelijk acht dagdelen per week betreft.
Hieruit vloeit voort dat de Beleidsregels, voor zover daarin is neergelegd dat men zich altijd een aantal dagdelen per week beschikbaar dient te stellen, onverbindend zijn wegens strijd met artikel 9, tweede en vierde lid, WWB.
BZK 2009/17
|
24-03-2009
Wegens een gelijke mate van onderlinge zorg vormen deze drie personen geen gezamenlijke huishouding, maar kan afstemming wegens gedeelde woonkosten aan de orde zijn (gemeente Groningen) Bevestigd wordt dat zich de situatie kan voordoen dat twee personen - getoetst aan artikel 3 WWB- een gezamenlijke huishouding voeren, óók indien nog een of meer andere personen in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben. Voorwaarde is dan wel dat die twee personen ten opzichte van elkaar blijk geven van een mate van zorg, die niet aanwezig is ten opzichte van de andere persoon of personen die in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben.
Uit de beschikbare gegevens leidt de Raad af dat er tussen deze man, vrouw en zoon sprake is van een min of meer gelijke mate van onderlinge zorg, zodat zij geen gezamenlijke huishouding vormen. Wel kan er aanleiding zijn de bijstand af te stemmen in die zin dat bij de bepaling van de hoogte van de aan partijen te geven toeslag op hun uitkering naar de norm voor een alleenstaande, met bewoning van drie personen op het adres rekening wordt gehouden.
BZK 2009/22
|
19-03-2009
De beleidsregel dat geen bijzondere bijstand wordt verstrekt aan de voormalige alleenstaande ouder is in strijd met de wet (gemeente Heerenveen) Bij een inkomensachteruitgang wegens normwijziging naar een alleenstaande verstrekt de gemeente geen compensatie in de vorm van bijzondere bijstand. Nadrukkelijk wordt in het Handboek WWB gesteld dat het college geen bijzondere bijstand verstrekt ter (gedeeltelijke) compensatie van de inkomensachteruitgang van het gezin van de voormalig alleenstaande ouder. De bijstandsnorm wordt door het college toereikend geacht voor de voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten.
De vraag of dit beleid redelijk is, beantwoordt de rechtbank ontkennend. De rechtbank overweegt dat het beleid, waar het gaat om het niet verstrekken van compensatie van de inkomensachteruitgang van het gezin van de voormalig alleenstaande ouder, in strijd is met het uitgangspunt van de WWB.
BZK 2009/21
|
10-03-2009
Het weigeren van een werkaanbod in de schoonmaaksector heeft terecht geleid tot diverse maatregelen en afstemming wegens recidive (gemeente Rotterdam) De herhaaldelijk opgelegde verlagingen van 100% conform de Afstemmingsverordening zijn, mede gelet op het feit dat betrokkene welhaast stelselmatig haar aangeboden werk weigert, niet onevenredig. Hoewel de Raad aansluit bij de rechtbank met het standpunt dat een dubbele verdubbeling in deze situatie niet houdbaar is.
Aan betrokkene is niet steeds hetzelfde werk aangeboden, maar verschillende banen in de schoonmaaksector. De enkele omstandigheid dat zij talenten heeft op een ander vlak dan schoonmaken brengt niet mee, dat niet van haar gevergd kan worden schoonmaakwerk te accepteren. Betrokkene heeft niet aangetoond dat zij voor de haar aangeboden banen ongeschikt is, ook als rekening gehouden wordt met haar beperkingen wegens een allergie.
BZK 2009/12
|
10-03-2009
Deze maatregel is onvoldoende gemotiveerd, hetgeen een voorlopige voorziening rechtvaardigt (gemeente Alkmaar) Vaststaat dat het primaire besluit inzake afstemming voor de duur van drie maanden met 50% een deugdelijke motivering ontbeert. Uit de stukken kan niet worden opgemaakt, op welke wettelijke grondslag het besluit is gebaseerd.
Aan betrokkene is tegengeworpen dat het reïntegratietraject mede door zijn gedrag geen succes is geworden, hetgeen duidt op het niet nakomen van verplichtingen op grond van artikel 9 van de WWB. In het besluit is tevens gesteld dat zijn gedrag wordt aangemerkt als een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening, als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB. De rapportage van het primair besluit is onduidelijk evenals het feitencomplex.
Nu niet op voorhand kan worden uitgesloten dat de afstemming geen stand zal houden, ziet de voorzieningenrechter aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening d.m.v. schorsing van het primair besluit.
BZK 2009/15
|
10-03-2009
Wegens schending van inlichtingenplicht resp. medewerkingsplicht kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld (gemeente Smallingerland) Door slechts toestemming te verlenen voor het maken van kopieën van bankafschriften van de zakelijke rekening van de onderneming, terwijl op die afschriften de transacties waren afgeplakt en alleen de totaal af- en bijgeboekte bedragen en de saldi zichtbaar waren, heeft betrokkene niet de medewerking verleend die redelijkerwijs nodig was om het inkomen te kunnen vaststellen.
Als gevolg van de schending van de medewerkingsplicht kan niet worden beoordeeld of betrokkene recht had op bijstand, hetgeen intrekking en terugvordering rechtvaardigt.
BZK 2009/20
|
03-03-2009
In deze situatie van oververmogen en na het overmaken van geld aan derden kan geen terugvordering meer plaats vinden, maar wél afstemming wegens ernstig tekortschietend besef van verantwoordelijkheid resp. verstrekking van bijstand als geldlening (gemeente Rotterdam) Wegens verkoop van de woning (boedelscheiding) ontvangt betrokkene een vermogen boven de vermogensgrens, dat zij na enige dagen voor een belangrijk deel overmaakt naar haar broer resp. moeder. De overgelegde schuldbekentenissen acht de Raad onvoldoende overtuigend nu niet met objectieve en verifieerbare gegevens is aangetoond dat en op welke wijze het geld destijds aan betrokkene is overgemaakt en een reële terugbetalingsverplichting ontbreekt. De intrekking van bijstand heeft terecht plaats gevonden.
Nu betrokkene na de betaling aan derden niet meer de beschikkingsmacht had over het vermogen is de terugvordering (artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a WWB) over de periode vanaf het overmaken van het geld niet terecht.
Sprake is van ernstig tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Het staat de gemeente in het kader van de heroverweging in bezwaar vrij om alsnog de bijstand met toepassing van artikel 18, tweede lid, van de WWB tijdelijk te verlagen en/of met toepassing van artikel 48, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB de bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken. Het enkele tijdsverloop vormt daarvoor geen beletsel.
BZK 2009/14
|
03-03-2009
Ondanks de afwijzing van de WW-aanvraag ontbreken bijzondere omstandigheden die terugwerkende kracht rechtvaardigen (gemeente Lelystad) Namens betrokkene is betoogd dat zij met haar melding bij het CWI op 18 juni 2004 (hetgeen heeft geleid tot een WW-aanvraag die enige maanden later is afgewezen) tevens heeft beoogd voor een WWB-uitkering in aanmerking te komen. De Raad volgt betrokkene niet. Naar vaste rechtspraak immers is voor elke specifieke uitkering in beginsel een afzonderlijke aanvraag vereist. De omstandigheid dat de melding bij het CWI van 18 juni 2004 niet is gevolgd door een aanvraag om bijstand, staat dan ook in de weg aan bijstandverlening met ingang van 18 juni 2004.
Als gevolg van haar tijdelijk verblijf in het buitenland heeft betrokkene haar aanvraag om bijstand (na de afwijzing van de WW-aanvraag) niet zo spoedig mogelijk ingediend nadat zij zich op 11 november 2004 bij het CWI voor een aanvraag om bijstand had gemeld, zodat daarmee sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 43, derde lid, WWB (kennelijk artikel 44, derde lid, WWB, red.)
BZK 2009/19
|
24-02-2009
Bevestigd wordt de stelplicht en bewijslast t.a.v. recht op bijstand. Het risico van ontbrekende bewijsstukken is voor rekening van betrokkene (gemeente Rotterdam) Deze katvanger heeft inkomsten resp. money transfers niet gemeld en de inlichtingenplicht geschonden. Betrokkene heeft van de inkomsten uit de money transfers geen deugdelijke administratie of boekhouding bijgehouden. Zij heeft geen verifieerbare gegevens overgelegd waaruit de omvang van de genoten inkomsten blijkt.
Door het schenden van de inlichtingenverplichting en het nalaten een deugdelijke administratie bij te houden heeft betrokkene zelf het risico heeft genomen dat zij achteraf niet meer zou beschikken over bewijsstukken om de hoogte van de inkomsten aan te tonen. De gevolgen daarvan (intrekking, terugvordering) dienen voor rekening van betrokkene te blijven.
BZK 2009/09
|
24-02-2009
Op deze aanvraag om bijzondere bijstand in legeskosten is de schrijnende situatie niet beoordeeld (gemeente Haarlemmermeer) De rechtbank begrijpt het gemeentelijk standpunt aldus, dat volgens het eigen beleid alleen bijzondere bijstand kan worden verleend in geval de voorwaarde van legeskosten de enige voorwaarde is die eraan in de weg staat een verblijfsvergunning te verlenen en dit tot gevolg heeft dat er schrijnende situaties ontstaan. Vanuit die redenering is de gemeente dan ook niet toegekomen aan de afweging of in concreto sprake was van een schrijnende situatie als bedoeld in zijn beleid.
De rechtbank volgt de gemeente niet in deze uitleg van het beleid. In dit geval had de gemeente in het bijzonder aandacht dienen te schenken aan de omstandigheid dat aan de jongste minderjarige dochter wegens medische redenen wel een verblijfsvergunning was verleend, terwijl de overige gezinsleden een verblijfsvergunning werd onthouden. Deze beoordeling van de schrijnendheid heeft niet plaatsgevonden.
BZK 2009/13
|
24-02-2009
De bevoegdheid tot intrekking van de bijstand (artikel 54, vierde lid, WWB) kan in redelijkheid (in het geheel) niet meer worden gebruikt, nadat de termijn van acht weken is verstreken. Dus ook niet voor de eerste acht weken. De intrekking (artikel 54, derde lid, WWB) is onvoldoende onderbouwd, ook omdat door betrokkene aan de gemeente verstrekte gegevens niet meer beschikbaar zijn (gemeente Schiedam) De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat het College van Schiedam alleen voor de periode na ommekomst van de termijn van acht weken als bedoeld in artikel 54, eerste lid, van de WWB niet bevoegd is tot intrekking van de bijstand met toepassing van het vierde lid van dat artikel.
Met verwijzing naar CRvB 6 september 2007 nr. 06/5074 WWB, LJN BB3024, acht de Raad dat oordeel niet juist. Uit die uitspraak moet worden afgeleid dat de bevoegdheid tot intrekking van de bijstand met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB in redelijkheid (in het geheel) niet meer kan worden gebruikt nadat de termijn van acht weken is verstreken, dus ook niet voor de eerste acht weken. Voor de door de rechtbank aangebrachte knip in de bevoegdheidsgrondslag ziet de Raad in artikel 54 van de WWB geen aanknopingspunten. Het besluit op het bezwaarschrift is genomen in strijd is met artikel 3:4, tweede lid, Awb.
Intrekking van de bijstand zou in dit geval derhalve alleen kunnen geschieden met toepassing artikel 54, derde lid, van de WWB, uiteraard indien daarvoor ook inhoudelijk voldoende grondslag is. Onvoldoende staat echter vast dat betrokkene over de gehele relevante periode inkomsten heeft verworven. Hierbij komt mede betekenis toe aan het gegeven dat de aan medewerkers van de gemeente Schiedam afgegeven agenda van betrokkene, waarin hij zijn afspraken met cliënten vermeldde, is zoekgeraakt.
BZK 2009/16
|
17-02-2009
De regels voor terugvordering, van toepassing bij een nalatenschap, gelden ook voor een legaat. Brutering is uitgesloten als de terugvordering geen gevolg is van een verwijtbare gedraging van de betrokkene (gemeente Haarlem) Naar vaste rechtspraak van de Raad ontstaat de aanspraak op een erfdeel - voor de toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB - op het tijdstip van overlijden van de erflater. Er is geen aanleiding om bij de aanspraak op een legaat van een andere peildatum uit te gaan. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de legataris ingevolge artikel 4:117 van het Burgerlijk Wetboek een vorderingsrecht toekomt jegens de gezamenlijke erfgenamen. Dat op dat moment nog niet duidelijk is wat de omvang van het legaat is, maakt dat niet anders.
Het gemeentelijk beleid ten aanzien van brutering gaat de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten, nu daarin niet de mogelijkheid is opgenomen om van brutering af te zien in - andere dan in de beleidsregel genoemde - gevallen dat de brutering geen gevolg is van een verwijtbare gedraging van de betrokkene.
BZK 2009/11
|
03-02-2009
Wanneer een oproep voor onderzoek naar arbeidsmogelijkheden niet wordt opgevolgd is niet de medewerkingsplicht (resp. intrekking) aan de orde, maar wel eventuele afstemming. In dit geval ontbreekt echter verwijtbaarheid (gemeente Weert) Het College heeft na de opschorting aan de intrekking van de bijstand het bepaalde in artikel 54, vierde lid, van de WWB ten grondslag gelegd, hetgeen de Raad niet juist acht. Bij de opgelegde verplichting te verschijnen op enige gesprekken gaat het om een verplichting mee te werken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, aanhef en onder b, van de WWB en niet om het verstrekken van inlichtingen of het verlenen van medewerking als bedoeld in artikel 54, eerste lid, van de WWB.
Dit brengt mee dat bij verwijtbare niet-nakoming van een dergelijke verplichting geen toepassing kan worden gegeven aan artikel 54, vierde lid, van de WWB doch dat een verlaging op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB aangewezen is.
Betrokkene kan niet worden verweten dat zij aan de uitnodigingen voor de gesprekken geen gehoor heeft gegeven. Onvoldoende is komen vast te staan dat deze uitnodigingen haar tijdig hebben bereikt wegens problemen met de postbezorging. Bij gebreke van verwijtbaarheid is er voor verlaging van bijstand volgens artikel 18 WWB geen plaats.
BZK 2009/06
|
27-01-2009
Bij de WTOS bestaat de mogelijkheid, dat in aanvulling op de forfaitaire tegemoetkoming in de schoolkosten voor reiskosten bijzondere bijstand wordt verleend. Het betreft gezinnen in de lage inkomenscategorieën voor wie de feitelijke kosten tengevolge van specifieke omstandigheden sterk afwijken en voor wie deze kosten een te zware belasting vormen (gemeente Woerden)
De WTOS kan voor de kosten waarop de aanvraag ziet (reizen per openbaar vervoer) worden aangemerkt als een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder f, van de WWB. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de WTOS leidt de Raad evenwel af dat de wetgever met de forfaitaire tegemoetkoming in de schoolkosten niet heeft beoogd een aan de bijstand voorliggende voorziening te treffen die, ten aanzien van de kosten waarop de aanvraag van betrokkene ziet, geacht kan worden toereikend en passend te zijn als bedoeld in artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de WWB. BZK 2009/05
|
27-01-2009
Geschil inzake Meerwaardehypotheek Postbank (gemeente Zuidhorn) Het aanvullingsbedrag van € 655,-- dat betrokkene maandelijks van de Postbank ontvangt, moet worden aangemerkt als inkomsten als bedoeld in artikel 31 jo. 32 WWB, waar betrokkene redelijkerwijs over kan beschikken. De Raad wijst daarbij op het periodieke karakter van de uitkering en heeft mede van belang geacht dat volgens informatie van de Postbank met deze uitkering wordt beoogd het inkomen aan te vullen om de maandlasten van de hypotheek te kunnen dragen. Daaraan doet naar het oordeel van de Raad niet af dat de participaties in het Postbank Obligatiefonds op zichzelf een bestanddeel van het vermogen vormen.
Gelet op de verschuldigde rente en de geldende bijstandsnorm had het op de weg van het College gelegen om na te gaan of individuele afstemming als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de WWB in dit geval geboden is. De Raad wijst in dit verband op het woonkostentoeslagbeleid van het College. Door dit na te laten is de bijstand ten onrechte beëindigd.
BZK 2009/10
|
21-01-2009
Als de kosten van budgetbeheer noodzakelijk zijn, worden deze kosten normaliter niet geacht in de bijstandsnorm te zijn verdisconteerd. Kosten van vrijwillig budgetbeheer, mits noodzakelijk, zijn op één lijn zijn te stellen met kosten van beschermingsbewind. Bijzondere bijstand toegekend (gemeente Venlo) Gelet op het algemene toetsingskader voor de beoordeling van bijzondere bijstand heeft de gemeente de aanvraag voor vrijwillige deelname aan budgetbeheer onvoldoende onderzocht. In een ambtelijke notitie zijn criteria voor vrijwillig budgetbeheer/begeleiding opgesomd. Hiermee geeft de gemeente een beperkte invulling aan bedoeld toetsingskader. De rechtbank somt op welke aanvullende elementen van het onderzoek moeten worden beoordeeld. Vrijwillig budgetbeheer is op één lijn te stellen met beschermingsbewind. De noodzaak tot budgetbeheer en begeleiding is in dit geval aannemelijk, hetgeen de toekenning van bijzondere bijstand rechtvaardigt. BZK 2009/08
|
14-01-2009
Nu op basis van medewerking aan het huisbezoek twijfel omtrent het woonadres is weggenomen, bestond er in dit geval geen redelijke grond om toegang tot de slaapkamer te verlangen (gemeente Amsterdam) Het niet-reageren op oproepen levert een redelijke grond op voor het afleggen een huisbezoek. Na het verstrekken van gegevens is de aanvankelijke twijfel van de gemeente over het feitelijke woonadres weggenomen.
Betrokkene heeft de toegang tot de slaapkamer geweigerd. De rondgang door de woning en de beantwoording van de gestelde vragen hebben geen objectieve feiten of omstandigheden opgeleverd, op grond waarvan verder onderzoek in de slaapkamer nodig is. Niet is bijvoorbeeld gebleken van aanwijzingen dat betrokkene samenwoont.
Nu zich geen schending van de medewerkingsplicht voordoet is de gemeente niet bevoegd om met toepassing van artikel 17, tweede lid, WWB in combinatie met artikel 11, eerste lid, WWB de aanvraag om deze reden af te wijzen. Voorlopige voorziening getroffen.
