|
Verrekening van inkomsten uit studiefinanciering Het dwingendrechtelijke karakter van artikel 33 WWB betekent dat het genormeerde inkomen uit studiefinanciering in mindering wordt gebracht op het relevante normbedrag (gemeente Breda) |
| 13-01-2010 |
De som van de basisbeurs en aanvullende prestatiebeurs en de reisvoorziening is per 1 januari 2009 hoger dan het normbedrag van artikel 33, tweede lid, onder b, WWB. Artikel 33, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB is een bepaling van dwingendrechtelijke aard, welke bepaling met zich meebrengt dat de gemeente gehouden is het in die bepaling genoemde bedrag van € 543,73 op de bijstandsuitkering in mindering te brengen. Vgl. CRvB 27 maart 2007 nr. 06/1980 WWB, LJN BA1880.
De inkomsten die het college terecht gekort heeft op de bijstandsuitkering zijn derhalve het normbedrag van artikel 33, tweede lid, onder b (€ 543,73), de partnertoeslag (€ 543,73) en de stagevergoeding (€ 199,90), in totaal € 1.287,36. Nu de bijstandsnorm per 1 januari 2009 € 1.283,86 bedroeg heeft het college de uitkering per 1 januari 2009 kunnen intrekken.
De rechtbank merkt op dat betrokkene niet heeft onderkend dat bij de normering van artikel 33, tweede lid, onder b, van de WWB ook de tegenwaarde van de OV-studentenkaart als inkomen voor levensonderhoud in aanmerking wordt genomen. Hieruit blijkt dat de hoogte van het normbedrag van artikel 33, tweede lid, onder b, van de WWB, per 1 januari 2009 niet aansluit bij de wijze van vaststelling van dit bedrag zoals in artikel 39 van de WWB is aangegeven.
De rechtbank kan hieruit slechts concluderen dat de wetgever bij de periodieke indexering van dit normbedrag niet heeft gehandeld zoals in artikel 39 van de WWB is voorgeschreven.
|
www.bijstandszaken.nl
BZK 2010/07
|