BZK 2009/07
|
05-01-2009
De waarschuwing volgens deze Maatregelenverordening moet worden aangemerkt als een besluit met rechtsgevolg (gemeente Groningen) De Maatregelenverordening voorziet in het geven van een schriftelijke waarschuwing onder meer bij schending van de inlichtingenplicht (artikel 17 WWB). Het College legt volgens de Maatregelenverordening in beginsel eerst dan een maatregel op, indien daaraan een waarschuwing is voorafgegaan. De waarschuwing vormt een essentieel en onlosmakelijk onderdeel van de gevolgen die de Maatregelenverordening verbindt aan de gedraging.
Deze schriftelijke waarschuwing moet worden beschouwd als een publiekrechtelijke rechtshandeling en als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb.
BZK 2009/01
|
05-01-2009
Omdat niet is voldaan aan de inlichtingenplicht kan het recht op bijstand –ook na verhuizing naar een andere gemeente- niet worden vastgesteld (gemeente Venlo) Nu het stroomverbruik over de jaren 2002 tot en met 2004 niet substantieel afweek van het verbruik in 2005, mag over die jaren een opbrengst uit hennepoogsten worden verondersteld die gelijk is aan de opbrengst zoals door de politie is berekend voor het jaar 2005. In het PV is op inzichtelijke wijze aangegeven hoe en aan de hand van welke maatstaven het wederrechtelijk verkregen voordeel is bepaald.
Het gaat hier om een aanvraag om bijstand (2006), die is ingediend korte tijd na de beëindiging van de bijstand in de gemeente Utrecht. Het College van Venlo heeft terecht verlangd dat betrokkene eerst opening van zaken zou geven over de exploitatie van hennepkwekerij en inzicht zou verschaffen in de daarmee verworven inkomsten en in de besteding daarvan dan wel de vorming van vermogen. Pas daarna zou kunnen worden bepaald of en in hoeverre appellant en zijn echtgenote in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeerden. Bijstand terecht afgewezen.
BZK 2009/02
|
05-01-2009
Wegens een onredelijk korte hersteltermijn is de aanvraag volgens artikel 4:5 van de Awb
ten onrechte buiten behandeling gesteld (gemeente Eindhoven)
Een hersteltermijn bij een onvolledige aanvraag moet afgestemd zijn op de aard en de omvang van de gevraagde gegevens en bescheiden. De lengte van die termijn dient zodanig te zijn dat een aanvrager in staat kan worden geacht alle gevraagde gegevens en bescheiden voor de afloop van de hersteltermijn aan het bestuursorgaan aan te leveren.
Uit een oogpunt van actieve en adequate informatieverstrekking verdient het aanbeveling om een aanvrager te wijzen op de mogelijkheid voor afloop van de hersteltermijn om verlenging van die termijn te vragen.
In dit geval is sprake van een onredelijk korte termijn, nu het College bekend was met het feit dat Fortis-bank een aantal werkdagen nodig heeft om kopieën van de gevraagde bankafschriften aan de rekeninghouder te verstrekken.
BZK 2009/03
|
05-01-2009
Einddoel van de onder de arbeidsverplichting van artikel 9 WWB vallende sociale activering moet zijn het verkrijgen van algemeen geaccepteerde, niet gesubsidieerde arbeid. Dit einddoel is voor betrokkene niet te bereiken. De opgelegde maatregelen zijn daarom niet terecht opgelegd (gemeente Son en Breugel) Betrokkene is door zijn persoonlijkheid op het psychische vlak beperkt belastbaar. Zelfs zodanig dat betrokkene aangewezen is en aangewezen zal blijven op aangepaste, gesubsidieerde arbeid in een beschermde werkomgeving of op arbeid in WSW-verband. De stellingen van de gemeente zijn goed onderbouwd.
De gemeente stelt het verrichten van arbeid in WSW-verband als einddoel. Betrokkene wil werk in WSW verband - vooralsnog – echter niet aanvaarden. Betrokkene kan, gelet op de bij hem bestaande arbeidsbeperkingen, in het kader van het streven naar sociale activering, ook niet worden verplicht in te gaan op het aanbod tot het accepteren van andere vormen van gesubsidieerde arbeid. Einddoel van de onder de arbeidsverplichting van artikel 9 WWB vallende sociale activering moet immers zijn het verkrijgen van algemeen geaccepteerde, niet gesubsidieerde arbeid.
Dit einddoel nu is voor betrokkene niet te bereiken. Betrokkene kan dan ook niet, op straffe van de oplegging van maatregelen in de vorm van kortingen op zijn uitkering, tot de door de gemeente aangeboden vormen van sociale activering worden verplicht. Opgelegde maatregelen vernietigd.
BZK 2009/04
|
23-12-2008
Het bedrag van maximaal de toepasselijke vermogensgrens wordt bij voortgezette bijstandsverlening slechts éénmaal vrijgelaten (gemeente Arnhem) Geen bijstand met terugwerkende kracht wegens ontbrekende bijzondere omstandigheden. Geen rechtstreekse werking van artikel 13 ESH.
Uitgangspunt is dat tijdens een ononderbroken periode van bijstandsverlening slechts éénmaal een bedrag ter hoogte van maximaal de toepasselijke vermogensgrens als bedoeld in artikel 34, derde lid, van de WWB wordt vrijgelaten. Dit vloeit mede voort uit het complementaire karakter van de WWB.
Het door partijen gehanteerde begrip “vermogensruimte” (te weten: het bedrag waarmee het vermogen kan toenemen zonder dat dit gevolgen heeft voor de voortzetting van de bijstand) valt bij een negatief of op nihil vastgesteld aanvangsvermogen derhalve samen met het wettelijk begrip vermogensgrens. Verdere uitleg inzake de werking van de vermogensgrens.
BZK 2008/102
|
22-12-2008
Deze kinderen, die niet rechtmatig in Nederland verblijven, kunnen naar Afghanistan terugkeren zodat bijstand terecht is afgewezen. Geen strijd met verdragsbepalingen (gemeente Hilversum) Het ligt op de weg van deze kinderen (appellanten) om aan te geven waarom moet worden afgeweken van het uitgangspunt dat de toepassing van artikel 16, tweede lid, van de WWB op kinderen die niet rechtmatig in Nederland verblijven, in beginsel geoorloofd is. Een uitzondering op de hoofdregel zou gelegen kunnen zijn in de onmogelijkheid terug te keren naar het land van herkomst (Afghanistan), afgezien van een eventuele voorliggende voorziening. In de situatie van het gezin is in ieder geval niet gebleken dat er sprake is van een onmogelijkheid om terug te keren. De uitzondering op de hoofdregel, dat toepassing van artikel 16, tweede lid, van de WWB geoorloofd is op kinderen die niet rechtmatig hier te lande verblijven, doet zich hier niet voor.
Artikel 13 en 17 ESH alsmede artikel 11 en 12 IVESCR hebben geen rechtstreekse werking. Evenmin slaagt het beroep op andere verdragsbepalingen (artikel 8 EVRM of artikel 2 EP).
BZK 2008/101
|
16-12-2008
De gemeente heeft zich gebaseerd op een samenvatting in het rapport van de sociaal-rechercheurs en zich in strijd met artikel 3:2 Awb niet (kenbaar) vergewist van de juistheid van de van essentieel belang zijnde feiten (gemeente Beverwijk) De gemeente heeft tot in beroep de onderliggende processen-verbaal van getuigenverhoren niet aan eisers willen overleggen, dan wel deze voor eisers ter inzage willen leggen. Als gevolg hiervan zijn eisers onvoldoende in de gelegenheid geweest in het kader van de bezwaarprocedure hun bezwaren naar voren te brengen en te onderbouwen. Dat de gemeente de stukken in beroep alsnog heeft ingezonden, kan daaraan niet afdoen.
Niet is gebleken dat de gemeente bij de besluitvorming wel de beschikking heeft gehad over de volledige authentieke processen-verbaal. De gemeente heeft zich in feite bij zijn besluitvorming gebaseerd op een samenvatting in het rapport van de sociaal-rechercheurs en zich in strijd met artikel 3:2 Awb niet (kenbaar) vergewist van de juistheid van de in het rapport vermelde, voor de besluitvorming van essentieel belang zijnde feiten.
Bestreden besluit vernietigd, met handhaving van de rechtsgevolgen
BZK 2008/94
|
09-12-2008
Nu essentiële zaken voor het voeren van een huishouden ontbreken ligt het op de weg van betrokkene twijfel omtrent zijn woonsituatie weg te nemen (gemeente Rotterdam) Blijkens diverse huisbezoeken staat vast dat betrokkene niet daadwerkelijk woonachtig is op dit adres. In een situatie waarin vaststaat dat essentiële zaken voor het voeren van een huishouden ontbreken, ligt het op de weg van betrokkene twijfel omtrent zijn woonsituatie weg te nemen. Daarin is hij niet geslaagd. Dat het een zogeheten sloopgenomineerde woning betreft, om welke reden de woning nagenoeg niet ingericht, vormt een onvoldoende verklaring voor de tijdens de huisbezoeken aangetroffen situatie.
BZK 2008/92
|
09-12-2008
Er zijn onvoldoende waarborgen dat het rapport van de sociale recherche een juiste zakelijke weergave is van hetgeen is verklaard (gemeente Rhenen) Over de door betrokkene afgelegde verklaring en van de bevindingen van huisbezoek is eerst na bijna vier weken gerapporteerd. Dit rapport is niet op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt. Het verslag van de afgelegde verklaring is aan betrokkene niet voorgelezen of ter lezing aangeboden, noch door hem ondertekend. Uit de zeer summiere wijze van verslaglegging is niet duidelijk welke vragen zijn gesteld, noch welke antwoorden betrokkene daarop heeft gegeven. Er zijn onvoldoende waarborgen dat het rapport een juiste zakelijke weergave is van hetgeen is verklaard.
Ook zijn er overigens onvoldoende feiten en omstandigheden voorhanden voor het standpunt dat betrokkene niet woonachtig was op het opgegeven adres (gemeente Rhenen).
BZK 2008/93
|
09-12-2008
Het Besluit SUWI laat geen ruimte aan het CWI of aan het college om na een eerste melding geen afspraak te maken voor de ontvangst van de aanvraag om algemene bijstand (gemeente Edam-Volendam) Dit betekent dat de bestendige praktijk waarin aan een belanghebbende formulieren voor een aanvraag levensonderhoud worden uitgereikt waarbij wordt verwezen naar het inleveren tijdens de spreekuurtijden - al dan niet met de mondelinge toevoeging dat dit zo spoedig mogelijk dient te geschieden - en waarbij pas bij een melding tijdens de spreekuurtijden een belanghebbende in staat wordt gesteld de aanvraag in te dienen, in strijd is met artikel 2.3, derde lid, van het Besluit SUWI. BZK 2008/95
|
09-12-2008
De beleidsregel in de Handhavingsverordening, dat op verzoek kan worden besloten tot kwijtschelding na tien jaar aflossing van de terugvordering, gaat de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten (gemeente Rotterdam) Betrokkene had op basis van het tot 1 januari 2005 geldende beleid in aanmerking kunnen komen voor kwijtschelding als hij gedurende vijf jaar aan zijn aflossingsverplichting had voldaan Het verzoek tot kwijtschelding van de restantschuld, ingediend op 4 maart 2005, is terecht overeenkomstig het vanaf 1 januari 2005 gewijzigde beleid afgewezen, nu niet is gebleken dat bij betrokkene verwachtingen zijn gewekt dat op termijn kwijtschelding zou worden verleend. BZK 2008/96
|
08-12-2008
De artikelen 54 en 58 van de WWB betreffen reparatoire bepalingen die er toe strekken dat achteraf het bedrag aan bijstand wordt vastgesteld waarop recht bestaat en een teveel ontvangen bedrag wordt teruggevorderd (gemeente Zoetermeer) In dit geval is geen sprake van een gewilde verbreking van de echtelijke samenleving. Schending van inlichtingenplicht.
Partijen ontvingen destijds een bijstanduitkering naar de norm voor gehuwden. Het standpunt dat partijen niet als ongehuwd kunnen worden aangemerkt omdat zij niet duurzaam gescheiden leefden, impliceert dat zij recht hadden op voortzetting van een bijstandsuitkering naar de norm voor een gezin. De rechtbank deelt niet het standpunt van de gemeente dat betrokkene en zijn echtgenote daartoe alsnog een aanvraag dienen te doen, op grond van welke aanvraag in beginsel geen uitkering met terugwerkende kracht toegekend zou kunnen worden.
Het standpunt dat betrokkene in het geheel geen recht op bijstand heeft over de periode hier in geding, omdat niet duidelijk is hoeveel inkomsten hij de afgelopen jaren heeft gegenereerd, is niet ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit en valt daarom buiten het bestek van deze beroepsprocedure. Indien de gemeente van oordeel is dat in verband met niet opgegeven inkomsten aanleiding bestaat tot herziening of intrekking van de uitkering, dient hij hierover een afzonderlijk (primair) besluit te nemen.
BZK 2008/100
|
05-12-2008
Bijzondere bijstand in de kosten van bewindvoering is terecht in de vorm van leenbijstand verstrekt, met de verplichting aan de bewindvoerder WSNP te verzoeken om een hogere inkomstenvrijlating (gemeente Roermond) Toegekend is bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering en voor intakekosten voor de bewindvoering in de vorm van leenbijstand. Hieraan zijn enige verplichtingen verbonden, zoals een verzoek aan de bewindvoerder WSNP om een grotere inkomstenvrijlating.
De gemeente heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de tijdelijke bijstandsbehoeftigheid, gelet op de inkomsten van eiser die hoger zijn dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm, kan worden bestreden uit die inkomsten indien een grotere vrijlating hiervan wordt toegepast. De gemeente heeft, gelet op artikel 55 WWB, verplichtingen kunnen opleggen die strekken tot vermindering of beëindiging van de toegekende bijstand.
BZK 2008/103
|
02-12-2008
Weliswaar heeft de gemeente vooraf toestemming verkregen voor het binnentreden, doch niet is aangetoond dat men er op heeft gewezen dat het weigeren van medewerking geen directe gevolgen voor de verlening van de bijstand zal hebben (gemeente Amsterdam). De Raad bevestigt algemene criteria voor het afleggen van een huisbezoek. In dit geval ontbreekt een redelijke grond, nu de aanleiding voor het huisbezoek slechts is geweest het klantprofiel “Klant in Beeld”. O.a. blijkens het verslag van het huisbezoek is komen vast te staan dat de medewerkers van de gemeente van betrokkene vooraf toestemming hebben verkregen voor het binnentreden, doch niet is aangetoond dat zij er op hebben gewezen dat het weigeren van medewerking geen directe gevolgen voor de verlening van de bijstand zal hebben. Hierdoor heeft het College niet aangetoond dat de medewerkers zijn binnengetreden na voorafgaand “informed consent”.
Sprake is van een niet gerechtvaardigde inbreuk op het huisrecht. De tijdens het huisbezoek aan het licht gekomen gegevens moeten daarom worden bestempeld als onrechtmatig verkregen bewijs en moeten buiten beschouwing worden gelaten.
BZK 2008/97
|
27-11-2008
Gewetensbezwaren tegen werken met varkensvlees zijn in dit geval onvoldoende zwaarwegend (gemeente Helmond) Betrokkene is weliswaar geen streng gelovige en ook geen praktiserende moslim. Dit laat onverlet dat hem in de opvoeding - van vader op zoon - is meegegeven bepaalde gebruiken van de islam te respecteren. Meer in het bijzonder geen varkensvlees te eten of daarmee te werken.
De bezwaren tegen de aangeboden arbeid zijn strikt persoonlijk. Daaraan kan betekenis worden gehecht onder andere indien zij zwaarwegend zijn. Met de gemeente is de Raad van oordeel dat betrokkene onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn bezwaren tegen het werken met varkensvlees daadwerkelijk zwaarwegend zijn.
De maatregel van 100% gedurende een maand is terecht opgelegd (gemeente Helmond)
BZK 2008/90
|
24-11-2008
Het niet op de juiste wijze ziekmelden van betrokkene kan in dit geval niet als een maatregelwaardige gedraging worden aangemerkt (gemeente Den Haag) De gemeente heeft in de afwegingen met betrekking tot de verwijtbaarheid –naast de onjuiste handelwijze- meegewogen, dat betrokkene kennelijk bekend zou staan als een "niet-willer". Niet alleen is dit een stigmatiserende kwalificatie en als zodanig onaanvaardbaar, ook uit zich die onaanvaardbaarheid in het zonder nadere concrete onderbouwing toekennen van tekortkomingen aan iemand. Het hanteren van deze kwalificatie kan niet bijdragen aan de vaststelling van de mate van verwijtbaarheid. BZK 2008/99
|
18-11-2008
Onjuiste inlichtingen over woonadres blijkens gering energie- en waterverbruik (gemeente Den Haag)
De Raad onderschrijft niet de primaire stelling van de gemeente dat een extreem laag energie- en waterverbruik, zoals hier aan de orde, zonder meer de conclusie rechtvaardigt dat in de woning niet wordt gewoond. Waar iemand woont, is afhankelijk van het geheel van de relevante feiten en omstandigheden in het concrete geval. Het is dus op zichzelf terecht dat de rechtbank de specifieke levenswijze van betrokkene mede in beschouwing heeft genomen.
Anders dan de rechtbank is de Raad echter van oordeel, dat hetgeen omtrent die levenswijze naar voren is gekomen geen aanvaardbare verklaring voor het geringe verbruik oplevert. Als gevolg van de schending van de inlichtingenplicht kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. BZK 2008/91
|
18-11-2008
Terugvordering van geldlening verleend als voorschot resp. bedrijfskrediet (gemeente Amsterdam)
Niet artikel 58, eerste lid, aanhef en onder b, WWB maar artikel 58, eerste lid, aanhef en onder d, WWB biedt de formele bevoegdheidsgrondslag voor de terugvordering van bijstand, die bij wijze van voorschot in de vorm van een geldlening is verleend. Laatstgenoemd voorschrift moet immers ten opzichte van het eerstgenoemde worden aangemerkt als een lex specialis. Geen dringende redenen volgens lokale beleidsregels om van terugvordering af te zien.
Geen dringende redenen volgens artikel 44 Bbz 2004 om van terugvordering van bedrijfskrediet af te zien.
BZK 2008/98
|
28-10-2008
De intrekking van bijstand kan niet worden beschouwd als een punitieve sanctie. Dat de schending van de inlichtingenplicht ook een strafbaar feit oplevert, betekent niet dat de gemeente –in het kader van het onderzoek gericht op het recht op bijstand- bescherming en waarborgen moet bieden als ware belanghebbende een verdachte in strafrechtelijke zin (gemeente Amsterdam) In gevallen als hier aan de orde (intrekking wegens verzwegen gezamenlijke huishouding) bestaat er voor het bestuursorgaan, anders dan bij punitieve sancties, geen wettelijke verplichting om de betrokkene voorafgaand -met het geven van de cautie als bedoeld in artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering- te horen.
Een zorgbehoefte (hulpbehoevendheid) is in dit geval niet aannemelijk gemaakt. Partijen kunnen, vergeleken met de in artikel 3 WWB en artikel 17 AOW genoemde uitzonderingsgroepen, voor de toepassing van artikel 26 IVBPR niet als gelijke gevallen worden beschouwd.
BZK 2008/88
|
21-10-2008
Ondanks de familierelatie (dochter-vader) moet het PGB worden gezien als fictief inkomen. Dringende redenen om van terugvordering af te zien ontbreken (gemeente Alkmaar) Betrokkene betwist dat zij over (loon)betalingen uit het PGB kon beschikken omdat haar vader het door hem ontvangen PGB vergokte. Voorts is zij van mening dat gezien de familierelatie van haar niet kan worden gevergd dat zij in rechte betaling van loon vordert.
Het betreft hier volgens de Raad fictief inkomen nu de werkzaamheden moeten worden aangemerkt als productieve arbeid die in het maatschappelijk verkeer een economische waarde vertegenwoordigt. Daaraan doet onder de gegeven omstandigheden de familierelatie tussen betrokkene en haar vader niet af.
Anders dan de rechtbank meent de Raad dat dringende redenen om van terugvordering af te zien ontbreken.
BZK 2008/82
|
17-10-2008
Met de beleidsregels in het Vademecum wijkt de gemeente af van de bedoeling van de wetgever om bij de beoordeling van het arbeidsmarktperspectief in beginsel rekening te houden met alle omstandigheden die verband houden met arbeid en inkomsten (gemeente Roosendaal) Door imperatief de voorwaarde te stellen dat iemand de laatste twee jaar van de referteperiode volledig ontheven moet zijn geweest van de arbeidsverplichtingen, wijkt de gemeente Roosendaal af van de bedoeling van de wetgever om bij de beoordeling van het arbeidsmarktperspectief in beginsel rekening te houden met alle omstandigheden die verband houden met arbeid en inkomsten. Deze beperkte invulling van de gegeven beoordelingsvrijheid verdraagt zich niet met de ruimere opvatting van de wetgever. De conclusie is dan ook, dat de gemeente Roosendaal op kennelijk onredelijke en dus onjuiste wijze invulling heeft gegeven aan de gegeven beoordelingsvrijheid. BZK 2008/84
|
17-10-2008
Het meewerken aan reïntegratieactiviteiten dient te worden gezien als de vervulling van een normale burgerplicht als bedoeld in artikel 4 EVRM (Sociale Dienst Drechtsteden) Omdat betrokkene zich bij herhaling niet volgens het verzuimprotocol heeft afgemeld (ongeoorloofd verzuim gedurende drie dagen) is wegens recidive terecht een maatregel opgelegd van 50% gedurende een maand.
De aan eiser opgelegde reïntegratieverplichting vloeit voort uit het bepaalde in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB (onbetaalde arbeid in het kader van Work First).
Bij de interpretatie van de termen ‘dwangarbeid’ of verplichte arbeid’ dienen alle omstandigheden van het geval te worden meegewogen in het licht van de doelstellingen en de structuur van artikel 4 van het EVRM. Naar huidige maatschappelijke inzichten mag van de ontvanger van een bijstandsuitkering worden verlangd dat hij de nodige inspanningen verricht om uiteindelijk zelf in de noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien. Het meewerken aan reïntegratieactiviteiten dient dan ook te worden gezien als de vervulling van een normale burgerplicht als bedoeld in artikel 4, derde lid, sub d, van het EVRM.
BZK 2008/87
|
16-10-2008
Deze oud-student (schoolverlater) heeft de eerste zes maanden na de beëindiging van zijn studie geen recht op een toeslag, ook niet wegens afstemming (gemeente Groningen) De door deze oud-student aangevoerde omstandigheden vormen onvoldoende reden vormen om aan hem met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de WWB in afwijking van artikel 28 WWB en de Verordening een volledige of gedeeltelijke toeslag toe te kennen.
De omstandigheid dat het totale inkomen, bestaande uit studiefinanciering en een werkloosheidsuitkering, vóór de toekenning van bijstand ca. € 150,-- hoger was, is in dit verband ontoereikend.
BZK 2008/81
|
08-10-2008
Gelet op de uitgangspunten van de WWB en het klantprofiel kan betrokkene niet zonder meer worden verwezen naar een Work First-traject met een beperkt aanbod. Zonder nadere motivering ontbreekt verwijtbaarheid (gemeente Arnhem) Dit traject Work First moet worden aangemerkt als een voorziening, als bedoeld in artikel 9, eerste lid onder b, van de WWB, waar aan betrokkene niet meewerkt (maatregel 40% gedurende één maand). Het betreft ongeschoolde arbeid van zeer eenvoudige aard, naar keuze groenvoorziening of magazijnwerk. Geen sprake is van dwangarbeid of verplichte arbeid (artikel 4 EVRM en artikel 8 IVBPR).
Blijkens de geschiedenis van totstandkoming WWB moet vooraf zijn vastgesteld dat de voorziening noodzakelijk is om de belanghebbende uit te laten stromen. Betrokkene kan niet zonder meer worden verwezen naar een Work First-traject met een beperkt werkaanbod. Uit het klantprofiel blijkt niet op welke gronden het traject noodzakelijk is. De gemeente heeft niet zonder nadere motivering kunnen concluderen dat de weigering tot medewerking verwijtbaar is.
BZK 2008/78
|
30-09-2008
Gelet op de mate van zorg tussen twee personen kan zich binnen een meerpersoonshuishouden een gezamenlijke huishouding voordoen. Daarvan is in dit geval geen sprake (gemeente Amstelveen) Bijstandsverlening wordt afgewezen, nu betrokkene in zijn huurwoning samenwoont met zijn broer en diens echtgenote.
De definitie van gezamenlijke huishouding in artikel 3, derde lid, van de WWB spreekt uitdrukkelijk over twee personen wegens de gelijkstelling met gehuwden. De situatie kan zich voordoen dat twee personen - getoetst aan de wettelijke beoordelingscriteria - een gezamenlijke huishouding voeren, óók indien nog een of meer andere personen in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben. Voorwaarde is dan wel dat die twee personen ten opzichte van elkaar blijk geven van een mate van zorg, die niet aanwezig is ten opzichte van de andere persoon of personen die in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben.
Aan deze voorwaarden is in dit geval niet voldaan. Er is geen grond voor het oordeel dat betrokkene niet als zelfstandig subject voor bijstandverlening kan worden beschouwd.
BZK 2008/80
|
25-09-2008
Nu de moeder van vier minderjarige kinderen (2-11 jaar) al geruime tijd is afgesloten van energielevering, is er in dit geval sprake van zeer dringende redenen, als bedoeld in artikel 49 WWB (Sociale Dienst Drechtsteden) I.v.m. tekortschietend besef van verantwoordelijkheid is een schuld bij Eneco (€ 4970) ontstaan. Dit gegeven kan echter de afwijzing van bijzondere bijstand voor deze schuld niet dragen.
De Raad heeft bepaald dat het begrip zeer dringende redenen in de zin van artikel 16, eerste lid, WWB ten aanzien van minderjarige kinderen moet worden uitgelegd conform het bepaalde in de artikelen 3, eerste en tweede lid, en artikel 27, derde lid, van het IVRK. De uitleg van artikel 49 WWB dient hierbij aan te sluiten. Nu de moeder van vier minderjarige kinderen (al geruime tijd, sinds augustus 2007) is afgesloten van energielevering, is er in dit geval sprake van zeer dringende redenen.
Voorlopige voorziening toegewezen.
BZK 2008/86
|
22-09-2008
Het operatief plaatsen van borstprotheses is niet strikt medisch noodzakelijk. Een acute noodsituatie als bedoeld in artikel 16 WWB is in dit geval niet aannemelijk (gemeente Vught) De aanvraag om bijzondere bijstand in de kosten van borstprotheses wegens een genderbehandeling is afgewezen. De WWB dient bij de Zorgverzekeringswet (voorliggende voorziening) aan te sluiten (artikel 15 WWB). Daarom komen de kosten van deze behandeling niet voor bijstand in aanmerking. De vraag of de beslissing van de Minister van VWS juist is, om de behandeling als niet strikt medisch noodzakelijk aan te merken, ligt in dit geding niet ter beoordeling voor.
Anders dan de gemeente Vught ziet de rechtbank niet in, dat onder een situatie die van levensbedreigende aard is (artikel 16 WWB) niet ook zou kunnen worden verstaan: ten gevolge van psychische omstandigheden. Het ligt in de eerste plaats op de weg van betrokkene feiten en omstandigheden aan te voeren die er toe leiden dat in dit geval sprake is van een acute noodsituatie. Uit de overgelegde medische verklaringen kan dit niet worden afgeleid.
BZK 2008/79
|
16-09-2008
Bekend mag worden verondersteld, dat het feit dat het jongste kind de 18-jarige leeftijd bereikt (of voor het bereiken van deze leeftijd het gezin verlaat) en geen minderjarigen meer in het gezin resteren, van invloed is op de hoogte van de bijstand aan de alleenstaande ouder (gemeente Haaksbergen) Herstel aanvankelijke omissie (herzieningsbesluit) is toegestaan. De fiscale heffingskorting behoeft niet te worden vrijgelaten. Matiging wegens stilzitten gemeente via bijzondere omstandigheden (artikel 4:84 Awb) volgens zesmaandenjurisprudentie.
Namens de gemeente is terecht betoogd dat het betrokkene redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat haar na het vertrek van haar minderjarige dochter (15 jaar) geen bijstand meer toekwam naar de norm voor een alleenstaande ouder.
BZK 2008/85
|
15-09-2008
De beperking van zorgbehoefte tot bloedverwanten in de tweede graad, als uitzondering op de gezamenlijke huishouding, moet wegens strijd met artikel 26 IVBPR buiten toepassing worden gelaten (gemeente Purmerend) De omstandigheid dat het huisbezoek niet rechtmatig was, dwingt niet tot de conclusie dat de resultaten van de daarop volgende onderzoeken niet ten grondslag aan het bestreden besluit kunnen worden gelegd. Betrokkene heeft aangevoerd dat de waarnemingen en observaties onrechtmatig zijn, niet alleen omdat deze voortvloeien uit het onrechtmatig huisbezoek, maar ook op zichzelf bezien. De rechtbank onderschrijft dit standpunt niet.
Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, WWB, voor zover de uitzondering wegens het bestaan van een zorgbehoefte beperkt is tot bloedverwanten in de tweede graad, moet wegens strijd met artikel 26 IVBPR buiten toepassing worden gelaten. De zinsnede na 'tenzij' in deze bepaling dient te worden gelezen alsof er staat: 'tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of bij één van de ongehuwden sprake is van zorgbehoefte' (gemeente Purmerend)
BZK 2008/89
|
09-09-2008
Geschil inzake Meerwaardehypotheek Postbank (gemeente Zuidhorn) De term “beschikken” (artikel 11 WWB) moet zó worden uitgelegd, dat hij ziet op de mogelijkheid van een belanghebbende om de bezitting feitelijk te kunnen aanwenden voor noodzakelijke kosten van het bestaan. Betrokkene heeft in het kader van de met de Postbank gesloten Meerwaardehypotheek met haar ingelegde vermogen onder meer participaties gekocht in het Postbank Obligatiefonds. Niet kan worden gezegd dat betrokkene de maandbetaling door de Postbank ad € 655,00 feitelijk kan aanwenden, teneinde in andere noodzakelijke kosten van het bestaan dan de rentelasten van haar hypotheek te voorzien. Zij verkeert feitelijk in bijstandsbehoevende omstandigheden. Voorlopige voorziening getroffen. BZK 2008/76
|
09-09-2008
Deze teruggave inkomstenbelasting via een T-biljet is terecht teruggevorderd (gemeente Rotterdam) Bij de vaststelling van de verschuldigde inkomstenbelasting over het jaar 2005 heeft de Belastingdienst bepaald dat voor betrokkene de ouderenkorting en aanvullende ouderenkorting gold. Aan betrokkene is in verband daarmee in 2006 of 2007 een teruggave van belasting is gedaan ter hoogte van deze heffingskortingen. Over de relevante bijstandsperiode in 2005 is sprake van inkomen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, in verbinding met artikel 31, eerste lid, derde volzin, van de WWB. De teruggave via een T-biljet is reeds in 2005 terecht teruggevorderd (art. 58, eerste lid, onder f WWB). BZK 2008/77
|
19-08-2008
Een geringe normoverschrijding (5 euro) vormt geen beletsel voor een langdurigheidstoeslag (gemeente Almere) Veroordeling in proceskosten vernietigd nu voor de rechtsbijstand geen kosten in rekening zijn gebracht.
Bij de beoordeling van het inkomen in 2003 (onderdeel referteperiode) wordt als regel uitgegaan van het netto-inkomen zoals dat feitelijk is ontvangen, inclusief vakantietoeslag. Gelet op de bedoeling van de wetgever vormt de hoogte van het inkomen (geringe normoverschrijding) geen beletsel. Dat het netto-inkomen van betrokkene in dit jaar - kennelijk uitsluitend als gevolg van belastingheffing en/of vakantietoeslag - enkele euro's hoger uitviel dan de relevante bijstandsnorm leidt niet tot een ander oordeel.
Een inkomen volgens de Wet BIA moet worden gelijkgesteld aan een WW-uitkering (inkomen i.v.m. arbeid). Betrokkene voldoet dus niet aan de uitkeringsvoorwaarden (art. 36, eerste lid, onder b WWB).
BZK 2008/74
|
19-08-2008
Het enkel gedetineerd zijn gedurende aan aantal maanden vormt geen redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek (gemeente Terneuzen) Er waren over betrokkene geen objectieve feiten en omstandigheden bekend, op grond waarvan redelijkerwijs kon worden getwijfeld aan de juistheid of de volledigheid van de door hem, voor het vaststellen van de (omvang van) het recht op bijstand van belang zijnde, verstrekte gegevens. Een rechtvaardiging voor onaangekondigd huisbezoek resp. inbreuk op het huisrecht van betrokkene ontbreekt. De aanvraag is ten onrechte afgewezen.
Vaststaat dat betrokkene de bijstandsconsulent heeft uitgescholden voor “kankerhoer”. Deze uitlating moet als een zeer ernstig misdragen worden aangemerkt. Afstemming van 10% gedurende één maand. Betrokkene heeft aangevoerd dat zijn gedrag hem niet (volledig) valt toe te rekenen (brief van zijn behandelend psychiater). In de brief van de psychiater kan echter geen verklaring worden gevonden voor deze gedraging.
BZK 2008/75
|
13-08-2008
De heffingskorting geldt niet als een voorliggende voorziening, maar als een middel waarover men redelijkerwijs kan beschikken (gemeente Maasgouw) Het systeem van de WWB brengt met zich mee dat de fiscale mogelijkheden, waaronder de heffingskortingen, niet gelden als een voorliggende voorziening in de zin van artikel 5 en artikel 15 WWB. Met de fiscale mogelijkheden en gevolgen moet rekening worden gehouden voor het bepalen van de middelen en aanspraak op bijstand volgens artikel 11 jo. 31 WWB.
Temeer waar artikel 31, eerste lid, WWB spreekt van middelen, waarover men beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, ligt het in de rede niet zonder meer de heffingskorting mee te tellen, die maximaal mogelijk is, maar de heffingskorting waarover de belanghebbende redelijkerwijs kan beschikken, d.w.z. als rekening wordt gehouden met het gehele inkomen én buitengewone uitgavenaftrek, zoals ziektekostenpremies, arbeidsongeschiktheidsaftrek en hypotheekaftrek. Deze uitleg sluit ook aan bij het bepaalde in artikel 31, derde lid, volgens welke bepaling de middelen in aanmerking worden genomen tot het bedrag dat resteert na aftrek van onder meer verschuldigde inkomstenbelasting.
BZK 2008/72
|
05-08-2008
Voor iemand die vrijwillig en op eigen initiatief wil deelnemen aan budgetbeheer is bijzondere bijstand niet zonder meer afgesloten (gemeente Maastricht) Bijzondere bijstand in de kosten van vrijwillig budgetbeheer is afgewezen. In het kader van de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB dient het College aan de hand van de individuele omstandigheden van het geval alsnog te beoordelen of sprake is van noodzakelijke kosten in de zin van deze bepaling. Weliswaar vormt de aanstelling van een bewindvoerder, bijvoorbeeld in het kader van een schuldsaneringsregeling, een stevige aanwijzing dat daaraan verbonden, nog voor eigen rekening van de betrokkene blijvende kosten als noodzakelijke kosten kunnen worden bestempeld (CRvB 10 juni 2008 nr. 07/6 WWB, LJN BD4040, BZK 2008/53).
Maar dat betekent niet dat voor iemand die vrijwillig en op eigen initiatief hulp zoekt voor een oplossing van zijn (dreigende) financiële problemen de weg naar bijzondere bijstandsverlening zonder meer is afgesloten. Ook in dat geval zal het College zich na gedegen onderzoek naar alle relevante feiten en omstandigheden (waaronder in het onderhavige geval de voorgeschiedenis, de mate van urgentie van hulpverlening, eventuele wachttijden e.d.) een oordeel dienen te vormen over de noodzaak van de kosten en - in dit geval in samenhang daarmee - over de vraag of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.
BZK 2008/70
|
29-07-2008
De bijstand kan alleen worden afgestemd (artikel 18 tweede lid WWB) als verplichtingen niet zijn nagekomen. De zeer ernstige misdraging vormt geen zelfstandige grond voor een maatregel en moet slechts worden gezien als een verzwarende omstandigheid (gemeente Heerlen) Het zich zeer ernstig misdragen in de zin van artikel 18, tweede lid, van de WWB kan niet worden aangemerkt als een vorm van tekortschietend besef voor de voorziening in het bestaan. Immers, naar zijn aard kan een dergelijke misdraging geen invloed hebben op de voorziening in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Ook deelt de Raad niet de opvatting dat het zich misdragen moet worden beschouwd als een aparte aan de bijstand verbonden verplichting tot het nalaten van dit gedrag.
De bewoordingen van deze bepaling leiden ertoe dat de zin -waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen- terugslaat op het niet of niet voldoende nakomen van de uit de wet voortvloeiende verplichtingen. De Raad vindt voor deze grammaticale uitleg ook steun in de wetsgeschiedenis.
Aan de toepassingsvoorwaarden van deze bepaling is alleen voldaan indien sprake is van het niet of onvoldoende nakomen van een of meer van de verplichtingen, met als verzwarende omstandigheid dat sprake is van agressief, aan de belanghebbende toe te rekenen gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd.
BZK 2008/69
|
29-07-2008
De bepalingen ten aanzien van subsidies (Awb) zijn niet van toepassing op de WWB (gemeente Venlo) De bepalingen van titel 4.2 van de Awb gelden niet in de verhouding tussen de staatssecretaris SZW en de gemeente. In het licht van de wetsgeschiedenis van artikel 4:21 van de Awb moet worden aangenomen dat het derde lid ook ziet op uitkeringen aan een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld.
Voor deze verhouding geldt immers ook dat deze een zodanig eigen karakter heeft, dat de bepalingen van die titel daarop niet zonder meer kunnen worden toegepast. De omstandigheid dat in artikel 69 WWB is bepaald dat de hier aan de orde zijnde uitkeringen aan het college worden verstrekt maakt derhalve niet dat de uitzondering van artikel 4:21, derde lid, van de Awb niet van toepassing is.
BZK 2008/68
|
22-07-2008
Bijstand aan drugs- en alcoholverslaafden die in Schotland afkicken (gemeente Dordrecht) Betrokkene is feitelijk onbemiddelbaar naar werk. Hij is tijdelijk opgenomen in Castle Craig, Schotland, ter behandeling van een alcoholverslaving. Het betreft een psychiatrisch ziekenhuis dat is toegelaten als instelling voor AWBZ-zorg in het buitenland.
De in de WWB gestelde eisen inzake woon- en verblijfplaats (artikel 11 en 13 WWB) zijn bedoeld om de inschakeling in het arbeidsproces niet te frustreren en om controle op de rechtmatigheid van de bijstand mogelijk te maken. In dit geval gaan deze eisen verder dan ter bereiking van de doelstellingen noodzakelijk is. Zij moeten in dit geval als disproportioneel worden gekwalificeerd.
In artikel 16, eerste lid, van de WWB is een hardheidsclausule opgenomen. Dit artikel dient zodanig gemeenschapsrechtconform te worden uitgelegd, dat de in dit geval geconstateerde strijdigheid van artikel 11 en 13 WWB met artikel 49 van het EG-verdrag wordt opgeheven. Na afloop van de vrije termijn (artikel 13 WWB) dient algemene bijstand te worden verleend naar de zogeheten inrichtingsnorm.
BZK 2008/66
|
22-07-2008
Artikel 36 WWB staat er niet aan in de weg om een eerdere datum, dan die waarop de aanvraag is gedaan, als peildatum aan te merken (gemeente Wervershoof) Artikel 44 WWB is niet van overeenkomstige toepassing is verklaard op de langdurigheidstoeslag. Blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 36 WWB is de suggestie, tijdens het wetgevingsoverleg (2004), om een termijn op te nemen waarbinnen een gerechtigde een verzoek om een langdurigheidstoeslag kan indienen, verworpen. Artikel 36 WWB staat er niet aan in de weg om een eerdere datum, dan die waarop de aanvraag is gedaan, als peildatum aan te merken. BZK 2008/67
|
15-07-2008
Een aanleiding voor onaangekondigd huisbezoek ontbreekt en ook de feitelijke gang van zaken is onjuist. De intrekking van bijstand kan dan ook niet worden gebaseerd op ontbrekende medewerking aan het huisbezoek (gemeente Nieuwegein) De Raad ziet in het enkele gegeven, dat zich tussen de bankafschriften van betrokkene een bankafschrift op naam van een ander (geadresseerd aan het adres van betrokkene) bevond, geen redelijke grond voor een onaangekondigd huisbezoek. Terecht is aangevoerd dat de feitelijke gang van zaken rond het voorgenomen huisbezoek niet als juist kan worden aanvaard.
Aan betrokkene kan niet worden tegengeworpen dat zij haar medewerking aan het onaangekondigde huisbezoek had behoren te verlenen en de medewerkers van de gemeente toegang tot haar woning had moeten verschaffen. Het College was dan ook niet bevoegd om de bijstand in te trekken.
BZK 2008/65
|
10-07-2008
Het niet voldoen aan de verplichting budgethulpverlening door deze dakloze biedt geen grond tot afwijzing van bijstand (gemeente ’s-Hertogenbosch) Het beleid om in geval van dak- en thuislozen standaard een verplichting tot het aanvaarden van budgethulpverlening op te leggen kan niet als apert onredelijk worden aangemerkt. Bij dak- en thuislozen is er sprake van een situatie van tekortschietende zelfredzaamheid. In het onderhavige geval wordt dat niet anders doordat verzoeker bij de bijstandsaanvraag heeft aangegeven slechts tot een bedrag van ongeveer € 200,00 aan schulden te hebben.
Bij het niet voldoen aan genoemde verplichting biedt de WWB echter geen grondslag om de bijstandsaanvraag af te wijzen. Hierbij wil de voorzieningenrechter er op wijzen dat er dan weliswaar mogelijkerwijs sprake zou zijn van schending van de in artikel 17, tweede lid, van die wet vervatte medewerkingsverplichting, maar dat die schending in casu niet tot gevolg heeft dat het recht op bijstand niet zou zijn vast te stellen. De bijstandsbehoevendheid van verzoeker staat immers niet ter discussie.
BZK 2008/64
|
02-07-2008
Een besluit over de wijze van betaling hangt zozeer samen met de aanspraak op uitkering dat sprake is van een besluit met rechtsgevolg (gemeente Brunssum) Een schriftelijke beslissing die betrekking heeft op de wijze van betaling van een uitkering hangt zozeer samen met de aanspraak op de uitkering, dat aan die beslissing het besluitkarakter niet kan worden ontzegd. Dit betekent dat de van het besluit deel uitmakende beslissing omtrent de wijze van betaling van de tegemoetkoming moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Het bezwaar tegen het besluit is ontvankelijk.
De feiten en omstandigheden (schuldenregeling) hadden voor de gemeente aanleiding moeten zijn bij betrokkene te informeren naar het rekeningnummer waarop de tegemoetkoming kon worden gestort. Door dit na te laten is de beslissing omtrent de wijze van betaling van de tegemoetkoming niet voldoende zorgvuldig voorbereid.
BZK 2008/61
|
30-06-2008
Het onderzoek naar een WSW-indicatie dient op vrijwillige basis plaats te vinden. Bij ontbrekende medewerking kan geen maatregel worden opgelegd (gemeente Laarbeek) Nu een WSW-dienstbetrekking niet valt onder de reikwijdte van het begrip algemeen geaccepteerde arbeid, kan betrokkene niet worden verplicht mee te werken aan een WSW-indicatie. Een WSW-indicatie is uitsluitend gericht op de vaststelling of iemand al dan niet behoort tot de doelgroep van de WSW. Het enig denkbare gevolg van een positieve indicatie is dat iemand werkzaamheden in WSW-verband mag gaan verrichten. Nu dit laatste, ook in het geval van de door de gemeente bedoelde sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, slechts op vrijwillige basis kan geschieden, dient ook het zogenaamde indicatie-onderzoek op vrijwillige basis te worden verricht. De maatregel inzake niet meewerken aan een indicatie-onderzoek WSW wordt vernietigd. BZK 2008/63
|
30-06-2008
In de kosten van remigratie naar Curaçao wordt geen bijzondere bijstand verleend (gemeente Zaanstad) Het territorialiteitsbeginsel, dat ten grondslag ligt aan de WWB (artikel 11 WWB), sluit de mogelijkheid uit van bijstandsverlening voor kosten die buiten Nederland zijn opgekomen of die betrekking hebben op kosten die niet aan Nederland zijn verbonden. Hieronder vallen ook kosten voor remigratie naar Curaçao.
Betrokkene heeft niet aannemelijk heeft gemaakt dat in haar geval van een acute noodsituatie sprake is (artikel 16 WWB). De enkele omstandigheid dat zij voor de duur van een half jaar drie dagen per week opgenomen is geweest op een psychiatrische afdeling, is onvoldoende. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat zij volledig arbeidsongeschikt is verklaard op grond van psychische klachten.
BZK 2008/71
|
30-06-2008
Voor de beoordeling van het recht op bijstand is het als regel noodzakelijk om inzicht te verkrijgen in de financiële situatie in de aan de bijstandsaanvraag voorafgaande periode (gemeente Venlo) Aangezien voorafgaande aan de bijstandsaanvraag (december 2005) betrokkene vanaf juli 2003 geen recht op bijstand had, was het antwoord op de vraag, waarvan zij (in de periode tot de aanvraag van december 2005) heeft geleefd, van belang voor de beoordeling of zij in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeerde.
Op grond van de door betrokkene verstrekte gegevens kan worden geconcludeerd dat zij onvoldoende inzicht heeft verschaft over de wijze waarop zij in de kosten van haar bestaan heeft kunnen voorzien. Gelet op artikel 17 jo. 11 WWB kan niet worden vastgesteld of betrokkene ten tijde van de aanvraag verkeerde in bijstandsbehoevende omstandigheden.
BZK 2008/73
|
24-06-2008
De Afstemmingsverordening zelf vermeldt geen mogelijkheid tot afwijking van de standaardmaatregel. In de wet ligt echter besloten dat bij het vaststellen van de verlaging rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden e.d. (gemeente Roosendaal) De Raad stelt vast dat de Afstemmingsverordening van Roosendaal geen bepaling bevat op grond waarvan het College kan afwijken van de standaard toe te passen verlaging. Anders dan wellicht kan worden begrepen uit CRvB 11 maart 2008 nr. 05/6813 WWB, LJN BC7309, BZK 2008/21, meent de Raad dat in artikel 18, eerste lid, WWB, gelezen in samenhang met het tweede lid van dit artikel, besloten ligt dat bij het vaststellen van de verlaging rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene, de mate van verwijtbaarheid en de ernst van de gedraging bij het niet nakomen van opgelegde verplichtingen. BZK 2008/59
|
18-06-2008
I.v.m. overschrijding van de redelijke termijn (artikel 6 EVRM) wegens een bezwaarprocedure van anderhalf jaar wordt de gemeente veroordeeld tot een schadevergoeding van € 500 (gemeente Krimpen aan den IJssel) Het beroep tegen de terugvordering is ongegrond.
In dit geval is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM gaan lopen op de datum waarop het bezwaarschrift bij de gemeente is ingediend. De procedure in bezwaar heeft bijna anderhalf jaar geduurd. Ten tijde van het doen van deze uitspraak heeft de procedure (van bezwaar en beroep) in totaal 23 maanden geduurd. Daarmee is de redelijke termijn overschreden. Eiseres heeft recht op een schadevergoeding van € 500 naast de vergoeding van kosten rechtsbijstand.
BZK 2008/62
|
17-06-2008
Artikel 55 van de WWB biedt geen grondslag voor het opleggen van de verplichting tot het wekelijks leeghalen van de postbus (gemeente Leeuwarden) De gemeente Leeuwarden heeft toestemming verleend om gebruik te maken van het postbusadres en daaraan de verplichting verbonden, volgens artikel 55 WWB, dat betrokkene zijn post tenminste eenmaal per week ophaalt.
Voorop stellende dat het voor rekening en risico van de bijstandsgerechtigde komt dat hij daadwerkelijk kennis neemt van de inhoud van de door hem ontvangen post, vermag de rechtbank niet in te zien welk doel met de in geding zijnde verplichting wordt gediend, noch wat het verband hiervan is met de aard van de bijstand die eiser ontvangt. In vergelijking met bijstandsontvangers met een brievenbus betreft het ongelijke behandeling. Het door de gemeente met de verplichting beoogde doel, namelijk dat de bijstandsgerechtigde kennis neemt van de inhoud van de correspondentie, wordt met de verplichting niet bereikt.
BZK 2008/54
|
11-06-2008
Bijzondere bijstand in de kosten van het opvragen van medische informatie (WIA-zaak) is terecht afgewezen nu het gaat om schulden (gemeente Amsterdam) De rechtbank stelt vast dat het Andreas Ziekenhuis te Amsterdam schriftelijke inlichtingen heeft verschaft over de medische situatie van eiseres. Deze informatie is ingebracht in de bezwaarprocedure tegen de afwijzing van een WIA-uitkering. De aanvraag om bijzondere bijstand ziet op vergoeding van deze kosten van het ziekenhuis.
De kosten zijn vóór de dag van de aanvraag bij eiseres in rekening gebracht en zijn door gemachtigde betaald. Hieruit volgt dat eiseres een schuld heeft jegens gemachtigde, ten aanzien waarvan een verplichting tot terugbetaling voldoende vaststaat. Niet gebleken is dat er sprake is van een zeer dringende reden in de zin van artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB.
BZK 2008/60
|
10-06-2008
De hoge kamerhuur is onvoldoende reden af te wijken van het forfaitaire stelsel volgens de Toeslagenverordening (gemeente Arnhem) Het College van Arnhem wijkt slechts in schrijnende situaties af van het forfaitaire stelsel volgens de Toeslagenverordening Arnhem. Het College geeft daarmee een te beperkte uitleg aan het in artikel 18, eerste lid, van de WWB neergelegde individualiseringsbeginsel.
Op zichzelf bezien is een hoge kamerhuur zoals in dit geval echter onvoldoende reden af te wijken van het forfaitaire stelsel.
BZK 2008/51
|
10-06-2008
Het enkele feit dat de wettelijke schuldsaneringsregeling volgens de WSNP uitsluitend op verzoek van de betrokkene kan worden uitgesproken, maakt niet dat de salariskosten van de bewindvoerder niet als noodzakelijke kosten kunnen worden beschouwd (gemeente Venlo) De rechtbank heeft geoordeeld (2005) dat appellant voldoet aan de voorwaarden voor toelating tot de schuldsaneringsregeling. De termijn gedurende welke de schuldsaneringsregeling van kracht is heeft de rechtbank vastgesteld (2007) op 15 maanden, te rekenen vanaf 2005. Overeenkomstig artikel 320, eerste lid, Fw. heeft de rechtbank daarbij het salaris van de bewindvoerder vastgesteld.
In aanmerking genomen de in het individuele geval van appellant door de rechtbank gemaakte afwegingen meent de Raad, dat de noodzaak van de schuldsaneringsregeling uitgangspunt voor het College van Venlo dient te zijn. Hetgeen evenzeer geldt voor de salariskosten van de door de rechtbank benoemde bewindvoerder. De vrijwillige deelname doet hieraan niet af.
BZK 2008/53
|
10-06-2008
Nu de bijstandsnorm is verlaagd wegens het ontbreken van huurkosten en hypotheeklasten, zonder verder onderzoek naar lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, is gehandeld in strijd met artikel 27 WWB (gemeente Moerdijk). De gemeenteraad van Moerdijk heeft met artikel 5 van de Toeslagenverordening de in artikel 27 van de WWB toegekende verordenende bevoegdheid overschreden, door zonder meer een verlaging van de bijstandsnorm voor te schrijven in elke situatie waarin huurkosten en hypotheeklasten ontbreken. Op die wijze wordt immers geen rekening gehouden met mogelijke andere woonkosten die jegens een derde verschuldigd zijn hetgeen essentieel is voor de toepassing van artikel 27 WWB.
Deze overschrijding van de bevoegdheid wordt niet ongedaan gemaakt of gecompenseerd door de plicht tot individuele afstemming zoals neergelegd in artikel 18, eerste lid, WWB.
BZK 2008/57
|
10-06-2008
Personen die, al dan niet in deeltijd, deelnemen aan het reguliere arbeidsproces vallen niet onder het bereik van de langdurigheidstoeslag, ongeacht medische beperkingen (gemeente Aa en Hunze, Assen en Tynaarlo) Rechtbank: Betrokkene is wegens medische beperkingen niet in staat met betaald werk meer te verdienen dan de bijstandsnorm. Artikel 36, eerste lid, en onder b, van de WWB, zoals dat thans luidt, biedt ten onrechte geen enkele ruimte om met voor de beoordeling van het arbeidsmarktperspectief relevante medische omstandigheden rekening te houden bij de aanspraak op langdurigheidstoeslag. Dit is in strijd met artikel 26 IVBPR.
Raad: Nu betrokkene eerst acht en later zes uur per week betaald werkt bij een kinderdagverblijf kan niet gesproken worden van zeer geringe inkomsten uit arbeid van zeer geringe duur. De ruime uitleg van arbeidsmarktperspectief wordt niet gevolgd.
BZK 2008/58
|
09-06-2008
Op basis van bestandskoppeling (Waterproof) is terecht een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid (gemeente Utrecht) De rechtbank stelt vast dat in het kader van het project Waterproof door middel van bestandskoppeling de verbruikgegevens zijn opgevraagd van adressen met een geregistreerd waterverbruik van minder 20 m3, terwijl het gemiddelde waterverbruik van één persoon per jaar 48 tot 50 m³ bedraagt. Hoewel bestandskoppeling in beginsel als een ingrijpende maatregel dient te worden beschouwd, kan niet worden gesteld, gelet op bij de uitvoering van de bij de WWB betrokken belangen, dat het gebruik van dat controlemiddel in dit geval ontoelaatbaar moet worden geacht.
Op basis van het op dit adres geconstateerde waterverbruik van 5 m³ in 2005 is terecht een nader onderzoek is ingesteld naar de rechtmatigheid van de verleende bijstand. Wegens verzwegen gezamenlijke huishouding is de verleende bijstand terecht ingetrokken en teruggevorderd.
BZK 2008/56
|
05-06-2008
Beleidsregels zonder de mogelijkheid van een tijdelijke ontheffing voorziening sociale activering zijn in strijd met de wet (gemeente Amsterdam) In geschil is de verplichting dat betrokkene zich houdt aan het trajectplan (sociaal activeringstraject). Het beleid van de gemeente Amsterdam, voor zover daarbij is uitgesloten tijdelijk ontheffing te verlenen van de in artikel 9, eerste lid, onder b, WWB genoemde verplichtingen, is in strijd met artikel 9, tweede lid, van de WWB. Immers, het maakt de in de WWB neergelegde bevoegdheid om van de verplichtingen volgens het eerste lid tijdelijk ontheffing te verlenen illusoir. Het beleid gaat in zoverre dan ook een redelijke beleidsbepaling te buiten.
De gemeente heeft zijn weigering om in dit geval tijdelijk ontheffing te verlenen (op basis van gestelde gezondheidsproblemen) gemotiveerd door te verwijzen naar zijn beleid. Wegens een ondeugdelijke motivering is het beroep gegrond.
Gelet op de aard en inhoud van de verplichting tot medewerking kan niet worden staande gehouden dat sprake is van dringende redenen in de zin van artikel 9, tweede lid, van de WWB en blijven de rechtsgevolgen gehandhaafd.
BZK 2008/83
|
03-06-2008
Ook voor het beoordelen van het recht op bijstand van de adresloze is de feitelijke woon- en leefsituatie van de betrokkene van doorslaggevend belang (gemeente Breda)
Niet ter discussie staat dat betrokkene zich ten tijde van de aanvraag in de gemeente Breda bevond en dat hij niet was ingeschreven in de GBA. Dat betekent evenwel niet zonder meer dat betrokkene als adresloze recht op bijstand heeft. Ook voor het beoordelen van het recht op bijstand van de adresloze is de feitelijke woon- en leefsituatie van de betrokkene van doorslaggevend belang.
Volgens de gemeente Breda is betrokkene geen (zwervende) dakloze. Terecht is aangegeven dat betrokkene zich moet laten inschrijven op het adres waar hij verblijft, waarna hij een bijstandsuitkering kan aanvragen.
BZK 2008/50
|
03-06-2008
De gemeente heeft niet voldoende inzichtelijk gemaakt waarom verzoeker in spoor 3 is ingedeeld, hetgeen heeft geleid tot een Work First-toepassing. Verplichte deelname geschorst (gemeente Bergen op Zoom) Aan betrokkene is de verplichting opgelegd om gebruik te maken van een door de gemeente Bergen op Zoom aangeboden voorziening, gericht op arbeidsinschakeling en sociale activering, door aanmelding bij een werkervaringsproject voor mensen met grote afstand tot de arbeidsmarkt (Work First).
De gemeente heeft verzoeker in ‘spoor’ (of ‘fase’) 3 ingedeeld, hetgeen betekent dat verzoeker eerst na een lang traject bemiddelbaar zal zijn. De gemeente heeft niet voldoende inzichtelijk gemaakt waarom verzoeker in spoor 3 is ingedeeld. Het bestreden besluit is onrechtmatig. Voorlopige voorziening: schorsing en ontheffing van verplichting.
BZK 2008/55
|
30-05-2008
Deze categorale afwijzing van de langdurigheidstoeslag, wegens een WW-uitkering in de referteperiode, is niet in overeenstemming met het gemeentelijk beleid (gemeente Almere) Het bijstandsbeleid van Almere inzake de langdurigheidstoeslag volgens het Schulinck Handboek WWB bij een zeer gering inkomen ziet enkel op inkomsten uit arbeid. Het ziet niet op inkomsten in verband met arbeid, waarvan in de situatie van eiseres (met een WW-uitkering) sprake is.
Het college heeft in dit geval tijdens de beroepsprocedure aangegeven dat het enkele genieten van een WW-uitkering in de referteperiode leidt tot afwijzing van de aanvraag vanwege het aanwezig zijn van arbeidsmarktperspectief. De rechtbank stelt vast dat een dergelijke categorale afwijzing niet in overeenstemming is met het aangehaalde lokale beleid. Hierin wordt immers juist beschreven dat een onderscheid tussen arbeidsongeschiktheidsuitkering en WW-uitkering níet gemaakt dient te worden. De afwijzing is niet in overeenstemming met gemeentelijk beleid en is onvoldoende gemotiveerd.
BZK 2008/49
|
27-05-2008
Bij de draagkrachtberekening bijzondere bijstand wordt met belangrijke wijzigingen in het inkomen alleen rekening gehouden op het moment van een nieuwe aanvraag (gemeente Groningen) Volgens de Groningse beleidsregels Marge is Regel wordt met belangrijke wijzigingen in het inkomen tijdens het draagkrachtjaar in die zin rekening gehouden, dat bij een nieuwe aanvraag om bijzondere bijstand alsdan opnieuw de draagkracht van de betrokkene wordt vastgesteld en een nieuwe draagkrachtperiode wordt bepaald.
Naar het oordeel van de Raad gaat het hiervoor omschreven beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten.
BZK 2008/43
|
27-05-2008
De verlaging wegens ontbrekende woonkosten in combinatie met de verlaagde toeslag wegens woningdeling leidt tot een dubbele verlaging, hetgeen via afstemming hoort te leiden tot afwijking van de Toeslagenverordening (Millingen aan de Rijn) Artikel 18, eerste lid, van de WWB bevat mede de verplichting de bijstand af te stemmen op de omstandigheden en middelen van de belanghebbende. Deze verplichting kan meebrengen dat in voorkomende gevallen behoort te worden afgeweken van de in de Toeslagenverordening neergelegde regels voor verlaging.
Door in dit geval de norm te verlagen met 18% van de gehuwdennorm, terwijl al sprake was van (slechts) een toeslag van 10% wegens woningdeling, heeft het College van Millingen aan de Rijn betrokkene feitelijk geconfronteerd met een dubbele verlaging als gevolg van zijn woonsituatie. Enerzijds omdat hij (onder meer) zijn woonkosten zou kunnen delen en anderzijds omdat hij geen woonkosten heeft.
Daarmee heeft het college ten onrechte onvoldoende acht geslagen op het totale effect van een dergelijke cumulatie. In die situatie heeft het college naar het oordeel van de Raad niet in redelijkheid kunnen besluiten onverkort toepassing te geven aan de verordening. BZK 2008/44
|
27-05-2008
Ondanks een medische indicatie voor de kosten van fitness ontbreken bijzondere omstandigheden, zodat geen bijzondere bijstand moet worden verleend (gemeente Rotterdam) Onderhavig besluit is een gevolg van de inwerkingtreding van de Zorgverzekeringswet (2006). De kosten waarin bijzondere bijstand is gevraagd (fitness) vallen niet onder het zorgverzekeringspakket. De gemeente Rotterdam heeft besloten tot een afbouwregeling.
De Raad houdt het er voor dat ten tijde van de aanvraag van 17 januari 2006 een medische indicatie bestond voor het beoefenen van fitness, zodat de kosten van fitness in dit geval noodzakelijk zijn.
Naar het oordeel van de Raad vloeien de kosten van fitness echter niet voort uit bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de kosten van fitness (ook) in het geval van appellant dienen te worden gerekend tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Algemeen noodzakelijke bestaanskosten dienen te worden bestreden uit een inkomen op bijstandsniveau. De Raad ziet geen aanleiding om in het geval van appellant anders te oordelen.
BZK 2008/48
|
23-05-2008
Gelet op de omstandigheden wordt deze afstemming wegens bedreiging met lichamelijk geweld gematigd (gemeente Zaanstad) Betrokkene heeft niet ontkend dat hij tegen de reïntegratieconsulent heeft gezegd: "Ik pak je nog wel, kom maar mee naar buiten, dan zal je weten wie ik ben". De gemeente Zaanstad heeft deze uitlating terecht gekwalificeerd als bedreiging met lichamelijk geweld (benoemd in de Maatregelenverordening).
In het algemeen kan een sanctie van 100% gedurende een maand niet als onredelijk worden aangemerkt. Gelet op de omstandigheden van dit geval, waarbij eiser weliswaar een uitlating heeft gedaan die niet geaccepteerd kan worden, maar ook weer snel gekalmeerd was, acht de rechtbank in dit geval slechts een sanctie van 50% gerechtvaardigd.
BZK 2008/46
|
20-05-2008
Voor bijzondere bijstand in begrafeniskosten is de goedkoopst mogelijke adequate voorziening toereikend (gemeente Almere) Het College van Almere is bevoegd de vergoedingen in het kader van de bijzondere bijstandsverlening zodanig te normeren, dat de betrokkene de goedkoopst mogelijke adequate voorziening kan treffen. Het College is niet gehouden volgens het erfrecht uit te gaan van de daadwerkelijk gemaakte kosten, zijnde € 5.429,41. Volgens de Nibud-prijzengids is een maximum van € 2.800 niet onredelijk. Onder aftrek opbrengst uitvaartpolis € 588 is het resterend bedrag terecht naar rato van het erfdeel in aanmerking genomen. BZK 2008/41
|
20-05-2008
Bij deze kamerhuur is geen redelijke grond aanwezig om een huisbezoek af te leggen teneinde de verblijfsgegevens te verifiëren (gemeente Zoetermeer) Aan het niet meewerken aan een huisbezoek kunnen eerst gevolgen worden verbonden, indien voor dat huisbezoek in het individuele geval een redelijke grond bestaat. Van een dergelijke grond is in gevallen als deze sprake, indien op basis van concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of de volledigheid van de door betrokkene verstrekte inlichtingen, voor zover deze gegevens onmiskenbaar van belang zijn voor het vaststellen van (de omvang van) het recht op bijstand en deze gegevens niet op een voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd.
In dit geval van kamerhuur is geen redelijke grond aanwezig om een huisbezoek af te leggen teneinde te verifiëren of betrokkene wel daadwerkelijk woonachtig was op het aangegeven adres. Betrokkene kan niet worden tegengeworpen dat hij geen medewerking heeft verleend aan het huisbezoek en de gemeente was niet bevoegd om de uitkering in te trekken.
BZK 2008/42
|
20-05-2008
Bij een gemeenschappelijke regeling moet het grondgebied van de deelnemende gemeenten niet als één gemeente worden beschouwd (gemeente Noardwest Fryslân) Welke gemeente moet bij deze verzwegen gezamenlijke huishouding een besluit nemen resp. kan volstaan worden met de constatering dat de betrokken partner niet in de gemeente verblijft en op die grond geen recht op bijstand heeft.
De gemeenten van Het Bildt en Leeuwarderadeel hebben samen met zes andere gemeenten een gemeenschappelijke regeling getroffen. In het kader daarvan hebben de colleges hun (formele) bevoegdheden op grond van onder meer de artikelen 54, 58 en 59 WWB overgedragen aan het dagelijks bestuur van de Dienst SZW.
Dat betekent echter niet dat het grondgebied van deelnemende gemeenten voor de toepassing van de WWB als één gemeente moet worden beschouwd of dat het (materiële) recht op bijstand niet langer bestaat jegens het college van de gemeente, waar de belanghebbende woonplaats heeft, maar jegens het dagelijks bestuur.
BZK 2008/47
|
06-05-2008
Bij nabetaling van een WW-uitkering is de terugvordering wegens onverschuldigde betaling een zelfstandige terugvorderingsgrond, hoewel het later beschikbaar komende middelen betreft (gemeente Sittard-Geleen) Bij brief van 20 november 2003 is namens de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) aan appellant meegedeeld dat hem, na verrekening met de WAO-uitkering, over de periode van 3 februari 2003 tot en met 17 april 2003 nog een bedrag van € 373,53 netto aan uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) wordt nabetaald.
Hoewel in de hier bedoelde gevallen volgens artikel 58, eerste lid, onder f WWB, waarin pas na de toekenning van bijstand middelen beschikbaar komen die betrekking hebben op dezelfde periode als waarop de bijstand ziet, van onverschuldigde betaling geen sprake is, heeft de wetgever kennelijk beoogd in dit artikel een soortgelijke bepaling op te nemen als destijds in artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw was neergelegd, met dien verstande dat het thans een bevoegdheid tot terugvordering betreft.
BZK 2008/39
|
24-04-2008
Het is in strijd met artikel 26 IVBPR om bij het onweerlegbaar rechtsvermoeden -ten aanzien van de leeftijd van het kind- geen enkele beperking in de tijd aan te leggen (gemeente Zuidwest-Fryslân) De toelichting op de introductie van “onweerlegbaar rechtsvermoeden” kan geen temporeel onbeperkte toepassing rechtvaardigen. In ieder geval kan vanaf het moment waarop een kind in het algemeen geacht kan worden zelfstandig in de samenleving te functioneren immers niet aangenomen worden dat het nog door zijn ouders wordt verzorgd. Dit betekent dat het in strijd is met artikel 26 van het IVBPR om bij de toepassing van het onweerlegbaar rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, onder b, van de WWB geen enkele beperking in tijd aan te leggen.
Een voldoende rechtvaardiging voor toepassing van dit rechtsvermoeden kan naar het oordeel van de Raad in beginsel wel aanwezig worden geacht tot de leeftijd waarop het (jongste) kind de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt.
BZK 2008/25
|
22-04-2008
De verplichting tot het nalaten van werkzaamheden als gesprekstherapeut (volgens bescheiden omvang) is in strijd met de wet (gemeente Smallingerland) Deze gesprekstherapeut behoort tot de kring van rechthebbenden ingevolge de WWB. Dit betekent dat hij gehouden is om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden in loondienst, in een werkgelegenheidstraject dan wel in eigen bedrijf of zelfstandig beroep, gericht op (duurzame) economische zelfstandigheid.
Het College van Smallingerland heeft geweigerd om gebruik te maken van zijn bevoegdheid met toepassing van artikel 55 WWB nader te preciseren, onder welke voorwaarden de door verzoeker gewenste activiteiten mogen worden verricht. Teneinde te voorkomen dat verzoeker deze activiteiten toch gaat verrichten, heeft het College bedoeld hem te verplichten tot het nalaten van activiteiten als gesprekstherapeut.
De Voorzieningenrechter CRvB meent dat niet staande kan worden gehouden, dat het verrichten van werkzaamheden als gesprekstherapeut geen inkomsten zou genereren die (kunnen) leiden tot vermindering van de bijstand. Het College was niet bevoegd de bedoelde verplichting aan verzoeker op te leggen en heeft de door verzoeker gevraagde toestemming niet in redelijkheid kunnen weigeren.
BZK 2008/35
|
22-04-2008
Dankzij een onjuiste verwijzing door het CWI doen zich bijzondere omstandigheden voor die terugwerkende kracht rechtvaardigen (gemeente Gouda) Anders dan het College van Gouda is de Raad van oordeel dat bijzondere omstandigheden voldoende zijn gebleken. Vast staat dat appellante zich op 24 februari 2005 tot het CWI gewend heeft met de intentie om een WWB-uitkering aan te vragen. Zij is toen verwezen naar de SVB voor het aanvragen van een persoonsgebonden budget ten behoeve van haar moeder en broer en voorts verzocht om terug te komen wanneer een dergelijk budget niet zou worden toegekend. Een dergelijke verwijzing is met het oog op een adequate vervulling van de taak van het College tot het verlenen van bijstand in dit geval onvoldoende. De omstandigheid dat appellante niet aanstonds na het contact met de SVB naar het CWI is teruggekeerd, levert in het licht van de onjuiste verwijzing door het CWI en van wat hetgeen appellante daarna wel heeft gedaan, geen grond op om tot een ander oordeel te komen. BZK 2008/36
|
22-04-2008
Ondanks beschikbare aanwijzingen is het onderzoek naar gezamenlijk hoofdverblijf te summier wegens het ontbreken van concrete vragen, observaties en buurtonderzoek (gemeente Rotterdam) Hoewel diverse feitelijke gegevens wijzen in de richting van gezamenlijk hoofdverblijf op het adres van de vrouw zijn de aanwijzingen nog niet toereikend om het bestaan van een zodanig hoofdverblijf in voldoende mate aannemelijk te achten.
Het College heeft slechts summier nader onderzoek verricht naar de feitelijke woonsituatie van [naam partner] op het adres waar hij stond ingeschreven en waar hij een kamer had. Wel is een bezoek aan dat adres gebracht maar er werd niet opengemaakt. De buurvrouw bleek [naam partner] niet te kennen en zei dat er allerlei vreemde figuren in het pand komen. Niet gebleken is dat aan appellante en [naam partner] concrete vragen zijn gesteld ter zake van zijn feitelijke woonsituatie op laatstgenoemd adres. Evenmin zijn aldaar observaties verricht, noch is getracht nadere informatie te verkrijgen door het bevragen van verschillende buren dan wel bewoners van het pand. Ook zijn geen observaties bij de woning van appellante verricht en is ook daar geen buurtonderzoek gedaan.
BZK 2008/37
|
16-04-2008
De aangeboden meerkansbaan kan niet worden aangemerkt als dwangarbeid (gemeente Beverwijk) Eiser heeft betoogd dat het aangeboden werk strijd oplevert met 4 EVRM. De aangeboden meerkansbaan die hier aan de orde is kan bezwaarlijk als dwangarbeid worden gekwalificeerd. Eiser wordt immers op zichzelf niet gedwongen tot het verrichten van zulk werk, op dreiging van een straf. Wel wordt de bijstandsverlening afgestemd op het getoonde besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het eigen bestaan ex artikel 18 WWB.
De wetgever heeft geen beperkende voorwaarden gesteld aan aard en omvang van het werk en aansluiting op opleiding en ervaring, teneinde zo te bereiken dat een eventueel beroep op inkomensondersteuning zo kort mogelijk is. Dat is, gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van de WWB, het uitgangspunt van deze wet. Daarbij dient uiteraard wel te worden gekeken naar aansluiting bij individuele mogelijkheden van de persoon in verband met gezondheid en belastbaarheid. Niet is gebleken dat hier aan voorbij is gegaan. BZK 2008/34
|
16-04-2008
Artikel 11 jo. 16 WWB is in geval van deze ongewenstverklaring in strijd met artikel 3 EVRM (gemeente Baarn) Volgens artikel 11 jo. 16 WWB heeft de gemeente Baarn de bijstand aan deze vreemdeling wegens GBA-code 98 terecht beëindigd.
Als gevolg van vaste jurisprudentie van de Raad van State inzake besluiten tot ongewenstverklaring is de situatie ontstaan dat het verblijfsrecht is beëindigd, zonder dat er een rechterlijk oordeel is gegeven over de rechtmatigheid daarvan.
De voorzieningenrechter ziet termen aanwezig om de twee bestuursrechtelijke trajecten te verbinden. Niet is in rechte is komen vast te staan dat de tegenwerping van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag rechtmatig is. Deze casus zou de conclusie kunnen dragen dat sprake is van een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.
Beëindiging van bijstand geschorst.
BZK 2008/45
|
08-04-2008
Of wegens een verzwegen gezamenlijke huishouding en een gestelde zorgrelatie sprake is van een discriminatoir onderscheid vergt een nadere beoordeling, waarvoor de voorlopige voorzieningprocedure zich niet leent (gemeente Amsterdam) Wegens een verzwegen gezamenlijke huishouding is de bijstand ingetrokken. Aangevoerd is dat hier sprake is van een discriminatoir onderscheid, aangezien het hier gaat om een zorgrelatie. Verzocht is artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB buiten toepassing te laten wegens strijd met (onder meer) artikel 26 IVBPR.
De Voorzieningenrechter CRvB wijst op CRvB 9 maart 2004 nr. 01/4355 ANW, LJN AO5661. Indien ten opzichte van de uitzonderingsgroepen volgens art. 3, tweede lid, onder a WWB resp. art. 17, tweede lid, AOW van gelijke gevallen kan worden gesproken, zal ook moeten worden beoordeeld of, mede in het licht van de wetsgeschiedenis, het gewraakte onderscheid door redelijke en objectieve gronden wordt gerechtvaardigd.
Een en ander vergt een nadere beoordeling door het College van de gemeente Amsterdam en vervolgens ook door de rechter, waarvoor de voorlopige voorzieningprocedure zich niet goed leent. Van een grote mate van waarschijnlijkheid dat deze grief van verzoekster zal slagen is, afgaande op de thans voorhanden zijnde gegevens, geen sprake.
BZK 2008/32
|
07-04-2008
Door niet uiterlijk binnen drie maanden de 100%-maatregel wegens weigering van een traject Work First te heroverwegen heeft de gemeente in strijd gehandeld met artikel 18, derde lid, WWB (gemeente Haarlem) De gemeente Haarlem heeft de bijstand met ingang van 1 januari 2008 voor de duur van zes maanden verlaagd met 100% omdat niet wordt meegewerkt aan een traject Work First Paswerk. Door niet uiterlijk binnen drie maanden (uiterlijk per 1 april 2008) de verlaging van de uitkering te heroverwegen heeft verweerder in strijd gehandeld met artikel 18, derde lid, WWB.
Op grond van de rapportage van een psychiater rijst er twijfel of de gedragingen van verzoeker hem volledig kunnen worden verweten. Verweerder zal in ieder geval niet zonder nader onderzoek naar de psychische toestand van verzoeker kunnen beslissen tot onverminderde voortzetting van de maatregel van verlaging van de uitkering met 100%. De voorzieningenrechter ziet, gelet op de betrokken belangen, hierin aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.
BZK 2008/52
|
01-04-2008
De 30-dagenregel staat in dit geval van oververmogen intrekking voor onbepaalde duur in de weg (gemeente Amsterdam) Wegens een prijs in de postcodeloterij en oververmogen is de bijstand ingetrokken.
Gelet op artikel 19, eerste lid, WWB jo. artikel 45, derde lid, WWB (30-dagenregel) had na de intrekking een herbeoordeling in dit geval niet achterwege mogen blijven. In deze bepalingen ligt immers besloten dat in geval de bijstandsverlening gedurende ten minste 30 dagen is onderbroken of had kunnen worden onderbroken de bijstandsbehoevendheid van een belanghebbende na afloop van die periode opnieuw kan worden aangenomen, indien het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de bijstandsnorm en vaststelling van het dan feitelijk beschikbare vermogen meebrengt dat er geen in aanmerking te nemen vermogen is.
Nagegaan had moeten worden in hoeverre er na dertig dagen recht op algemene bijstand was en zo ja, wat het feitelijk beschikbare vermogen en, afgezet tegen de dan geldende vermogensgrens, de resterende vrije vermogensruimte was.
De enkele vaststelling dat sprake was van in aanmerking te nemen vermogen biedt voldoende basis voor intrekking van de bijstand met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB voor de periode van dertig dagen. Gelet op de door appellant aangedragen gegevens is deze vaststelling echter ontoereikend om een intrekking van de bijstand voor onbepaalde duur te kunnen dragen.
BZK 2008/28
|
26-03-2008
Bij afstemming wegens een zeer ernstige misdraging is een beoordeling van de psychische omstandigheden noodzakelijk om de mate van verwijtbaarheid te bepalen (gemeente Rotterdam) De afstemming wegens het niet behouden van een baan kan volgens de rechtbank niet in stand blijven wegens onvoldoende onderzoek.
De rechtbank volgt eiser niet als hij stelt dat hij zich alleen agressief naar zichzelf heeft opgesteld. Betrokkene heeft telefonisch gedreigd dat hij met een mes zou steken en heeft gezegd dat de medewerkers kapot moeten. Er is sprake van gedrag dat in het normale menselijke verkeer als onacceptabel moet worden beschouwd.
Voorts is de rechtbank van oordeel dat het zich misdragen jegens een medewerker van een reïntegratiebureau wel degelijk is te kwalificeren als het zich misdragen jegens het college als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB, nu ook deze personen werken in opdracht van het college. Het in artikel 18, tweede lid, van de WWB vereiste verband tussen de gedraging en de op eiser ingevolge de WWB rustende verplichtingen is in dit geval aanwezig.
Uit de overgelegde rapportage van BAVO Europoort blijkt dat eiser een paranoïde, alsook een zelfondermijnende persoonlijkheidsstoornis heeft. De rechtbank acht dit van invloed op de mate van verwijtbaarheid, zodat de toegepaste afstemming moet worden gematigd. BZK 2008/33
|
26-03-2008
Bij de indiening van het bezwaarschrift (faxbericht) vormt de enkele vermelding op het verzendjournaal van de status "OK" geen sluitend bewijs van de tijdige verzending (gemeente Maastricht) De indiener kan niet aannemelijk maken dat het bezwaarschrift daadwerkelijk per fax is verzonden. Het verzenden van een faxbericht is weliswaar een geoorloofde wijze van verzending, maar het risico hiervan ligt ingevolge vaste rechtspraak bij de verzender. De enkele vermelding op verzendjournaal van de status "OK" vormt geen sluitend bewijs van de verzending. De ontvanger mag op zijn beurt niet volstaan met een enkele ontkenning van de ontvangst. Op hem rust een onderzoeksplicht, die qua aard en omvang mede wordt bepaald door de opstelling van de verzender, die in dit geval twee maanden heeft stilgezeten. BZK 2008/27
|
25-03-2008
Deze afstemming na intrekking resp. terugvordering wegens verzwegen detentie wordt aangemerkt als een punitieve (bestraffende) sanctie (gemeente Zwolle) In dit geval heeft de schending van de inlichtingenplicht voor betrokkene geleid tot de intrekking van zijn bijstandsuitkering over de periode van detentie gedurende één week. Aansluitend is een terugvordering ingesteld. Het vervolgens ook nog tijdelijk verlagen van de uitkering in een periode nadien heeft in elk geval mede als effect gehad dat eiser (extra) leed is toegebracht en daarmee is die verlaging aan te merken als een punitieve (bestraffende) sanctie.
De rechtbank heeft om die reden niet alleen te beoordelen of de gemeente Zwolle op grond van artikel 2, tweede lid, van de Afstemmingsverordening af had moeten wijken van de opgelegde standaardmaatregel. Of dat de gemeente een dringende reden in de zin van artikel 13, tweede lid, van die verordening aan had moeten nemen. Ook is van belang of de verlaging van de uitkering niet onevenredig is te achten. Wegens strijd met het motiveringsbeginsel wordt het bestreden besluit vernietigd, met handhaving van de rechtsgevolgen.
BZK 2008/31
|
19-03-2008
De verjaring van deze terugvordering is niet tijdig gestuit (gemeente Valkenswaard) In de Abw en de WWB is geen regeling opgenomen over de verjaring van het recht op terugvordering van gemaakte kosten van bijstand. Het is de bedoeling dat voor de regeling van de verjaring aansluiting wordt gezocht bij de regeling in het BW.Door eerdere stuiting is, gelet op het bepaalde in artikel 3:319 van het BW een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaren gaan lopen.
Door een vervolghandeling van de gemeente Valkenswaard binnen deze nieuwe termijn is de verjaringstermijn niet opnieuw gestuit. De brief aan de curator is immers verstuurd, nadat het faillissement waarin de curator was benoemd alweer was opgeheven. Deze brief kan daarom niet worden gezien als een daad van rechtsvervolging van de zijde van de gerechtigde als bedoeld in artikel 3:316 van het BW. Op dat moment was de curator immers niet meer de bevoegde persoon om tot uitbetaling van de openstaande vordering op eiser over te gaan. Bij het besluit van terugvordering is de gemeente niet binnen die laatste termijn van vijf jaren gebleven.
BZK 2008/30
|
19-03-2008
Geen afstemming nu betrokkene vooraf geen toestemming heeft gevraagd voor zijn opleiding (gemeente Amsterdam) Volgens de gemeente Amsterdam is betrokkene verplicht vooraf toestemming te vragen voor het volgen van een opleiding aan de Universiteit van Amsterdam, hetgeen hij heeft nagelaten. De bijstand is eenmalig verlaagd met € 200.
Blijkens de wetsgeschiedenis kent de WWB geen algemene uitsluitingsgrond wanneer de belanghebbende op eigen initiatief een scholing of opleiding volgt van meer dan 19 uur per week. Het is dan aan de gemeente om te bepalen of in het individuele geval de opleiding noodzakelijk is en zo niet of deze de reïntegratie belemmert.
Betrokkene is zijn inlichtingenplicht volgens artikel 18 WWB niet nagekomen. In de Afstemmingsverordening is geen bepaling is opgenomen op grond waarvan voor het niet of onvoldoende nakomen van de inlichtingenplicht volgens artikel 17, eerste lid, van de WWB de bijstand kan worden verlaagd, zodat een deugdelijke motivering voor de afstemming ontbreekt.
BZK 2008/40
|
11-03-2008
De gemeente hoeft een plastic tas met ongeopende stukken bij wijze van aanvraag niet in behandeling te nemen, maar mag van de betrokkene in redelijkheid verlangen de relevante gegevens geordend aan te leveren (gemeente Den Haag) Bij de aanvraag heeft betrokkene volstaan met het aanleveren van een plastic tas met ongeopende stukken. Na een hersteltermijn is de aanvraag buiten behandeling gelaten.
De rechtbank overweegt dat op betrokkene de plicht rust, als degene die bijstand aanvraagt, om de gemeente op zo’n manier gegevens te overhandigen dat op redelijk eenvoudige wijze inzicht kan worden verkregen in zijn inkomens- en vermogenspositie.
De Raad wijst er op dat de gemeente op grond van artikel 53a, eerste lid, WWB bevoegd is om de wijze van het verstrekken van gegevens te bepalen. De Raad is niet gebleken dat het College niet in redelijkheid van appellant heeft kunnen verlangen de gevraagde gegevens geordend aan te leveren.
BZK 2008/18
|
11-03-2008
Het voor onbepaalde duur verlagen van de bijstand is in strijd met artikel 18 WWB (gemeente Tilburg) Gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 18, tweede lid, van de WWB is de Raad van oordeel dat het voor onbepaalde duur verlagen van de bijstand in strijd is met de WWB. De Raad is niet gebleken dat de wetgever met artikel 18, tweede lid, van de WWB op dit punt heeft willen afwijken van dit, mede door de rechtszekerheid en het vangnetkarakter van de bijstandswetgeving ingegeven, uitgangspunt.
In het bepaalde in artikel 18, derde lid, van de WWB ziet de Raad geen aanwijzing dat de wetgever verlaging van de bijstand voor onbepaalde tijd mogelijk heeft willen maken. Daarbij wijst de Raad er op dat deze bepaling niet verhindert dat een opgelegde verlaging voor onbepaalde tijd voortduurt.
Dit leidt ertoe dat artikel 5, vijfde lid, van de Afstemmingsverordening Tilburg wegens strijd met artikel 18, tweede lid, van de WWB onverbindend is.
BZK 2008/21
|
11-03-2008
Wegens zijn verzorgingsbehoefte voert betrokkene een gezamenlijke huishouding met zijn ex-echtgenote. Daarop ziet de uitzonderingsbepaling van artikel 16 WWB (zeer dringende redenen) niet (gemeente Oss) Artikel 16, eerste lid, van de WWB bevat de mogelijkheid om bijstand te verlenen aan personen die niet behoren tot de kring van rechthebbenden als omschreven in paragraaf 2.2, indien daartoe zeer dringende redenen noodzaken. Met de gemeente Oss en anders dan de voorzieningenrechter en betrokkene, is de Raad van oordeel dat betrokkene niet is uitgesloten van deze kring van rechthebbenden.
Aan betrokkene is bijstand geweigerd om andere redenen namelijk omdat hij een gezamenlijke huishouding voert met een ander die geacht kan worden over de middelen te beschikken om te voorzien in beider bestaan. Daarop ziet de uitzonderingsbepaling van artikel 16, eerste lid, van de WWB niet.
BZK 2008/22
|
11-03-2008
Bij een EU-onderdaan mag niet worden volstaan met een verwijzing naar door de IND afgegeven verblijfscode. Bij betwisting hoort de gemeente de juistheid van de GBA-code te onderzoeken (gemeente Breda) Volgens CRvB 13 juni 2006 nr. 04/5832 NABW, LJN AY3868 kan het bestuursorgaan bij de beoordeling van het recht op bijstand van personen met de status van EU-onderdaan niet volstaan met een verwijzing naar door de IND afgegeven verblijfscodes, maar dient het zelfstandig na te gaan of de belanghebbende bijvoorbeeld behoort tot de kring van economisch actieven. Dit geldt ook indien het, zoals hier, gaat om de beoordeling van een aanvraag.
De Commissie van de gemeente Breda heeft zich in dit geval beperkt tot verificatie van de GBA-code waarmee de echtgenoot van appellante stond geregistreerd. Daarmee had de Commissie, gelet op de status van EU-onderdaan van de echtgenoot en de overige bekend zijnde gegevens, niet mogen volstaan, te meer niet nu appellante in bezwaar die code uitdrukkelijk betwistte. Het had dan ook op de weg van de Commissie gelegen naar de juistheid van die code nader onderzoek te verrichten. Nu dit is nagelaten voldoet het bestreden besluit niet aan de eisen die daaraan uit een oogpunt van zorgvuldigheid worden gesteld.
BZK 2008/24
|
07-03-2008
Zonder contra-expertise is betrokkene kansloos, zodat de noodzaak van de kosten vaststaat. Omdat niet is gebleken dat betrokkene niet had kunnen reserveren of lenen is bijzondere bijstand terecht afgewezen (gemeente Nijmegen) Wil betrokkene met enige kans op succes de adviezen van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts bestrijden, dan is een door een ter zake deskundige uitgevoerde contra-expertise onontbeerlijk. De rechtbank acht dan ook aannemelijk dat zonder die contra-expertise eiseres in het geding tegen het UWV nagenoeg kansloos is, waardoor afbreuk gedaan zou worden aan het beginsel van “equality of arms”.
Hieruit volgt dat de gemeente Nijmegen ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat de kosten van psychiatrische expertise niet als noodzakelijke kosten kunnen worden aangemerkt als bedoeld in artikel 35, eerste lid, WWB. De rechtbank is tevens van oordeel dat deze kosten niet voortvloeien uit bijzondere individuele omstandigheden. BZK 2008/20
|
04-03-2008
Op een aanvraag om bijzondere bijstand (verhuis- en inrichtingskosten) is een gestructureerde beoordeling van bijzondere omstandigheden van toepassing (gemeente Eindhoven) Uit het systeem van artikel 35 jo. 48 WWB vloeit voort dat de vraag in welke vorm bijstand moet worden verleend pas aan de orde komt nadat het bestuursorgaan heeft vastgesteld dat de belanghebbende recht heeft op bijstand. Voor deze aanvraag om bijzondere bijstand in de kosten van duurzame gebruiksgoederen betekent moet de gemeente Eindhoven eerst beoordelen of betrokkene voldoet aan de in artikel 35, eerste lid, van de WWB genoemde voorwaarden. In dat verband dient eerst te worden beoordeeld of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen.
Vervolgens dient het College toepassing te geven aan artikel 51 van de WWB en te beoordelen of de bijzondere bijstand wordt verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht, dan wel in de vorm van een bedrag om niet. Nu in dit geval uitsluitend de vorm van de bijstand is beoordeeld is niet komen vast te staan of de gevraagde kosten zich voordeden en is het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid.
BZK 2008/17
|
27-02-2008
Ondanks niet toegestaan verblijf in het buitenland heeft betrokkene (als nugger) recht op de gemeentelijke werkaanvaardingspremie (gemeente Rotterdam) Niet betwist is dat betrokkene in de periode van circa zes weken dat zij geen bijstandsuitkering ontving jonger dan 65 jaar was, dat zij gedurende die periode als werkloze werkzoekende geregistreerd stond bij het CWI en dat zij (wegens verblijf in het buitenland zonder voorafgaande toestemming) geen recht had op een uitkering op grond van de WWB of enige andere wet of regeling. De gemeente heeft bevestigd dat eiseres hiermee onder de definitie van een nugger van artikel 6 (oud) van de WWB valt.
Met betrokkene is de rechtbank dan ook van oordeel dat zij, voor wat betreft de periode van circa zes weken in 2005 dat zij in het buitenland verbleef, kan worden aangemerkt als nug’er in de zin van de WWB en de Reïntegratieverordening. Anders dan de gemeente stelt, voldoet zij dus wel aan de referte-eis die in de gemeentelijke beleidsregels is opgenomen voor de werkaanvaardingspremie van € 500.
BZK 2008/16
|
26-02-2008
Na verhuizing wegens ontruiming heeft de gemeente bij de intrekking van de bijstand ten onrechte geen belangenafweging gehanteerd (gemeente Sluis) Betrokkene heeft reeds vanaf de bezwaarfase bij herhaling gewezen op de omstandigheden waaronder zij haar woning, en in het verlengde daarvan de gemeente Sluis, heeft moeten verlaten en het College verzocht hiermee rekening te houden.
Uit de gedingstukken blijkt echter niet dat het College met betrekking tot de gebruikmaking van de discretionaire bevoegdheid tot intrekking op enigerlei wijze een belangenafweging heeft gemaakt. De Raad is van oordeel dat daaruit volgt dat het College niet in redelijkheid van de bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken.
BZK 2008/26
|
25-02-2008
Gelet op de beperkte impact op betrokkene betreft het huisbezoek (hennepkwekerij) een schending van een sociaal grondrecht, waarvoor de gemeente een compensatie dient te bieden via matiging van de terugvordering (gemeente Amsterdam) In het kader van het project “Klant in Beeld” heeft de gemeente Amsterdam bij eiser een huisbezoek afgelegd. Gesteld noch gebleken is dat in het geval van eiser objectieve feiten en omstandigheden bekend waren op grond waarvan redelijkerwijs kon worden getwijfeld aan de juistheid of de volledigheid van de door betrokkene, voor het vaststellen van (de omvang van) het recht op bijstand van belang zijnde, verstrekte gegevens.
Eiser heeft opgemerkt dat hij wel toegang tot het huisbezoek heeft gegeven, maar dat hij niet wist dat hij ook toestemming had mogen weigeren. Naar het oordeel van de rechtbank staat genoegzaam vast dat de controleurs zijn binnengetreden zonder voorafgaande “informed consent. Dit betekent dat de tijdens het huisbezoek aan het licht gekomen gegevens moeten worden aangemerkt als onrechtmatig verkregen bewijs.
Gelet op de beperkte impact die het huisbezoek op eiser blijkt te hebben gehad is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende aanleiding is voor het oordeel dat verweerder de tijdens het huisbezoek verkregen informatie niet had mogen gebruiken. Anderzijds kan genoemde inbreuk niet geheel zonder gevolgen blijven. Het betreft hier immers de schending van een sociaal grondrecht. Daarom dient verweerder voor die inbreuk een compensatie te bieden door middel van matiging van het bedrag van de terugvordering.
BZK 2008/14
|
19-02-2008
De specificatie van inhouding ziekenfondspremie is geen besluit met rechtsgevolg, zodat het bezwaar niet-ontvankelijk moet worden verklaard (gemeente Nijmegen) De specificatie betreffende de inhouding van de ziekenfondspremie over oktober 2005 behelst geen schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling, en kan dus niet worden beschouwd als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het bezwaar tegen de specificatie is niet-ontvankelijk
BZK 2008/12
|
19-02-2008
De verplichting dat betrokkene zijn aandeel in de woning in Turkije te gelde maakt (of een persoonlijke lening sluit) is voor hem onevenredig bezwarend en wordt vernietigd (gemeente Amsterdam) Volgens de gemeente Amsterdam kan betrokkene de woning in Turkije niet kan bezwaren met een hypothecaire geldlening. Niet wordt ingezien door de Raad dat betrokkene zijn aandeel in de woning wel zou kunnen bezwaren door middel van het afsluiten van een persoonlijke lening, wegens zijn ontoereikende financiële positie.
Gelet op de beperkte vermogensoverschrijding van € 2.200 kan in redelijkheid niet van betrokkene worden gevergd dat hij het in de woning gebonden vermogen door verkoop van die woning te gelde maakt, indien dat ertoe zou leiden dat zijn echtgenote de woning zou moeten verlaten. Verkoop van de woning in bewoonde staat aan een derde is geen reële optie.
De aan de bijstand verbonden voorwaarde is, in verhouding tot het daarmee te dienen doel, ten opzichte van appellant onevenredig bezwarend en wordt vernietigd.
BZK 2008/13
|
19-02-2008
Het territorialiteitsbeginsel verzet zich niet tegen verlening van de langdurigheidstoeslag indien een betrokkene zonder toestemming langer dan de gebruikelijke vakantieduur in het buitenland verblijf houdt (gemeente ’s-Hertogenbosch) Volgens de gemeentelijke beleidsregel verzet het territorialiteitsbeginsel zich tegen verlening van de langdurigheidstoeslag indien een betrokkene zonder toestemming langer dan de gebruikelijke vakantieduur in het buitenland verblijf houdt.
De Raad volgt deze regel niet. In artikel 36, zesde lid, van de WWB is artikel 11 noch artikel 13, eerste lid, aanhef en onder d, van de WWB van overeenkomstige toepassing verklaard. Betrokkene kan het recht op langdurigheidstoeslag niet worden ontzegd enkel op de grond dat zij, zonder toestemming van het College, langer dan de gebruikelijke vakantieduur buiten Nederland heeft verbleven en daarom enige tijd geen bijstand heeft ontvangen. BZK 2008/15
|
15-02-2008
Artikel 36 WWB biedt geen ruimte voor de gemeentelijke beleidsregels: geen aanspraak op langdurigheidstoeslag bij misbruik of fraude (gemeente Rotterdam) Artikel 36 WWB bevat een dwingendrechtelijke bepaling om over te gaan tot verstrekking van een langdurigheidstoeslag, indien de aanvrager aan de voorwaarden voldoet. Het beleid dat de gemeente Rotterdam voert met betrekking tot de in deze bepaling genoemde voorwaarden, kan niet worden aangemerkt als beleidsregels op basis van een bevoegdheid, maar als uitleg van de in die voorwaarden neergelegde beoordelingsruimte voor de gemeente.
Het beleid heeft echter noch betrekking op de feitelijke aanwezigheid van arbeidsmarktperspectief, noch op de beoordeling van de vraag of de betrokkene in voldoende mate heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en heeft aanvaard. Naar het oordeel van de rechtbank bieden sub a en d geen beoordelingsruimte voor de gemeente.
BZK 2008/10
|
29-01-2008
De Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) kan niet als een toereikende en passende voorziening voor reiskosten worden aangemerkt (gemeente Ubbergen) Uit de toelichting op de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) volgt dat budgettaire redenen voor de wetgever van doorslaggevend belang zijn geweest geen vergoeding voor reiskosten in de WTOS op te nemen. Daarbij komt nog dat expliciet is aangegeven dat degenen die onvoldoende middelen hebben in deze kosten te voorzien, een beroep op de bijzondere bijstand kunnen doen. De rechtbank is van oordeel dat de WTOS niet als een toereikende en passende voorliggende voorziening voor de hier bedoelde reiskosten kan worden aangemerkt. BZK 2008/09
|
25-01-2008
Betrokkene (niet-zelfstandige) is gerechtigd met behoud van bijstand werkzaamheden voor eigen rekening te verrichten zonder urenbeperkingen (gemeente Zevenaar) Op betrokkene is de lokale 8-urenregeling van toepassing die geldt voor marginale zelfstandigen. Het beleid van de gemeente Zevenaar, waarbij een bijstandsgerechtigde wordt verplicht zijn activiteiten als zelfstandige te beperken tot maximaal 8 uren per week of 32 uren per maand, vindt echter geen steun in de WWB.
Betrokkene (met een praktijk voor alternatieve geneeswijzen) is in beginsel gerechtigd met behoud van bijstand werkzaamheden voor eigen rekening te verrichten, zonder dat daaraan de opgelegde beperking kan worden gesteld. Dit neemt niet weg dat zij dient te voldoen aan de reguliere arbeidsverplichtingen.
BZK 2008/07
|
25-01-2008
Alleen bij een ontbrekende aanvullende ziektekostenverzekering zou sprake kunnen zijn van tekortschietend verantwoordelijkheidsbesef, afhankelijk van de individuele omstandigheden (gemeente Hoogezand-Sappemeer) De gemeente Hoogezand-Sappemeer verwijt betrokkene dat zij 'onderverzekerd' is. Ten aanzien van de gestelde verwijtbaarheid heeft de gemeente geen (begin van) motivering heeft gegeven. Indien iemand in het geheel geen (aanvullende) verzekering voor tandarts-kosten heeft afgesloten, zou mogelijk gesteld kunnen worden dat er sprake is van tekort-schietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Maar ook dan zullen de individuele omstandigheden van het geval beoordeeld moeten worden, hetgeen hier niet heeft plaats gevonden. BZK 2008/08
|
23-01-2008
In artikel 9 WWB is niet opgenomen de plicht om algemeen geaccepteerde arbeid te behouden, zodat terzake geen maatregel kan worden opgelegd (gemeente Delft) In artikel 9 WWB is niet opgenomen de plicht om algemeen geaccepteerde arbeid te behouden. Ook uit de wetsgeschiedenis volgt niet dat wel beoogd is deze plicht onder de arbeidsinschakelende verplichtingen te laten vallen. Nu artikel 9 van de Maatregelenverordening het opleggen van een maatregel betreft wegens het niet nakomen van de arbeidsverplichting als bedoeld in artikel 9 van de WWB en in deze bepaling niet de norm is gesteld om algemeen geaccepteerde arbeid te behouden, kan ter zake niet een maatregel worden opgelegd. BZK 2008/06
|
22-01-2008
Voor de bijstand aan deze minderjarige van vijf jaar moet volgens het afstemmingsvereiste aansluiting worden gezocht bij de norm voor 18-20-jarigen (gemeente Eindhoven) Wat de hoogte van de bijstand betreft aan deze minderjarige ligt het voor de hand dat aansluiting wordt gezocht bij de norm voor alleenstaanden van 18, 19 en 20 jaar als bedoeld in artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB. De gemeente dient, gelet op het in artikel 18, eerste lid, van de WWB neergelegde afstemmingsvereiste, aan de hand van de individuele omstandigheden van de minderjarigen te bezien welk bedrag aan bijstand is aangewezen. BZK 2008/04
|
22-01-2008
Het beleid inzake bijstand aan voortvluchtige gedetineerden is in strijd met de wet (gemeente Den Haag) Aan een voortvluchtige gedetineerde wordt door de gemeente Den Haag in de regel geen bijstandsuitkering verstrekt, ook niet indien een zogenaamd passief opsporingsbeleid wordt gevoerd, zoals in dit geval. In het gemeentelijk handboek is evenwel vermeld dat er onder bepaalde omstandigheden toch tot bijstandsverlening overgegaan kan worden. De rechtbank kwalificeert dit beleid als buitenwettelijk, omdat het onttrekken aan detentie niet als weigeringsgrond voor de verlening van bijstand in de wet is opgenomen. De rechtbank acht het daarom in strijd met de wet. BZK 2008/05
|
22-01-2008
Wegens oververmogen en het ontbreken van bijzondere omstandigheden is de bijstand terecht ingetrokken (gemeente Roermond) Wegens een verzwegen vermogensoverschrijding is de bijstand gedurende een periode van 1998-2005 ingetrokken. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, te weten dat de waarde van hun vermogen de vermogensgrens slechts met een gering bedrag te boven ging, wat hier ook van zij, ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan de gemeente Roermond, met (overeenkomstige) toepassing van artikel 4:84 (slot) Awb, van het beleid had moeten afwijken. BZK 2008/19
|
22-01-2008
Bij deze intrekking en terugvordering wegens een verzwegen hennepkwekerij is het verschoningsrecht niet van toepassing i.v.m. de inlichtingenplicht (gemeente Zeist) Nu de resten van hennepplanten zijn aangetroffen is de bijstand over een groeicyclus van 43 weken ingetrokken en teruggevorderd. Volgens betrokkene is sprake van ten onrechte verkregen bewijs.
Volgens vaste rechtspraak (CRvB 3 januari 2006 nr. 04/2827 NABW, LJN AU9232) is er eerst sprake van een beletsel, indien is gebleken dat de bewijsmiddelen zijn verkregen op een wijze die zodanig indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Niet gebleken is dat in deze zaak sprake is van een dergelijke situatie.
Het verschoningsrecht is niet van toepassing bij de toepassing van de in artikel 17, eerste lid, van de WWB neergelegde inlichtingenverplichting.
BZK 2008/23
|
22-01-2008
De stelling dat de bijstand niet als Bbz-krediet had moeten worden toegekend is geen dringende reden om van terugvordering af te zien (gemeente Reeuwijk) Volgens vaste jurisprudentie kan een dringende reden alleen betrekking hebben op de onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene (CRvB 5 januari 2005 nr. 03/178 NABW, LJN AS2084). Dat de bijstand destijds nimmer als Bbz-krediet had moeten worden toegekend of dat de afwikkeling van het faillissement veel te lang heeft geduurd – zoals eisers hebben gesteld – zijn geen dringende redenen. Dat het bedrijf (detacheringsbureau) vanwege het ontbreken van opdrachten geen omzet en geen inkomen genereert, nog daargelaten dat dit voor het eerst in beroep naar voren is gebracht, is evenmin een dringende reden om van terugvordering af te zien. BZK 2008/29
|
15-01-2008
De gevolgen van niet-nakoming extra verplichting (in dit geval opeisen legitieme portie) moeten worden beoordeeld aan de hand van afstemming en niet aan de hand van intrekking (gemeente Wijdemeren) Op grond van artikel 55 WWB is de gemeente Wijdemeren bevoegd betrokkene de verplichting op te leggen de legitieme portie op te eisen. De medewerkingsplicht ligt in het verlengde van de algemene inlichtingenplicht volgens artikel 17 WWB. Aan artikel 54 WWB, eerste lid, komt geen ruimere strekking toe dan bedoeld in artikel 17, tweede lid, WWB, dus de intrekking is in dit geval niet terecht. Bij niet-nakoming van de verplichting is de gemeente gehouden de afstemming volgens artikel 18 WWB resp. de in 8 WWB genoemde verordening te hanteren. BZK 2008/03
|
10-01-2008
Bij de vaststelling van de beslagvrije voet (2006) is terecht geanticipeerd op wetswijziging (2008) (gemeente Amsterdam) Per 1 januari 2006 is de Zorgverzekeringswet (Zvw) in werking getreden. Op grond van deze wet dient de verzekeringsnemer een inkomensafhankelijke bijdrage (normpremie), een nominale premie voor de basisverzekering en desgewenst een premie voor de aanvullende ziektekostenverzekering (aanvullende premie) te betalen. De vraag die thans moet worden beantwoord is met welke bestanddelen van de in artikel 475d Rv bedoelde “ziektekostenpremie” de beslagvrije voet mag worden verhoogd.
De gemeente Amsterdam heeft zich, bij de vaststelling van de beslagvrije voet per 1 juni 2006, terecht op het standpunt gesteld dat in dit geval geanticipeerd mag worden op de wijziging van artikel 475d, vijfde lid, aanhef en onder a, Rv [Wet van 24 mei 2007, Stb. 2007, 192].
Het huidige artikel 475d Rv noch artikel 45 van de Awir verzet zich tegen de wijze waarop de gemeente de maximale aflossingscapaciteit heeft vastgesteld. Dit betekent dat de beslagvrije voet, ook reeds vóór 1 januari 2008, in beginsel kan worden verhoogd met het bedrag aan normpremie, nominale premie en (indien van toepassing) de aanvullende premie, minus de normpremie en minus de ontvangen zorgtoeslag.
BZK 2008/38
|
08-01-2008
Wegens trage besluitvorming door gemeente en voorafgaande toekenning van een WW–uitkering is bij deze terugvordering geen sprake van naderhand verkregen middelen (gemeente Amsterdam) Bij besluit van 23 augustus 2004 is bijstand toegekend vanaf datum aanvraag (20 april 2004). Bij besluit van 18 augustus 2004 is door het UWV met ingang van 19 april 2004 een WW-uitkering toegekend. Volgens de Raad biedt artikel 58, eerste lid, onder e en f WWB hier geen grondslag voor terugvordering. Dit is wel het geval met artikel 58, eerste lid, onder a WWB. BZK 2008/11
|
02-01-2008
Aanvragen van een langdurigheidstoeslag kan niet plaats vinden aan de hand van een rijbewijs (gemeente Noardwest Fryslân) Uit de tekst van artikel 17, derde lid, WWB kan niet anders worden afgeleid dan dat bij de uitvoering van de WWB de identiteit van de belanghebbende wordt vastgesteld aan de hand van de in dit artikel voorgeschreven documenten. Nu de langdurigheidstoeslag wordt beheerst door de WWB kan niet worden ingezien dat de langdurigheidstoeslag niet valt onder de reikwijdte van artikel 17, derde lid, van de WWB inclusief de langdurigheidstoeslag. Gelet op het dwingendrechtelijke karakter van artikel 17, derde lid, van de WWB, staat deze bepaling in de weg aan het vaststellen van de identiteit van de aanvragen van langdurigheidstoeslag aan de hand van een rijbewijs.
BZK 2008/01
|
02-01-2008
De verjaring (vijf jaar) van de geldlening voor onbepaalde tijd vangt aan op de dag, waarop de gemeente tot opeising overgaat (gemeente Rotterdam) In dit geval ontbreekt bij de toekenning van de geldlening een ingangsdatum voor de aflossing. De verjaring start niet met de datum van toekenning (1997) van de geldlening (volgens de opvatting van de rechtbank). Met overeenkomstige toepassing van artikel 3:307 tweede lid BW verjaart de terugvordering volgens de Raad door verloop van vijf jaar vanaf de dag, volgend op die waartegen de gemeente Rotterdam heeft meegedeeld tot opeising over te gaan (2003). Betrokkene heeft er niet op mogen vertrouwen dat van terugvordering zou worden afgezien. BZK 2008/02
|
31-12-2007
De toegekende bijzondere bijstand (overbruggingsuitkering wegens normwijziging naar alleenstaande) is niet onjuist (gemeente Groningen) Ter bepaling van de hoogte van de overbruggingsuitkering heeft het College van Groningen een richtlijn ontwikkeld, inhoudende dat de hoogte van de bijzondere bijstand het verschil is tussen de bijstandsnorm voor een 18- tot 21-jarige (exclusief vakantietoeslag), de toelage Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) en eventuele ander inkomen (exclusief vakantietoeslag) van het kind. Daarmee ontvangt betrokkene een bedrag aan bijzondere bijstand ter hoogte van de norm die overeenkomt met de norm die haar dochter zou hebben ontvangen indien zij niet schoolgaand zou zijn dan wel geen WTOS-toelage zou ontvangen.
De Raad is van oordeel dat deze vaststelling van de hoogte van de te verlenen bijzondere bijstand in zijn algemeenheid in een geval als hier aan de orde niet onjuist is. De Raad is voorts van oordeel dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat in haar concrete situatie de betreffende toelage in onvoldoende mate tegemoetkomt aan de inkomensachteruitgang als gevolg van het bereiken van de 18 jarige leeftijd van haar dochter.
BZK 2007/18
|
31-12-2007
Nu de term: “Jullie flopmarokkanen” niet kan worden bewezen is de afstemming met € 75,00 wegens een ernstige misdraging ten onrechte opgelegd (gemeente Amersfoort) Een verlaging wegens een misdraging volgens artikel 18 WWB moet worden aangemerkt als een punitieve (bestraffende) sanctie. Op het College (gemeente Amersfoort) rust de bewijslast om voldoende aannemelijk te maken dat van agressie sprake is geweest.
Nu [klantmanager] en betrokkene zich in geschrifte in tegengestelde zin hebben uitgelaten over het gesprek in de spreekkamer onder vier ogen, kan bij gebrek aan andere aanwijzingen niet met voldoende zekerheid worden aangenomen dat de gewraakte uitlating is gedaan. Reeds hierom kan niet worden geoordeeld dat van agressie in de zin van artikel 18, eerste lid, WWB jegens een ambtenaar van het College sprake is geweest.
BZK 2007/17
|
21-12-2007
Bij de vaststelling van de langdurigheidstoeslag (in het geval van de IOAW-norm) moeten deze gemeentelijke beleidsregels buiten toepassing blijven (gemeente Amsterdam) De in artikel 36, eerste lid, onder a, WWB, vervatte norm biedt in beginsel geen ruimte voor nadere invulling door het bestuursorgaan. Ook de Raad gaat er van uit dat voor de bepaling van het inkomen in de referteperiode uitgegaan moet worden van het netto-inkomen zoals dat feitelijk is ontvangen, inclusief eventuele vakantietoeslag.
De gemeente Amsterdam zal een toetsing aan de wettelijke norm niet achterwege kunnen laten en zich niet mogen beperken tot een toetsing aan de – met de wettelijke norm strijdige – norm uit zijn Beleidsregels. Daar waar toetsing aan de wettelijke norm leidt tot de conclusie dat eiser aan die norm voldoet, zal de gemeente zijn Beleidsregels buiten toepassing moeten laten.
BZK 2007/16
|
21-12-2007
Bijzondere omstandigheden (artikel 4:84 Awb) wegens een transactie met het Openbaar Ministerie moeten worden betrokken bij de terugvordering (gemeente Amsterdam) De gemeente Amsterdam heeft de terugvordering in eerste instantie te hoog vastgesteld en heeft het dossier voortijdig doorgestuurd naar het Openbaar Ministerie. Betrokkene zag zich gedwongen een taakstraf te aanvaarden om vervolging te voorkomen, als gevolg waarvan zij een strafblad heeft gekregen.
In het beleid is bepaald bij welk terugvorderingbedrag de gemeente het dossier doorstuurt naar het Openbaar Ministerie en de gemeente heeft zich daar niet aan gehouden. Sprake is van bijzondere omstandigheden, waarin door de beleidsregel niet is voorzien. Het terugvorderingsbeleid leidt wegens deze bijzondere omstandigheden tot gevolgen die voor betrokkene onevenredig zijn in de zin van artikel 4:84 van de Awb. Door onverkort aan het terugvorderingsbeleid vast te houden heeft de gemeente het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd.
BZK 2007/21
|
17-12-2007
Onaangekondigd huisbezoek op basis van enkele melding klantmanager is onrechtmatig (gemeente Sittard-Geleen) De toepasselijkheid van een risicoprofiel “woningdelen” rechtvaardigt geen huisbezoek. De enkele melding van de klantmanager dat er een gezamenlijke huishouding zou zijn is onvoldoende. De gemeente Sittard-Geleen heeft niet eerst een goed dossieronderzoek gedaan. De reconstructie achteraf van de reden voor huisbezoek (jarenlang gelijkblijvend bedrag voor kamerhuur en risicocategorie ”woningdelen”) vindt de bestuursrechter onvoldoende aanleiding voor het onaangekondigd huisbezoek. De weigering tot medewerking is ten onrechte gesanctioneerd met een directe beëindiging. BZK 2007/15
|
13-12-2007
Ontbrekende verantwoording van PGB-gelden vormt geen grondslag voor terugvordering (gemeente Amsterdam) Deze moeder ontvangt bijstand en een persoonsgebonden budget (PGB) voor de zoon (1993) die zij verzorgt. Als regel worden de PGB-gelden die de AWBZ-verzekerde ontvangt voor de toepassing van de WWB niet als inkomsten beschouwd, tenzij deze worden uitbetaald aan een gezinslid dat de verzorging op zich heeft genomen. De PGB-gelden dienen in dit geval dan ook niet als inkomsten te worden beschouwd. De besteding van PGB-gelden dient aan de SVB, en niet aan de gemeente, te worden verantwoord. De ontbrekende verantwoording aan de gemeente is derhalve geen schending van de inlichtingenplicht en vormt geen grond voor terugvordering. BZK 2007/14
|
11-12-2007
Wegens een precaire financiële situatie en een aanzienlijk betalingsrisico is deze verplichting budgetbeheer (vaste woonlasten) gerechtvaardigd (gemeente Venlo) Vaststaat dat er sprake is van een precaire financiële situatie. Er bestaat een aanzienlijk risico dat de noodzakelijke betalingen, bijvoorbeeld voor huur en andere vaste lasten, zouden uitblijven. Voldaan is het vereiste volgens artikel 57, aanhef en onder a, WWB dat sprake moet zijn van gegronde redenen om aan te nemen dat de belanghebbende zonder hulp niet in staat is tot een verantwoorde besteding van zijn bestaansmiddelen. Verwijtbaarheid bij het ontstaan van de schuldensituatie is geen vereiste voor het opleggen van de verplichting budgetbeheer door de gemeente Venlo. BZK 2007/13
|
06-12-2007
Geen inkomsten op Zwarte Markt Beverwijk aangetoond (gemeente Haarlem) Deze klantmanager heeft betrokkene wel op de Beverwijkse Bazaar achter een kraam zien staan. Maar de feiten zijn onvoldoende duidelijk voor een herziening en terugvordering. De gemeente Haarlem had een aanvullend onderzoek moeten doen. Niet verklaarde kasstortingen doen hieraan niet af. Bestreden besluit vernietigd wegens ontbrekende draagkrachtige motivering. BZK 2007/12
|
04-12-2007
Na toekenning van een Bbz-uitkering met maximumtermijn van 12 maanden heeft de gemeente geen spontane informatieplicht over een aansluitende WWB-uitkering (gemeente Midden-Drenthe) Partijen hebben geprobeerd om hun Bbz-uitkering te laten verlengen. Nu het hier om een wezenlijk andere uitkering gaat dan bijstand op grond van de WWB en bijstand in beginsel slechts op aanvraag wordt toegekend, kan niet worden gezegd dat de acties die appellanten vóór de datum van melding bij het CWI hebben ondernomen, tot het innemen van een aanvraag om algemene bijstand volgens de WWB hadden moeten leiden. BZK 2007/11
|
03-12-2007
Heen en weer ketsen van aanvraag bij CWI maakt voorlopige voorziening noodzakelijk (gemeente Haarlem) Wegens niet tijdige verstrekking van gegevens is een eerste aanvraag buiten behandeling gelaten. De tweede aanvraag is door het CWI wel doorgezonden naar de gemeente Haarlem. Maar over de volledigheid van de aanvraag ontbreken gegevens. Nu zich een financiële noodsituatie voordoet wordt een voorlopige voorziening getroffen. BZK 2007/10
|
30-11-2007
Deze gewetensbezwaren tegen de functie van krattenwasser bij een pluimveeslachterij staan de verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden niet in de weg (gemeente Wervershoof) Weliswaar heeft betrokkene aangegeven vroeger vegetariër te zijn geweest. Uiteindelijk is hij tot de conclusie gekomen dat hij dat nog steeds is. De bezwaren van betrokkene tegen de hem aangeboden functie zijn echter niet van dien aard dat hij deze niet opzij had kunnen zetten zonder in conflict te komen met normen van cultureel-maatschappelijke of religieuze aard met een meer algemene strekking. Er is voldoende aanleiding voor afstemming van de bijstand. BZK 2007/09
|
13-11-2007
Tijdens de ontvangst van bijstand gespaard vermogen blijft buiten beschouwing (gemeente Utrecht) Over het algemeen dienen spaargelden slechts dan bij de vermogensvaststelling buiten aanmerking te blijven wanneer genoegzaam aannemelijk is gemaakt dat zij door besparingen op de verleende bijstand zijn gerealiseerd. Appellante heeft genoegzaam aannemelijk gemaakt dat haar vermogen is gevormd door langdurig sparen uit haar bijstandsuitkering. Zij heeft aan de gemeente Utrecht gedetailleerde overzichten verstrekt die voldoende inzicht geven met betrekking tot haar kasopnames en andere uitgaven en zij heeft een niet ongeloofwaardige verklaring afgelegd over de wijze waarop zij haar leven inricht. BZK 2007/08
|
08-11-2007
De terugvordering van bijstand aan zelfstandigen is wegens een fout van de wetgever niet goed geregeld (gemeente Ede) In artikel 54 WWB is voldoende grondslag te vinden voor de intrekking van dit voorbereidingskrediet. De wetgever heeft echter beoogd om de terugvordering van aan zelfstandigen verleende bijstand exclusief te regelen in het Bbz 2004. De gemeente Ede heeft zich dus voor de terugvordering ten onrechte gebaseerd op artikel 58 WWB. Bij gebreke van een verwijzing naar bijstand die als gevolg van een intrekkingsbesluit ten onrechte is verleend, kan niet anders worden geconcludeerd dan dat artikel 45, eerste lid, van het Bbz 2004 geen grondslag biedt voor deze terugvordering. Hier is sprake van een fout van de wetgever. Het is niet aan de rechter maar aan de wetgever om deze fout te herstellen. BZK 2007/07
|
08-11-2007
Het is in strijd met het discriminatieverbod (artikel 14 EVRM) om de uitzondering op de gelijkstelling met gehuwden in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, WWB niet ook toe te passen in het geval van andere ongehuwd samenwonenden, waarvan één een zorgbehoefte heeft (gemeente Amsterdam) De gemeente had partijen gelijk moeten behandelen als bloedverwanten in de tweede graad. De in artikel 3, tweede lid, onder a WWB neergelegde beperking had de gemeente wegens strijd met artikel 14 van het EVRM buiten toepassing moeten laten.
Voor de invulling van het begrip zorgbehoefte dient aansluiting te worden gezocht bij de jurisprudentie van de Raad ten aanzien van het begrip hulpbehoevendheid als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder k, Anw. Van zorgbehoefte wordt gesproken als betrokkene een aantal essentiële en steeds terugkerende levensverrichtingen niet zelfstandig kan uitvoeren.
Belanghebbenden hebben niet aangetoond dat zich hier een zorgbehoefte voordoet.
BZK 2007/22
|
06-11-2007
Uitsluiting van bepaalde deelnemers aan een penitentiair programma is in strijd met artikel 26 IVBPR (gemeente Utrecht) Het Besluit extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid kent slechts bepaalde uitzonderingen op de uitsluiting van bijstand volgens artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a WWB. Gevolg is dat deze zelfstandig wonende elektronisch gedetineerde voor thuisdetentie slechts een vergoeding voor levensonderhoud ontvangt van € 7,50 per dag. De gemeente Utrecht heeft aanvullende bijstand afgewezen. In dit geval moet artikel 13 WWB wegens strijd met artikel 26 IVBPR volgens de Raad buiten toepassing worden gelaten.
BZK 2007/05
|
06-11-2007
Na aanpassing van de bijstand wegens een gezamenlijke huishouding is de gemeente niet verplicht om een gewenningsperiode toe te kennen (gemeente Rotterdam) Na drie jaar tweemaal norm alleenstaande wordt de bijstand herzien naar de gezinsnorm wegens een gezamenlijke huishouding. De rechtbank verplicht de gemeente een gewenningsperiode te hanteren. Er zijn volgens de Raad echter geen rechtsregels die de gemeente verplichten een dergelijke gewenningsperiode toe te kennen. BZK 2007/06
|
30-10-2007
Een permanente ontheffing van arbeidsverplichtingen is in strijd met de wet (gemeente Venlo) Gelet op het karakter van de Abw (en ook de WWB) moet bij heronderzoeken periodiek bezien moeten worden of, en zo ja in hoeverre, er aanleiding is om arbeidsverplichtingen (opnieuw) aan de bijstand te verbinden. Of om voor een bepaalde periode verleende ontheffingen voort te zetten, in te trekken of te wijzigen. Een besluit van de gemeente Venlo om deze verplichtingen voorgoed niet op te leggen of om zonder tijdsbepaling ontheffing te verlenen van arbeidsverplichtingen zou daarmee in strijd zijn. BZK 2007/04
|
23-10-2007
Naast beleidsregels voor langdurigheidstoeslag is een individuele beoordeling van bijzondere omstandigheden noodzakelijk (gemeente Den Haag)
Volgens de beleidsregels van de gemeente Den Haag wordt bij een bepaalde maatregel gedurende de referteperiode geen langdurigheidstoeslag verleend. In dit geval is hieraan uitvoering gegeven. De gemeente had echter wegens bijzondere omstandigheden van haar beleid moeten afwijken (inherente afwijkingsbevoegdheid). BZK 2007/03
|
16-10-2007
Bezwaar tegen subsidiebesluit heeft geen direct gevolg voor de arbeidsovereenkomst. Tegen wijziging of beëindiging van een voorziening staan rechtsmiddelen open (gemeente Rotterdam) Het College van Rotterdam heeft bij verschillende besluiten aan de werkgevers van betrokkenen medegedeeld dat de loonkostensubsidie ten behoeve van betrokkenen op grond van het (vervallen) Besluit in- en doorstroombanen maximaal een of twee jaar wordt voortgezet met een verlengingsmogelijkheid van maximaal een jaar. Aan betrokkenen is hiervan mededeling gedaan.
Deze aan betrokkenen geadresseerde brieven bevatten naar het oordeel van de Raad slechts mededelingen van informatieve aard over subsidieverlening aan hun werkgevers. Voor betrokkenen hebben deze brieven geen rechtsgevolg. Voor zover betrokkenen beoogd hebben bezwaar te maken tegen de subsidiebesluiten, gericht aan hun werkgevers, oordeelt de Raad dat er geen directe gevolgen zijn voor (de arbeidsovereenkomsten van) betrokkenen. Over beëindiging van de subsidie volgen nog besluiten en beëindiging van de arbeidsovereenkomsten bleek van meer omstandigheden afhankelijk. De belangen van betrokkenen zijn niet rechtstreeks betrokken bij de subsidiebesluiten, gericht aan hun werkgevers.
Ten overvloede overweegt de Raad dat een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 6 van het Besluit in- en doorstroombanen op grond van artikel 14, eerste lid van de Invoeringswet WWB geldt als een voorziening in de zin van artikel 7 van de WWB. Wijziging of beëindiging van een dergelijke voorziening dient door middel van een besluit, bekend te maken aan betrokkenen, te geschieden.
BZK 2007/20
|
20-08-2007
Het beroep op Arbo-eisen is onvoldoende om van betrokkene kledingaanpassing te vergen bij deelname aan het leerwerktraject At Work, uit oogpunt van haar geloofsovertuiging (gemeente Den Haag) Nu betrokkene bij deelname aan het leerwerktraject At Work weigert haar kleding aan te passen heeft de gemeente Den Haag diverse maatregelen opgelegd.
Voldoende is vast komen te staan dat het dragen door eiseres van de hoofddoeken en de wijde traditionele kleding een uiting is van het door haar aangehangen geloof. Het dragen van deze kleding(stukken) is derhalve één van de uitdrukkingen van een geloofsovertuiging en valt daarom onder de bescherming van het begrip godsdienst, zoals bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb). Het standpunt van de gemeente levert dan ook een indirect onderscheid op naar godsdienst.
Er kunnen zich, door de gemeente aan te dragen, feiten en omstandigheden voordoen die het maken van een indirect onderscheid rechtvaardigen. De gemeente heeft evenwel onvoldoende aangetoond dat de grote hoofddoek of de (wijde) traditionele kleding van eiseres een belemmering vormden voor de deelname aan dit traject. Eiseres had immers reeds vier maanden meegewerkt aan het leertraject bij At Work, waarbij onweersproken vaststaat dat zij ook met (sorteer)machines heeft gewerkt en niet is gebleken dat de kleding van eiseres hierbij tot problemen heeft geleid. In hetgeen verweerder heeft aangedragen is de rechtbank dan ook niet gebleken van feiten en omstandigheden die het maken van een indirect onderscheid rechtvaardigen.
Onvoldoende is aangetoond dat eiseres ten aanzien van inschakeling in het arbeidsproces eisen heeft gesteld, die het aanvaarden of verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid belemmeren. De gemeente heeft dus ten onrechte deze twee maatregelen gehandhaafd.
Verder acht de rechtbank de opgelegde sollicitatie-eis, 14 sollicitaties binnen tien dagen, geen redelijke maatstaf. Van betrokkene kan in redelijkheid niet worden verlangd, mede gelet op het gebrek aan werkervaring en het lage taalniveau, een dusdanig hoog aantal sollicitaties binnen een dergelijk kort tijdsbestek te verrichten.
Wat hier evenwel van zij, de gemeente heeft terecht vastgesteld dat eiseres niet naar vermogen heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen als bedoeld in artikel 7, aanhef en vierde lid, van de Maatregelenverordening. Zij heeft immers, anders dan het aanleveren van een lijst met uitzendbureaus, geen bewijsstukken van concrete sollicitatieactiviteiten overgelegd. Deze maatregel blijft gehandhaafd.
BZK 2007/19
|
07-08-2007
Peildatum voor aanvraag om bijstand in schulden (gemeente Amsterdam) Na de ontvangst van zijn jaarrekening (NUON) verzocht betrokkene om bijzondere bijstand in gemaakte energiekosten wegens het thuis opladen van accu’s van de scootmobiel. De gemeente Amsterdam wees de bijstand af. De Raad stelt als regel vast onder welke omstandigheden sprake is van een schuld. Relevant is de peildatum van de aanvraag, namelijk indien de kosten voor de dag van de aanvraag bij de belanghebbende in rekening zijn gebracht maar nog niet zijn voldaan. In dit geval gaat het om energiekosten die voor de dag van de aanvraag in rekening zijn gebracht en nog niet waren voldaan. De schuld is terecht afgewezen. BZK 2007/02
|
13-07-2007
De aanvraag voor een langdurigheidstoeslag hoeft niet binnen een bepaalde termijn te worden ingediend (gemeente Amsterdam) Anders dan de gemeente Amsterdam meent is er geen grond om de langdurigheidstoeslag waarvoor eiseres op 1 januari 2004 in aanmerking komt, te weigeren. Er valt immers in de WWB geen enkele bepaling aan te wijzen waaruit voortvloeit dat een aanvraag om langdurigheidtoeslag binnen een bepaalde termijn moet worden ingediend, dan wel een bepaling op grond waarvan het recht op die toeslag zelf, na verloop van een zekere tijd, wordt ontzegd. Ook in artikel 36, eerste lid, aanhef en onder d, WWB valt die grond niet te vinden. De toekenning is niet afhankelijk van de datum waarop de aanvraag is gedaan. BZK 2007/01
|
|
|
|
|
|
|